Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:110

Zaaknummer

26-218/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in geschillen over alimentatie en verkoop van de echtelijke woning. Klacht deels niet-ontvankelijk, omdat deze te laat is ingediend. Klachten voor het overige kennelijk ongegrond. Verweerster heeft de standpunten van haar cliënte verwoord binnen de ruime mate van vrijheid die haar toekomt. Het stond verweerster vrij klager rechtstreeks aan te schrijven nadat klager de samenwerking met zijn advocaat had beëindigd.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 mei 2026 in de zaak 26-218/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 16 maart 2026 met kenmerk R 2026/019 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 20. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlage van klager van 26 maart 2026.

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager heeft een geregistreerd partnerschap gehad. Klager en de vrouw hebben twee kinderen. In 2012 is het partnerschap door de rechtbank ontbonden. De vrouw heeft vervolgens met de kinderen in de gezamenlijke woning gewoond.  1.2    Klager en de vrouw hebben geschillen (gehad) over een door klager te betalen bedrag aan kinder- en partneralimentatie en de (verkoop van de) gezamenlijke woning. Verweerster staat de vrouw bij. 1.3    In de periode 2021 tot en met 2023 is er tussen klager en de vrouw geprocedeerd over (nihil stelling van de) door klager te betalen partner- en kinderalimentatie. Bij beslissing van 26 april 2022 heeft de rechtbank de verzoeken van klager afgewezen. 1.4    Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. Op 10 januari 2022 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.  1.5    Op 24 februari 2023 heeft verweerster aan klagers advocaat onder meer geschreven dat klager bij gelegenheid van de zitting al heeft aangegeven meer te kunnen betalen en gevraagd wat klager op dit moment denkt te kunnen voldoen. 1.6    Bij arrest van 23 augustus 2023 heeft het gerechtshof de beslissing van de rechtbank van 26 april 2022 bekrachtigd. 1.7    Bij brief van 22 januari 2024 heeft verweerster gereageerd op een brief van klagers advocaat van 21 december 2023. Verweerster heeft in de brief onder meer geschreven dat haar cliënte de woning graag op haar naam krijgt. Verweerster heeft namens haar cliënte voorgesteld om de achterstand in de bijdragen van de kosten van de kinderen in een totale afrekening mee te nemen. 1.8    Op 25 september 2024 heeft verweerster gereageerd op een brief van klagers advocaat van 7 juni 2024. Verweerster heeft een overzicht achterstallige alimentatie bijgevoegd en een inhoudelijke reactie met bewijsstukken gevraagd als klager van mening is dat het overzicht niet klopt. Verweerster heeft in de e-mail een voorstel gedaan voor overname van de woning door haar cliënte.  1.9    Op 14 maart 2025 heeft verweerster in een e-mail aan klagers advocaat een laatste voorstel gedaan voor de afwikkeling van de gemeenschap c.q. verkoop van de woning. Verweerster heeft daarbij de discussiepunten benoemd, met name de waarde van de woning, achterstallig te verrekenen alimentatie en een studieschuld. Verweerster heeft een overzicht van de openstaande alimentatie bij de e-mail gevoegd, met het verzoek om aan te geven wat er niet klopt.  1.10    Half juni 2025 heeft klager de samenwerking met zijn advocaat beëindigd.  1.11    Op 1 juli 2025 heeft verweerster een e-mail aan klager gestuurd, waarin zij namens haar cliënte heeft voorgesteld de taxatie van de woning te laten verrichten door makelaar N. Verweerster heeft ook geschreven dat haar cliënte nog altijd van mening is dat de achterstand in de alimentatie dient te worden verrekend met de opbrengst van de woning. Als niet alsnog overeenstemming zal worden bereikt, zal verweerster een dagvaarding laten uitbrengen. Verweerster heeft klager verzocht binnen acht dagen re reageren. Verweerster heeft een concept dagvaarding bij  haar e-mail gevoegd. 1.12    Op 4 juli 2025 heeft klager gereageerd en onder meer geschreven dat het hem verbaast dat er na anderhalf jaar vertraging ineens haast wordt gemaakt. Klager heeft in zijn reactie verder laten weten onder welke voorwaarden hij bereid is mee te werken aan de verkoop van de woning.  1.13    Op 26 augustus 2025 heeft verweerster aan klagers nieuwe advocaat, mr. K, onder meer een recent overzicht gestuurd van de door klager verrichte betalingen. Verweerster heeft daarbij geschreven dat de openstaande alimentatie niet als afgewikkeld kan worden beschouwd en dat zij zekerheidshalve namens haar cliënte en de kinderen opnieuw de termijnen met betrekking tot de achterstallige alimentatie per augustus 2020 stuit. 1.14    Op 4 september 2025 heeft klagers nieuwe advocaat aan klager geschreven dat verweerster heeft aangekondigd dat zij conservatoir beslag gaat leggen op de overwaarde als de discussie over de achterstand niet wordt opgelost. 1.15    Op 5 september 2025 heeft verweerster aan klagers nieuwe advocaat geschreven dat haar cliënte een overzicht heeft opgesteld van betalingen van klager. Aan klager wordt verzocht om aan te geven welke betalingen volgens hem ontbreken. Verweerster heeft daarbij geschreven dat haar cliënte alle achterstallige alimentatie wil afwikkelen en dat dit een slepende kwestie is die eenvoudig is op te lossen door afschriften naast elkaar te leggen. Verweerster heeft er op gewezen dat klager uitsluitend bevrijdend kan betalen aan de vrouw zelf voor wat betreft de termijnen die betrekking hebben op de periode waarin de kinderen nog minderjarig waren. 1.16    Op 6 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.  1.17    Op 11 september 2025 heeft verweerster de afschriften van haar cliënte aan klagers advocaat gestuurd, alsmede een overzicht aangevuld met de laatste overboekingen. Verweerster schrijft daarbij: “Indien uw cliënt het niet eens is met de opstelling dan graag afschriften en onderbouwing. Verder verneem ik graag welke makelaar bindend kan taxeren. Indien ik niet binnen 8 dagen na heden een inhoudelijke reactie heb ontvangen heb ik opdracht van cliënte de dagvaarding uit te brengen.” 1.18    Verweerster is naast advocaat ook rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij: a)    onjuiste informatie verstrekt en/of feiten onjuist weergeeft en manipuleert, ook richting klagers eigen advocaat. b)    zich achter haar cliënte verschuilt.  c)    het alimentatiegeschil ten onrechte heeft verbonden aan het geschil over de woning, met vertraging van dit laatste proces tot gevolg.  d)    oneigenlijke druk heeft uitgeoefend door klager te dagvaarden op het moment dat hij geen bijstand van een advocaat had, heeft gedreigd met conservatoir beslag en niet heeft gekozen voor de route van het LBIO. e)    een onrechtmatige stuitingshandeling heeft verricht.  f)    zorgt voor een schijn van belangenverstrengeling en rechtstatelijk risico omdat verweerster ook rechter-plaatsvervanger is en zich, kort gezegd, schuldig heeft gemaakt aan de hiervoor genoemde gedragingen.  2.2    Klager stelt dat sprake is van mogelijke schending van gedragsregels 5, 8, 12, 13, 14, 20, 21, 24 en 26 en artikel 6 EVRM.

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Ontvankelijkheid klacht 4.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.  4.2    De klacht ziet op het handelen en/of nalaten van verweerster in de periode vanaf 2020. Voor zover de klacht ziet op de periode voor 6 september 2022, geldt dat de klacht daarover niet binnen de termijn van drie jaar is ingediend. Voor een uitzondering op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet ziet de voorzitter geen grond. De klacht is dan ook te laat en daarmee niet-ontvankelijk voor zover die ziet op handelen en/of nalaten van verweerster voor 6 september 2022.  Toetsingskader inhoudelijke beoordeling 4.3    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 4.4    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: -    het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, -    het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, -    het verloop van het geschil tot dan toe en -    de kans op succes van de procedure. Klachtonderdelen a) en b) 4.5    Deze klachtonderdelen zien op de stellingname van verweerster in verschillende e-mails, alsook de manier waarop verweerster de stellingen en standpunten van haar cliënte heeft verwoord. De voorzitter kan niet vaststellen dat in de genoemde e-mails onjuiste informatie wordt verstrekt en/of feiten onjuist worden weergegeven c.q. gemanipuleerd. Verweerster heeft de standpunten van haar cliënte verwoord. De voorzitter is niet gebleken dat verweerster daarbij de ruime mate van vrijheid die haar toekomt te buiten is gegaan. Het is duidelijk dat klager een heel andere visie heeft, maar dat maakt de stellingen van verweerster niet onjuist. Verweerster heeft terecht in haar correspondentie met klager en/of zijn advocaat aangegeven dat het om het standpunt van haar cliënte gaat. Dat is geen verschuilen achter de cliënte, zoals klager stelt. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is de voorzitter niet gebleken. Deze klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel c)  4.6    Dit klachtonderdeel ziet op het feit dat verweerster het alimentatiegeschil heeft verbonden aan het geschil over de woning. Verweerster heeft zich namens haar cliënte op het standpunt gesteld dat de door klager te betalen (achterstand in de) alimentatie verrekend diende te worden bij de verkoop van de woning. Verweerster mocht zich als partijdig belangenbehartiger namens haar cliënte op dit standpunt stellen. Van een kunstmatige koppeling, zoals klager stelt, is geen sprake. In beide geschillen is uiteindelijk sprake van een financieel geschil. Het is duidelijk dat klager het alimentatiegeschil en het geschil over de woning gescheiden wenste te houden, maar dat is onvoldoende. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerster hier de ruime mate van vrijheid als partijdig belangenbehartiger te buiten is gegaan. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel d) 4.7    Verweerster heeft klager, nadat klager de samenwerking met zijn advocaat in juni 2025 had beëindigd, rechtstreeks aangeschreven. Dat stond haar vrij. Zij heeft in haar bericht onder meer geschreven dat als geen overeenstemming zal worden bereikt, zij een dagvaarding uit zal brengen. Zij heeft een concept dagvaarding bij haar bericht gevoegd. Ook dat stond haar vrij. Inmiddels was al geruime tijd tussen (de advocaten van) partijen onderhandeld over onder meer de verkoop van de woning. Nu die onderhandelingen (nog) niet tot een regeling hadden geleid, is niet onbegrijpelijk dat een procedure in het vooruitzicht werd gesteld. Of verweerster klager op dat moment daadwerkelijk heeft gedagvaard, kan de voorzitter niet vaststellen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op dit punt is niet gebleken. 4.8    Uit de stukken maakt de raad op dat verweerster kennelijk begin september 2025 aan klagers nieuwe advocaat heeft laten weten dat zij conservatoir beslag zou leggen op de overwaarde van de woning als de discussie over de (alimentatie)achterstand niet werd opgelost. Ook dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, maar is handelen in het belang van de cliënte, omdat de cliënte meent dat zij een vordering heeft op klager.  4.9    Verweerster heeft verder gemotiveerd toegelicht waarom niet is gekozen voor ‘de route van het LBIO’. Die route is geen verplichting en het is dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerster daar niet voor heeft gekozen. 4.10    De voorzitter is niet gebleken van het door verweerster uitoefenen van oneigenlijke druk op klager. Verweerster heeft klagers belangen niet nodeloos geschaad en heeft evenmin escalerend opgetreden. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel e) 4.11    Klager verwijt verweerster nog dat zij een onrechtmatige stuitingshandeling heeft verricht. Klager kan deze verwijten zo nodig bij de civiele rechter aan de orde stellen in een procedure over de alimentatie. Het is niet aan de tuchtrechter om hierover een oordeel te geven, maar aan de civiele rechter. De voorzitter verklaart dit klachtonderdeel daarom kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel f) 4.12    De voorzitter merkt op dat de Advocatenwet geen andere of zwaardere norm kent voor advocaten die ook rechter-plaatsvervanger zijn. De voorzitter is hiervoor al tot het oordeel gekomen dat niet gebleken is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster. Dit klachtonderdeel is dan ook kennelijk ongegrond.  Tot slot 4.13    In de nadere stukken van 26 maart 2026 maakt klager verweerster voor het eerst het verwijt dat zij zich heeft gebaseerd op wisselende en onderling niet-sluitende berekeningen. Dit verwijt is pas na afronding van het onderzoek door de deken door klager naar voren gebracht. Dit staat op gespannen voet met artikel 46c van de Advocatenwet, waarin wordt bepaald dat klachten worden ingediend bij de deken en dat de deken daarnaar onderzoek instelt. De voorzitter laat dit verwijt daarom buiten beschouwing.

BESLISSING De voorzitter verklaart:  -    de klacht, voor zover deze ziet op handelen en/of nalaten voor 6 september 2022, niet-ontvankelijk, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet;  -    de klacht voor het overige kennelijke ongegrond, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet. 

Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 13 mei 2026