Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2026:63

Zaaknummer

26-258/DB/ZWB

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht van een derde. Voor zover de klacht strafrechtelijke kwalificaties bevat is de raad niet bevoegd. Voor het overige is de klacht kennelijk ongegrond omdat niet is gebleken dat verweerder feiten heeft gesteld waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, noch dat hij zich onnodig grievend over klager heeft uitgelaten.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 26 mei 2026

in de zaak 26-258/DB/ZWB

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

 

verweerder

 

De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 26 maart 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk K25-054 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8.  

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klager is gemeenteraadslid in de gemeente M.

1.2 Tussen klagers partner, mevrouw P (hierna: “P”), (althans haar eenmanszaak) en de Stichting FS, hierna: “SFS”, is sprake (geweest) van een langlopend geschil. SFS is in dit geschil bijgestaan door verweerder. Het geschil had betrekking op een tussen P en SFS gesloten  huur/exploitatieovereenkomst die door SFS was opgezegd. Het geschil is onderwerp (geweest) van een gerechtelijke procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

1.3 Op 15 februari 2025 heeft P over het geschil met SFS een brief gestuurd naar de gemeenteraad en het College van B&W. In deze brief heeft P gesteld dat binnen de SFS sprake was van wanbestuur.

1.4 Op enig moment is een motie ingediend die op de agenda is geplaatst van de vergadering van de gemeenteraad van 8 mei 2025. De motie had betrekking op het geschil tussen P en SFS. In de motie werd het college verzocht om aan te dringen op een mediationtraject en dit te faciliteren en om bij weigering van een van de bij het geschil betrokken partijen het vertrouwen in die partij op te zeggen. Op de motie kon uiterlijk op 8 mei 2025 om 18.00 uur schriftelijk worden gereageerd.

1.5 Op 8 mei 2025 heeft verweerder kort voor 18.00 uur bij e-mail namens SFS een schriftelijke reactie gegeven op de motie. De strekking van de e-mail was dat het aan de rechter was om een oordeel te geven over de juridische discussie over de exploitatie/huurovereenkomst en niet aan de politiek. In de e-mail was verder onder meer het volgende vermeld:

“Laat ik voorop stellen dat de Stichting het vreemd vindt dat een fractievoorzitter van een bepaalde politieke partij een lobby voert voor zijn levenspartner. In het kader van integriteit/gedragscode is het passend dat een raadslid (NB: het doet er daarbij niet toe of een raadslid fractievoorzitter is of niet) zich onthoudt van activiteiten ten faveure van een zakelijk belang dan wel een privébelang. In deze vindt cliënte het ongepast dat op deze wijze de kwestie voorgelegd wordt aan uw Raad waarbij de Stichting meent dat zakelijke en persoonlijke belangen hierbij een rol spelen. De gedragscode van de raad wordt in de optiek van de Stichting aan de spreekwoordelijke laars gelapt.”

Klagers naam is in de e-mail niet vermeld.

1.6 De gemeente heeft deze reactie op de website geplaatst, waarbij (niet direct, maar na korte tijd) privacy gevoelige informatie, waaronder de naam van klaagsters partner en het bedrag van de huurschuld, is zwart gemaakt.

1.7 Bij e-mail van 22 mei 2025 heeft de gemeenteraad onder meer het volgende aan verweerder medegedeeld:

“De gemeenteraad is geen partij in het onderhavige conflict en zal dus niet inhoudelijk reageren. Wel hecht de gemeenteraad eraan u mee te geven dat hij de suggestieve bejegening van een raadslid in uw brief moreel verwerpelijk vindt”.

1.8 In een in dagblad B gepubliceerd artikel was onder meer vermeld:

“Het bestuur van [SFS] wilde die avond inspreken tijdens de raadsvergadering, maar omdat de vergaderregels dat niet toelieten, schreef het (via advocatenkantoor [X]) een brief aan de gemeenteraad. Volgens wethouder [S] werd in de brief gerept van een schuld die [P] zou hebben en werd ook gewezen op een vermeend integriteitsprobleem: de vermeende niet zuivere rol van [klager], tevens de partner van [P].”

1.9 Op 6 juni 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

 

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

Verweerder heeft in zijn brief van 8 mei 2025 aan de gemeenteraad van de gemeente M onjuistheden vermeld over klager en zich onnodig grievend over klager uitgelaten.  Daarmee heeft verweerder zich schuldig gemaakt aan smaad en laster.

 

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4 BEOORDELING

4.1 Bevoegdheid

Klager verwijt verweerder dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan smaad en laster. De voorzitter overweegt dat klager aldus in de klacht strafrechtelijke kwalificaties heeft gegeven aan het - vermeend - optreden van verweerder. De tuchtrechter heeft echter niet de bevoegdheid om te oordelen over de vraag of al dan niet van strafrechtelijk handelen sprake is. De voorzitter zal de raad dan ook met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk onbevoegd verklaren voor zover de klacht strafrechtelijke kwalificaties bevat.

4.2 Toetsingskader

De raad is wel bevoegd om te oordelen over de klacht voor zover deze geen strafrechtelijke kwalificaties bevat. De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter toetst daarbij of de advocaat heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

4.3 Beoordeling                                                                                                                       

Vast staat dat P zich in haar brief aan de gemeente van 15 februari 2025 op negatieve wijze over (het bestuur van) verweerders cliënte had uitgelaten en als niet weersproken staat vast dat verweerders cliënte was overrompeld door de motie. Het was de taak van verweerder om de belangen van zijn cliënte te behartigen. In dat verband stond het verweerder vrij om op basis van de van zijn cliënte verkregen informatie in een reactie aan de gemeente de standpunten van zijn cliënte naar voren te brengen. Ook stond het verweerder vrij om namens zijn cliënte de schriftelijke reactie in te richten op een wijze die hem, met het oog op de door hem te behartigen belangen, juist voor kwam. Dat klager zich niet in de door verweerder naar voren gebrachte standpunten kan vinden, betekent nog niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Naar het oordeel van de voorzitter is niet gebleken dat verweerder feiten heeft geponeerd waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen. Verweerder heeft in zijn verweer naar voren gebracht dat zijn cliënte aan hem had verteld dat klager had gelobbyd bij meerdere politieke partijen, hetgeen had geleid tot indiening van de motie. Gesteld noch gebleken is dat verweerder reden had om aan de juistheid van die informatie te twijfelen.

4.4 Naar het oordeel van de voorzitter zijn de door verweerder namens zijn cliënte geponeerde stellingen evenmin onnodig grievend. Verweerder heeft genoegzaam gemotiveerd toegelicht dat en waarom het in het belang van zijn cliënte was om in de schriftelijke reactie op de motie het standpunt van zijn cliënte, dat sprake was van handelen in strijd met de interne gedragscode, naar voren te brengen. Bovendien blijkt uit de inhoud van de e-mail dat verweerder de visie van zijn cliënte verwoordt. Dat de kwestie in de openbare vergadering van de gemeenteraad is behandeld, hetgeen aandacht heeft gegenereerd in de pers, kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten. Niet verweerder, maar de gemeente heeft de brief op de website van de gemeente geplaatst. Het was de verantwoordelijkheid van de gemeente, en niet de verantwoordelijkheid van verweerder, om de reactie op de motie bij publicatie op de website op privacygevoelige informatie te screenen en te anonimiseren. Vast staat dat de gemeente de privacygevoelige informatie in de op de website gepubliceerde versie heeft zwart gemaakt. Dat de gemeente dit niet direct bij publicatie op de website heeft gedaan kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten.  Verweerder kan immers niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het handelen of nalaten van de gemeente. Overigens staat vast dat klagers naam in de e-mail niet is vermeld. Verweerder is met de inhoud van zijn e-mail gebleven binnen de grenzen van het toelaatbare. De voorzitter komt tot de slotsom dat voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt geen aanleiding bestaat. Voor zover de raad bevoegd is om over de klacht te oordelen, zal de voorzitter de klacht dan ook kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

-      de raad, voor zover de klacht strafrechtelijke kwalificaties bevat, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk onbevoegd;

-      de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.

 

Griffier                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 26 mei 2026