Rechtspraak
Uitspraakdatum
26-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:123
Zaaknummer
26-198/AL/MN
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 26 mei 2026 in de zaak 26-198/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 11 maart 2026 met kenmerk Z 2530861/FB/SD.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder heeft klager bijgestaan in een geschil met een rederij over de vermissing van zijn container.
1.2 Klager en verweerder verschilden van mening over de aanpak en vervolgstappen in de zaak. Om die reden heeft klager op 8 juli 2025 een andere jurist benaderd om het dossier over te nemen. Na goedkeuring heeft verweerder het dossier op 10 juli 2025 naar deze jurist gestuurd.
1.3 Tussen 5 augustus 2025 en 16 oktober 2025 is er tussen klager en verweerder verschillende keren contact geweest over de vraag of verweerder het dossier opnieuw in behandeling wilde nemen.
1.4 Op 15 oktober 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door zijn zaak onvoldoende zorgvuldig te behandelen.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
4.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de voorzitter als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.3 Klager stelt dat verweerder zijn zaak onzorgvuldig heeft behandeld. Klager verwijt verweerder dat hij niet naar hem luistert en niet doet wat hij van verweerder vraagt. Klager verwijt verweerder in het bijzonder dat hij de rederij niet aansprakelijk heeft gesteld.
4.4 Uit de stukken in het klachtdossier volgt dat verweerder en klager van mening verschillen over de aanpak van de zaak. Verweerder wilde – anders dan klager – om een aantal (inhoudelijke) redenen de rederij niet aansprakelijk stellen. De voorzitter is van oordeel dat het verweerder vrij stond om deze procedure niet te starten. Die keuze valt binnen de hierboven genoemde vrijheid die een advocaat heeft. De door verweerder genoemde inhoudelijke redenen om niet tot een procedure over te gaan, zijn ook begrijpelijk en verweerder heeft deze op een correcte (schriftelijke) manier aan klager gecommuniceerd. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is daarom niet gebleken. Dat betekent dat de klacht kennelijk ongegrond wordt verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 26 mei 2026
