Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:127

Zaaknummer

25-882/AL/MN

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Gegronde klacht over eigen advocaat. Kwaliteit van de dienstverlening. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door er niet (tijdig) voor te zorgen dat klager en verweerder de zitting samen online zouden kunnen bijwonen. Daardoor is de mogelijkheid tot communicatie van klager met verweerder tijdens de zitting in negatieve zin beïnvloed. Ook het niet schriftelijk informeren van klager over de uitsluitingsclausule en de gevolgen daarvan is tuchtrechtelijk verwijtbaar. De aard en ernst van deze gegronde tuchtrechtelijke verwijten rechtvaardigen de oplegging van een maatregel. Daarbij houdt de raad rekening met alle omstandigheden van deze klachtzaak, waaronder het door verweerder ter zitting getoonde zelfinzicht en het door verweerder gewijzigde intakeformulier dat op zijn kantoor wordt gebruikt in echtscheidingszaken. Waarschuwing. 

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 26 mei 2026 in de zaak 25-882/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over

verweerder

 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 19 juni 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 18 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 2499164/FB/SD van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 30 maart 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 06.1. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van verweerder van 13 maart 2026. 

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Klager is verwikkeld in een echtscheiding. Verweerder heeft klager hierin bijgestaan. De ex echtgenote van klager is bijgestaan door mr. B. 

2.2    Op 24 november 2023 is namens de ex-echtgenote bij de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. In het verzoekschrift zijn onder meer een bedrijfsauto van het merk Mercedes en een vordering op de huwelijksgoederengemeenschap op grond van een uitsluitingsclausule in het testament van de moeder van de ex-echtgenote vermeld.

2.3    Op 21 december 2023 heeft verweerder een opdrachtbevestiging aan klager gestuurd.

2.4    Op 8 januari 2024 heeft verweerder namens klager bij de rechtbank een verweerschrift voorlopige voorzieningen tevens houdende zelfstandig verzoek ingediend.

2.5    Op 23 januari 2024 heeft de rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen ten aanzien van de door partijen bereikte overeenstemming over de afgifte van goederen en de verkoop van de Mercedes. Ook heeft de rechtbank bepaald dat klager bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning inclusief de inboedel.  

2.6    Op 7 augustus 2024 is namens verweerder aan klager bericht dat de mondelinge behandeling van het echtscheidingsverzoek online zal plaatsvinden op 9 oktober 2024 via videobellen en dat het ‘om technische en facilitaire redenen niet mogelijk [is] om de online zitting gezamenlijk te doen plaatsvinden op ons kantoor. Dit betekent dat u zelf vanuit uw woning dient deel te nemen aan de zitting.’ 

2.7    Op 14 augustus 2024 heeft klager zijn zorgen geuit over onder meer de online zitting, waaronder het apart deelnemen aan de online zitting:

‘Ik ben ongerust over het feit dat, anders dan de rechtbank voorstelt, wij apart van elkaar aan de zitting deelnemen terwijl de tegenpartij ongetwijfeld wél vanaf één locatie ter (online) zitting verschijnt. Behalve dat we daardoor m.i. al meteen op achterstand staan, lijkt het me een kleine moeite om hiervoor een passende oplossing te bedenken.  

‘Wat me ook bevreemd is dat het eerste voorstel om het niet tot een zitting te laten komen kennelijk niet meer actueel is, maar ik in het ongewisse ben waarom dit ineens niet meer aan de orde is. (…)’  

2.8    Op 8 oktober 2024 heeft klager verweerder gevraagd hem te berichten over de inhoudelijke kant van het schikkingsvoorstel waar verweerder met mr. B. overeenstemming over had bereikt, maar wat uiteindelijk door de ex-echtgenote is afgewezen.

2.9    Op 9 oktober 2024 heeft de online zitting over het echtscheidingsverzoek plaatsgevonden.

2.10    Op 28 november 2024 heeft de rechtbank Rotterdam de echtscheiding uitgesproken, partneralimentatie vastgesteld en bepaald dat klager huurder van de woning zal zijn. Ook heeft de rechtbank de verdeling van de gemeenschap van goederen vastgesteld. 

2.11    Op 4 december 2024 hebben verweerder en klager telefonisch contact met elkaar gehad over de mogelijkheden van hoger beroep. 

2.12    Op 9 december 2024 om 8:43 uur heeft klager verweerder gevraagd om per direct hoger beroep aan te tekenen in zijn scheidingszaak. Dezelfde dag heeft verweerder om 10:20 uur de inhoud van het telefonisch contact met klager op 4 december 2024 aan klager bevestigd en vermeld dat hij uitsluitend kansen ziet in een eventueel hoger beroep met betrekking tot de samenwoning van de ex-echtgenote met haar vriend, de partneralimentatie en de waarde van de Mercedes.

2.13    Op 16 december 2024 heeft verweerder klager bericht dat hij naar aanleiding van zijn e mail van 9 december 2024 niet meer van hem mocht vernemen en dat hij het er, behoudens andersluidend tegen bericht van klager, voor houdt dat klager een andere advocaat heeft aangezocht, in welk geval verweerder geen hoger beroep namens klager zal instellen.

2.14    Op 8 april 2025 heeft klager een klacht ingediend bij het kantoor van verweerder.

2.15    Op 11 april 2025 heeft verweerder inhoudelijk op de klacht van klager gereageerd.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

a)      verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door: -    te laat op de online zitting te verschijnen; -    niet te faciliteren dat hij met klager in een ruimte zat en niet te reageren op de zorgen hierover van klager; - onvoldoende inhoudelijk verweer te voeren ten aanzien van de erfenis en de partneralimentatie. Verweerder heeft het verweer laten liggen dat het gedrag van de ex-echtgenote ten opzichte van klager dusdanig grievend is geweest dat dat reden is om geen partneralimentatie toe te kennen;

b)    verweerder heeft klager niet op de hoogte gebracht van belangrijke informatie, zoals het bestaan van een uitsluitingsclausule en de gevolgen daarvan, en de inhoud van het schikkingsvoorstel.     Door deze tekortkomingen heeft verweerder klager financieel en psychisch benadeeld. Ook het door klager ingestelde hoger beroep is benadeeld doordat er al een uitspraak is gedaan. 

3.2    De raad zal hierna bij de beoordeling op de klachtonderdelen ingaan.

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerder voert verweer tegen de klacht. In dat verband doet verweerder eerst een beroep op de niet-ontvankelijkheid van de klacht. Volgens verweerder dient klager zijn klacht voor te leggen aan de Geschillencommissie Advocatuur zoals vastgelegd in de algemene voorwaarden van zijn kantoor.

4.2    Als inhoudelijk verweer tegen de klacht betwist verweerder dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerder aan dat de spreekkamer in het gebouw waar zijn kantoor is gevestigd niet betrouwbaar genoeg is en dat de wifi-verbinding daar slecht is. Volgens verweerder is met klager afgesproken dat de online zitting separaat wordt bijgewoond. In dat kader merkt verweerder op dat hij op tijd aanwezig was en dat de videoverbinding na enige tijd tot stand is gekomen. Volgens verweerder is de zaak van klager vanwege de vertraging in de totstandkoming van de videoverbinding niet geschaad. Verder voert verweerder aan dat uit de echtscheidingsbeschikking blijkt dat klager heeft erkend dat de erfenis is opgegaan aan de gezamenlijke kosten van de huishouding. Verweerder wijst erop dat wanneer klager dit nu anders ziet, hij dit in het hoger beroep zal hebben voorgelegd. Daarnaast voert verweerder aan dat de lat voor afwijzing van een verzoek om partneralimentatie wegens grievend gedrag van de ex-echtgenote erg hoog is. Volgens verweerder zag en ziet hij daar weinig heil in, ook niet in hoger beroep. Volgens verweerder heeft hij de uitsluitingsclausule en de gevolgen daarvan met klager besproken, maar had de communicatie daarover met klager wellicht beter gekund. Het was beter geweest wanneer hij hierover separaat een e-mail aan klager had gestuurd waarin hij een en ander nader uiteen had gezet, aldus verweerder.

Tot slot voert verweerder aan dat hij met mr. B. over en weer heeft gesproken over de mogelijkheden om tot een regeling in der minne komen, maar dat er uiteindelijk geen concreet voorstel is geweest.

4.3    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

Ontvankelijkheid  

5.1    Voordat de raad toekomt aan een inhoudelijke behandeling van de klacht over verweerder moet de raad, gelet op het door verweerder gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid en ook ambtshalve, eerst vaststellen of de tuchtrechter bevoegd is om van de klacht van klager over verweerder kennis te nemen.

5.2    De raad oordeelt dat hij bevoegd is om kennis te nemen van de klacht van klager. Naast de Geschillencommissie Advocatuur heeft de tuchtrechter een eigen bevoegdheid om te oordelen over het optreden van een advocaat. Daar komt bij dat de Geschillencommissie Advocatuur vooral oordeelt over declaratiegeschillen en daar is in dit geval geen sprake van. De klacht is dan ook ontvankelijk. Dit betekent dat de raad de klacht hierna inhoudelijk zal beoordelen. 

Toetsingskader

5.3    De klacht van klager gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop zij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes – zoals over proceskansen en kostenrisico – waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

Klachtonderdeel a) is gedeeltelijk gegrond 

5.4    De raad oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door een vertraagde videoverbinding op de zitting van 9 oktober 2024. Hoewel het onhandig is dat de videoverbinding aan de zijde van verweerder niet meteen aan het begin van de zitting tot stand kwam en er enige vertraging was, is het de raad niet gebleken dat dit van enige invloed is geweest op het verdere verloop van de zitting en de behandeling van het echtscheidingsverzoek door de rechtbank. In zoverre is klachtonderdeel a) ongegrond.

5.5    Voor wat betreft de verwijten over het niet in een ruimte zitten en het onvoldoende verweer voeren ten aanzien van de erfenis en de partneralimentatie oordeelt de raad dat verweerder onvoldoende zorgvuldig en dus tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Gelet op de aard van de procedure, een echtscheiding met nevenvoorzieningen, en de e-mail van klager van 14 augustus 2024 had het op de weg van verweerder gelegen om ervoor te zorgen dat hij samen met klager in een ruimte kon zitten om de online zitting bij te wonen. Dat heeft verweerder echter niet gefaciliteerd. Pas in zijn schriftelijke verweer op de klacht en tijdens de zitting heeft verweerder uitgelegd waarom een gezamenlijke bijwoning van de online zitting op zijn kantoor volgens hem niet mogelijk was (te kleine werkkamer en onbetrouwbare internetverbinding). Verweerder had dit echter voorafgaand aan de online zitting in reactie op de e-mail van klager met klager moeten communiceren.  Ook over het te voeren verweer tegen de erfenis en de door de ex-echtgenote verzochte partneralimentatie heeft verweerder onvoldoende voor klager op schrift gezet. Door het apart deelnemen aan de online zitting in plaats van gezamenlijk in een ruimte heeft verweerder dit ook niet tijdens de zitting met klager kunnen bespreken. In zoverre is klachtonderdeel a) gegrond.

Klachtonderdeel b) is gedeeltelijk gegrond

5.6    De raad oordeelt dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klager onvoldoende te informeren over de uitsluitingsclausule en de gevolgen daarvan ten aanzien van de echtscheidingsprocedure. Het mag zo zijn dat verweerder hierover met klager heeft gesproken, maar het had op zijn weg gelegen om dergelijke informatie schriftelijk vast te leggen om misverstanden, onzekerheden of geschillen achteraf te voorkomen. Zowel in zijn schriftelijke verweer als ter zitting heeft verweerder ook erkend dat hij de vermelding van de uitsluitingsclausule en de gevolgen daarvan beter aan klager had moeten uitleggen. In zoverre is klachtonderdeel b) gegrond.

5.7    De raad kan niet vaststellen dat sprake was van een concreet schikkingsvoorstel. Verweerder heeft dat uitdrukkelijk betwist onder verwijzing naar zijn e-mailcorrespondentie met mr. B. Uit deze correspondentie volgt niet dat de schikkingsonderhandelingen al tot een concreet schikkingsvoorstel hadden geleid. In zoverre is klachtonderdeel b) ongegrond.

 

6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door er niet (tijdig) voor te zorgen dat klager en verweerder de zitting samen online zouden kunnen bijwonen. Daardoor is de mogelijkheid tot communicatie van klager met verweerder tijdens de zitting in negatieve zin beïnvloed. Ook het niet schriftelijk informeren van klager over de uitsluitingsclausule en de gevolgen daarvan is tuchtrechtelijk verwijtbaar. De aard en ernst van deze gegronde tuchtrechtelijke verwijten rechtvaardigen de oplegging van een maatregel. Daarbij houdt de raad rekening met alle omstandigheden van deze klachtzaak, waaronder het door verweerder ter zitting getoonde zelfinzicht en het door verweerder gewijzigde intakeformulier dat op zijn kantoor wordt gebruikt in echtscheidingszaken. De raad volstaat op grond van deze omstandigheden met de oplegging van een waarschuwing.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50 aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door te geven.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a)     € 50,- reiskosten van klager, b)     € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c)     € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door te geven. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline: -     verklaart klachtonderdeel a) gegrond ten aanzien van het verwijt over het onvoldoende schriftelijk informeren van klager over het niet in een ruimte zitten tijdens de online zitting en over het te voeren verweer ten aanzien van de erfenis en de verzochte partneralimentatie, en voor het overige ongegrond;

-     verklaart klachtonderdeel b) gegrond ten aanzien van het verwijt over het niet schriftelijk informeren van klager over de uitsluitingsclausule en de gevolgen daarvan, en voor het overige ongegrond;

-     legt aan verweerder de maatregel van een waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

-     veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-     veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, en mrs. S.M. Bosch-Koopmans en E.J.C. de Jong, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.     

Griffier                            Voorzitter

 

Verzonden op : 26 mei 2026