Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2026:62

Zaaknummer

26-257/DB/ZWB

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Voor zover de klacht betrekking heeft op schending van de AVG is de raad niet bevoegd. Voor het overige is de klacht kennelijk ongegrond omdat niet is gebleken dat verweerder feiten heeft gesteld waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, noch dat hij zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 26 mei 2026

in de zaak 26-257/DB/ZWB

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

over:

 

verweerder

 

De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 26 maart 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk K25-053 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.  

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Tussen klaagster (althans haar eenmanszaak) en de Stichting FS, hierna: “SFS”, is sprake (geweest) van een langlopend geschil. SFS is in dit geschil bijgestaan door verweerder. Het geschil had betrekking op een tussen klaagster en SFS gesloten  huur/exploitatieovereenkomst die door SFS was opgezegd. Het geschil is onderwerp (geweest) van een gerechtelijke procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

1.2 Klaagsters partner, de heer L, is gemeenteraadslid in de gemeente M.

1.3 Op 15 februari 2025 heeft klaagster over het geschil met SFS een brief gestuurd naar de gemeenteraad en het College van B&W. In deze brief heeft klaagster gesteld dat binnen de SFS sprake was van wanbestuur.

1.4 Op enig moment is een motie ingediend die op de agenda is geplaatst van de vergadering van de gemeenteraad van 8 mei 2025. De motie had betrekking op het geschil tussen klaagster en SFS. In de motie werd het college verzocht om aan te dringen op een mediationtraject en dit te faciliteren en om bij weigering van een van de bij het geschil betrokken partijen het vertrouwen in die partij op te zeggen.  Op de motie kon uiterlijk op 8 mei 2025 om 18.00 uur schriftelijk worden gereageerd.

1.5 Op 8 mei 2025 heeft verweerder kort voor 18.00 uur bij e-mail namens SFS een schriftelijke reactie gegeven op de motie. De strekking van de e-mail was dat het aan de rechter was om een oordeel te geven over de juridische discussie over de exploitatie/huurovereenkomst en niet aan de politiek. In de e-mail was onder meer vermeld dat klaagster (althans haar eenmanszaak) een huurachterstand had van € 55.000,00. De gemeente heeft deze reactie op de website geplaatst, waarbij (niet direct, maar na korte tijd) privacy gevoelige informatie, waaronder klaagsters naam en het bedrag van de huurschuld, is zwart gemaakt.

1.6 Klaagster heeft een interview gegeven aan dagblad B. In een vervolgens op 25 mei 2025 in dagblad B gepubliceerd artikel wordt gesproken van een huurachterstand van € 56.000,00.

1.7 Op 5 juni 2025 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

 

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:

Verweerder heeft in zijn brief van 8 mei 2025 in strijd met de AVG privacygevoelige informatie over klaagster verstrekt aan de gemeenteraad van de gemeente M.

 

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4 BEOORDELING

4.1 Bevoegdheid

Voor zover klaagster verweerder schending van de AVG verwijt overweegt de voorzitter dat het niet aan de tuchtrechter is om te beoordelen of sprake is van een schending van de AVG. Dat oordeel is voorbehouden aan de Autoriteit Persoonsgegevens (zie Hof van Discipline 4 september 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:148). De voorzitter zal de raad daarom kennelijk onbevoegd verklaren voor zover de klacht raakt aan de gestelde schending van de AVG.

4.2 Toetsingskader

Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

4.3  Beoordeling                                                                                                                       

Vast staat dat klaagster zich in haar brief aan de gemeente van 15 februari 2025 op negatieve wijze over (het bestuur van) verweerders cliënte had uitgelaten en als niet weersproken staat vast dat verweerders cliënte was overrompeld door de motie. Het was de taak van verweerder om de belangen van zijn cliënte te behartigen. In dat verband stond het verweerder vrij om op basis van de van zijn cliënte verkregen informatie in een reactie aan de gemeente de standpunten van zijn cliënte naar voren te brengen. Ook stond het verweerder vrij om namens zijn cliënte de schriftelijke reactie in te richten op een wijze die hem, met het oog op de door hem te behartigen belangen, juist voor kwam.

4.4 Dat klaagster zich niet in de door verweerder naar voren gebrachte standpunten kan vinden, betekent nog niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Naar het oordeel van de voorzitter is niet gebleken dat verweerder feiten heeft geponeerd waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen. Naar het oordeel van de voorzitter zijn de door verweerder namens zijn cliënte geponeerde stellingen evenmin onnodig grievend. Verweerder heeft genoegzaam gemotiveerd toegelicht dat en waarom het in het belang van zijn cliënte was om in de schriftelijke reactie op de motie melding te maken van de huurachterstand. Van het noemen van klaagsters naam en de (hoogte van) de huurachterstand kan verweerder kortom geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dat de kwestie in de openbare vergadering van de gemeenteraad is behandeld kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten. Niet verweerder, maar de gemeente heeft de brief op de website van de gemeente geplaatst. Het was de verantwoordelijkheid van de gemeente, en niet de verantwoordelijkheid van verweerder, om de reactie op de motie bij publicatie op de website op privacygevoelige informatie te screenen en te anonimiseren. Vast staat dat de gemeente de privacygevoelige informatie in de op de website gepubliceerde versie heeft zwart gemaakt. Dat de gemeente dit niet direct bij publicatie op de website heeft gedaan kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten. Verweerder kan immers niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het handelen of nalaten van de gemeente. Dat verweerder klaagsters belangen onnodig of op een ontoelaatbare manier heeft geschaad is de voorzitter kortom niet gebleken. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid niet overschreden. Voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt bestaat geen aanleiding. Voor zover de raad bevoegd is om over de klacht te oordelen, zal de voorzitter de klacht dan ook kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

-      de raad, voor zover de klacht raakt aan een schending van de AVG, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk onbevoegd;

-      de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.

 

Griffier                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 26 mei 2026