Rechtspraak
Uitspraakdatum
26-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:125
Zaaknummer
25-855/AL/NN
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Kwaliteit dienstverlening. De raad kan niet vaststellen dat verweerder de handtekening van de heer Y op de vaststellingsovereenkomst (vso) heeft laten vervalsen. Geen van partijen heeft het betreffende document van de vso dat overgelegd en ter zitting is het ook niet duidelijk geworden hoe de heer X namens de heer Y heeft getekend en of daar bijvoorbeeld ‘in opdracht’ of ‘per opdracht’ bij is gezet, zodat de raad over de gang van zaken rondom de door de heer X namens de heer Y gezette handtekening verder niet kan oordelen. Verder oordeelt de raad dat de omstandigheid dat de heer Y de vso voorafgaand aan zijn akkoord niet had gelezen, dat hij niet wist waar hij akkoord mee ging en dat het hem pas later duidelijk werd wat werkelijk was vastgelegd, verweerder niet kan worden verweten. Klacht in alle onderdelen ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 26 mei 2026 in de zaak 25-855/AL/NN naar aanleiding van de klacht van:
klaagster vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger]
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 8 juli 2025 is namens klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 10 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2025 KNN064 / 2504605 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 30 maart 2026. Daarbij waren de vertegenwoordiger van klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 02 tot en met 05.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klaagster exploiteerde een horecaonderneming. De vennoten van klaagster zijn de heer X en zijn zoon de heer Y. Klaagster is verwikkeld geweest in een geschil met de verhuurder van het pand waarin klaagster gevestigd was over (de hoogte van) huurachterstanden, contracten met en (achterstallige) betalingen aan energieleveranciers en overname van de horecaonderneming. Verweerder heeft klaagster hierin bijgestaan.
2.2 Op 1 maart 2024 heeft verweerder via e-mail contact opgenomen met de verhuurder waarin verweerder heeft vermeld dat klaagster graag een gesprek wil hebben over ‘alle zaken die er spelen en (misschien nog gaan spelen).’
2.3 Op 14 maart 2024 heeft verweerder een opdrachtbevestiging aan klaagster gestuurd.
2.4 In de periode maart tot en met mei 2024 heeft verweerder contact gehad met de verhuurder over onder meer het vinden van een kandidaat-koper voor de onderneming van klaagster.
2.5 In de loop van 2024 is de verhuurder een kort geding tegen klaagster gestart.
2.6 Op 28 juni 2024 heeft verweerder een aantal producties naar de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) en de advocaat van de verhuurder gestuurd met de heer Y in bcc.
2.7 Op 1 en 2 juli 2024 heeft verweerder producties naar de rechtbank en de advocaat van de verhuurder gestuurd.
2.8 Op 2 juli 2024 heeft de advocaat van de verhuurder een aantal producties naar de rechtbank en verweerder gestuurd.
2.9 Op 3 juli 2024 om 11:58 uur heeft verweerder de heer Y als bijlage zijn pleitaantekeningen gemaild. Dezelfde dag heeft om 13:30 uur het kort geding plaatsgevonden. De heer X was daar niet bij aanwezig. Tijdens deze zitting is gesproken over een minnelijke oplossing. Van deze zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt. In deze aantekeningen is onder meer vermeld dat verweerder spreekaantekeningen heeft overgelegd. Dezelfde dag heeft de heer Y verweerder om 22:02 uur bedankt voor zijn bijstand die dag.
2.10 Op 5 juli 2024 heeft verweerder de heer Y gemaild:
‘We spraken elkaar zojuist. U geeft aan de zaak ook te hebben of gaan voorleggen aan […] Advocaten. Ik wacht af.
Voor de volledigheid: in deze zaak kan het alleen nog een vonnis komen of (ter voorkoming van dat) een regeling. Uiteraard kan tegen een vonnis (…) hoger beroep (binnen 4 weken) worden ingesteld. Hoger beroep houdt de ontruiming niet tegen.’
2.11 Op 18 juli 2024 heeft de advocaat van de verhuurder een conceptvoorstel voor een minnelijke regeling aan verweerder gemaild. Vervolgens hebben verweerder en de advocaat van de verhuurder met elkaar gemaild over onderdelen van het geschil.
2.12 Op 19 juli 2024 om 14:53 uur heeft de advocaat van de verhuurder een finale regeling ter goedkeuring aan verweerder gemaild. Dezelfde dag heeft verweerder deze regeling om 15:12 uur aan de heer Y doorgestuurd met als bijschrift:
‘Akkoord zo?’
Om 15:28 uur heeft de heer Y gereageerd:
‘Akkoord.’
2.13 Op 30 juli 2024 heeft verweerder de heer Y geappt:
‘De rechtbank wil nog een handtekening onder de deal met […]. Kun je eerdaags even langsrijden bij mij in Groningen.’
Hierop heeft de heer Y gereageerd:
‘Ik zit in Italië mijn vader kan tekenen is dat oké?’
Hierop heeft verweerder bevestigend gereageerd.
2.14 Op 6 augustus 2024 heeft de heer X de vaststellingsovereenkomst (hierna: de vso) namens de heer Y ondertekend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:
a) verweerder heeft de handtekening van de heer Y laten vervalsen. Volgens de statutaire vertegenwoordigingsbepalingen binnen klaagster zijn beide vennoten gezamenlijk bevoegd tot het aangaan van overeenkomsten die de vennootschap binden. De heer X had geen volmacht van de heer Y, hij was ernstig ziek en hij stond volledig buiten de inhoud van de vso. De heer X was ook niet geïnformeerd over de inhoud en de rechtsgevolgen van de vso, waardoor hun belangen onvoldoende zijn gewaarborgd;
b) - verweerder heeft de essentiële voorwaarden die de heer Y in de regeling opgenomen wenste te zien, niet in de regeling opgenomen. Ook heeft verweerder de regeling niet inhoudelijk met de heer Y besproken, de producties van de wederpartij niet voorafgaand aan de zitting gedeeld en besproken. De heer X heeft geen akkoord gegeven op de vso. Het enige akkoord van de heer Y ging over een verrekening van € 10.000. De heer Y heeft de e-mail van verweerder vluchtig gezien terwijl hij in het buitenland verbleef. Pas bij ontvangst van het proces-verbaal in september 2024 werd het de heer Y duidelijk wat werkelijk was vastgelegd;
- verweerder is tijdens de zitting van 3 juli 2024 passief geweest. Verweerder heeft geen enkel inhoudelijk verweer gevoerd, terwijl de wederpartij de heer Y herhaaldelijk en persoonlijk aanviel. De aantijgingen waren opgenomen in de producties van de wederpartij die verweerder ruimschoots voor de zitting heeft ontvangen, maar verweerder heeft deze producties niet met de heer Y gedeeld. Verweerder heeft de heer Y niet geïnformeerd of voorbereid op de inhoud daarvan en verweerder heeft de rechter niet geïnformeerd dat de heer Y de producties nooit had ontvangen of begrepen;
c) verweerder heeft de verkoop van de onderneming van klaagster stopgezet, omdat de Belastingdienst bezwaar zou maken tegen verkoop. Deze informatie bleek achteraf onjuist waardoor een reële kans op financieel herstel definitief teniet werd gedaan.
3.2 De raad zal hierna bij de beoordeling op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerder aan dat de zitting van het kort geding lang duurde en dat partijen op de gang zijn geweest om een minnelijke regeling te onderzoeken. Daarbij merkt verweerder op dat de definitieve tekst van de vso tot stand is gekomen op 19 juli 2024. Volgens verweerder is de tekst van de vso gedeeld met de heer Y en heeft hij een ‘akkoord’ gegeven. Verder voert verweerder aan dat hij de heer Y via WhatsApp heeft gevraagd om langs te komen voor ondertekening van de vso zodat die naar de kantonrechter kon worden gestuurd voor vastlegging in een proces-verbaal. Volgens verweerder heeft de heer Y hem toen geappt dat hij in Italië zat en dat zijn vader, de heer X, ook kon tekenen. Verweerder merkt op dat de heer X via de heer Y op de hoogte werd gehouden. Volgens verweerder was de ondertekening van de vso een formaliteit, omdat de heer Y had ingestemd met de inhoud van de vso. Daarnaast voert verweerder aan dat hij zijn spreekaantekeningen voor het kort geding vooraf aan de heer Y heeft gemaild en dat de heer Y na de zitting heeft gezegd nog een ‘second opinion’ te willen vragen. Tot slot merkt verweerder op dat hij niet betrokken is geweest bij de verkoop van de onderneming van klaagster en dat daarvoor een horecamakelaar is ingeschakeld.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De klacht van klaagster gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop zij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes – zoals over proceskansen en kostenrisico – waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a) is ongegrond
5.2 De raad kan op grond van het klachtdossier en de door verweerder afgelegde verklaring ter zitting niet vaststellen dat verweerder de handtekening van de heer Y op de vso heeft laten vervalsen. Geen van partijen heeft het betreffende document van de vso dat de heer X voor akkoord heeft getekend overgelegd en ter zitting is het de raad ook niet duidelijk geworden hoe de heer X namens de heer Y heeft getekend en of daar bijvoorbeeld ‘in opdracht’ of ‘per opdracht’ bij is gezet, zodat de raad over de gang van zaken rondom de door de heer X namens de heer Y gezette handtekening verder niet kan oordelen. Hoewel het beter was geweest als verweerder de heer X namens de heer Y had laten tekenen met een schriftelijke machtiging van de heer Y is het ontbreken daarvan niet klachtwaardig. De heer Y heeft verweerder via WhatsApp voorgesteld dat de heer Y de vso met de verhuurder tekent, omdat hij op dat moment met vakantie was en dus zelf niet kon tekenen. Daarmee had verweerder een machtiging van de heer Y om de vso ook namens hem te laten tekenen door de heer X. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b) is ongegrond
5.3 De raad kan niet vaststellen dat verweerder tuchtrechtelijk iets te verwijten valt ten aanzien van de voorwaarden die in de vso zijn opgenomen. Uit de onder 2 genoemde feiten blijkt dat verweerder de vso op 19 juli 2024 aan de heer Y heeft gemaild en dat de heer Y daar dezelfde dag op heeft gereageerd dat hij akkoord is. De omstandigheid dat de heer Y de vso voorafgaand aan zijn akkoord niet had gelezen, dat hij niet wist waar hij akkoord mee ging en dat het hem pas na ontvangst van het proces-verbaal in september 2024 duidelijk werd wat werkelijk was vastgelegd, zoals de heer Y in zijn klacht heeft vermeld en ter zitting heeft herhaald, kan verweerder niet worden verweten. Als de heer Y niet akkoord was met de vso die verweerder hem had gemaild, had de heer Y daar niet mee akkoord moeten gaan of, vanwege zijn vakantie, om meer tijd moeten vragen om de vso door te nemen. De heer Y heeft echter zijn akkoord gegeven en verweerder mocht er dan ook op vertrouwen dat de heer Y en de heer X die mede namens de heer Y heeft getekend instemden met de vso en de daarin opgenomen voorwaarden. In zoverre is klachtonderdeel b), bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing, ongegrond.
5.4 Verder kan de raad niet vaststellen dat verweerder tijdens het kort geding van 3 juli 2024 passief is geweest of dat verweerder richting klaagster op enigerlei wijze klachtwaardig heeft gehandeld ten aanzien van producties van de wederpartij. Verweerder heeft dat betwist en de namens klaagster overgelegde zittingsaantekeningen van 3 juli 2024 bieden ook geen aanknopingspunt voor de juistheid van dit verwijt. In zoverre is klachtonderdeel b) bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing ongegrond.
Klachtonderdeel c) is ongegrond
5.5 De raad kan niet vaststellen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld ten aanzien van de (stopzetting van de) verkoop van de onderneming van klaagster. Verweerder heeft betwist dat hij betrokken is geweest bij de verkoop van de onderneming en de overgelegde stukken bieden geen aanknopingspunten voor de juistheid van het verwijt dat klaagster verweerder in dat kader maakt. Klachtonderdeel c) is bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mrs. S.M. Bosch-Koopmans en E.J.C. de Jong, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 26 mei 2026
