Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

28-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:165

Zaaknummer

260167

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46 c lid 5 Advocatenwet. Het klachtrecht is niet bedoeld om het hof te verzoeken te interveniëren in een lopend klachtonderzoek van een deken, waartoe het hof overigens ook geen wettelijke bevoegdheid heeft. Evenmin is het klachtrecht bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens het klachtonderzoek neemt (zoals het hanteren van termijnen).

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van het Hof van Discipline     van 28 mei 2026  in de zaak 260167     

naar aanleiding van de klacht van:              klager      

    tegen:

    1. mr. F.A. ten Berge      advocaat en deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland 

    2. mr. E.J.M. Rosier     advocaat en deken van de Orde van Advocaten Limburg

    3. mr. B.      stafjurist Orde van Advocaten Midden-Nederland 

 

verweerders

1    HET VERZOEK

De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht met bijlagen van 7 mei 2026 van klager. Hierin dient klager klachten in over verweerders met het verzoek aan het hof om op grond van artikel 46c Advocatenwet zijn klachten in behandeling te nemen, de klachten zelf te behandelen, een andere deken aan te wijzen die zijn klacht over verweerster 1 verder onderzoekt, vast te stellen dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is overschreden, de Orde van Advocaten danwel verweerders in de kosten van deze procedure te veroordelen en passende tuchtrechtelijke maatregelen jegens verweerders op te leggen. 

2    DE BEOORDELING

2.1    De voorzitter verstaat de klacht van klager als een verwijzingsverzoek in de zin van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. Op grond van dit artikel en artikel 12.1 Procesreglement van het hof van discipline dienen klachten over een deken en een stafjurist-advocaat in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde voor onderzoek en verdere afhandeling. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

Ten aanzien van verweerders 1 en 2 

2.2    Verweerders 1 en 2 zijn advocaat en deken. Verzoeker heeft zijn klachten over verweerder sub 1 als volgt onderbouwd: volgens verzoeker heeft verweerster 1 haar wettelijke verplichting om mee te werken aan een deugdelijk dekenonderzoek geschonden door niet tijdig te reageren op de klachtomschrijving van verweerder 2, een laattijdig en ondeugdelijk uitstelverzoek in te dienen en het gelijkheidsbeginsel te schenden. 

2.3    Klager verwijt verweerder 2 dat hij te kort is geschoten in zijn wettelijke plicht (artikel 46c Advocatenwet) om een onderzoek in te stellen naar elke bij hem ingediende klacht door volstrekte passiviteit, het niet naleven van een gerechtelijke beslissing en schending van het gelijkheidsbeginsel. 

2.4    Uit de toelichting op zijn klachten over verweerders 1 en 2 begrijpt de voorzitter dat deze klachten betrekking hebben op de wijze waarop verweerder 2 onderzoek doet naar de klacht die klager over verweerster 1 heeft ingediend. De voorzitter van het hof heeft bij beslissing van 28 mei 2025 verweerder 2 aangewezen om de klacht van klager over verweerster 1 te onderzoeken. 

2.5    Het klachtrecht is niet bedoeld om het hof te verzoeken te interveniëren in een lopend klachtonderzoek van een deken, waartoe het hof overigens ook geen wettelijke bevoegdheid heeft. Evenmin is het klachtrecht bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens het klachtonderzoek neemt (zoals het hanteren van termijnen). Klager kan, na afronding van het klachtonderzoek door verweerder 2 en na betaling van het griffierecht, zijn klacht over verweerster 1 laten toetsen door de raad van discipline. Binnen de kaders van die procedure kan klager al zijn bezwaren over het klachtonderzoek door verweerder 2 en de daarin door verweerder 2 genomen procedurele beslissingen onder de aandacht van de raad van discipline brengen. 

Ten aanzien van verweerster 3 

2.6    Het klachtrecht in de Advocatenwet is uitsluitend van toepassing op advocaten. Verweerster 3 is werkzaam als stafjurist bij de Orde Midden-Nederland maar staat niet ingeschreven als advocaat op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten. Om die reden wordt de klacht van klager over verweerster 3 niet verwezen.  

Slotsom

2.7    Gelet op het voorgaande zal de voorzitter de klachten van klager over verweerders niet verwijzen. Het hof heeft voorts geen wettelijke bevoegdheid om op de overige verzoeken van klager te beslissen. 

3    BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

- wijst het verzoek tot verwijzing af.

Deze beslissing is genomen op 28 mei 2026 door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter.

Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 28 mei 2026.