Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

18-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:148

Zaaknummer

260047

Inhoudsindicatie

Artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Beklag ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van 18 mei 2026 in de zaak 260047      naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

        klaagster      tegen:     de deken

 

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken 1.1    Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 18 december 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat een tuchtzaak geen zaak is waarin bijstand door een advocaat verplicht is. Bovendien is de tuchtklacht inmiddels afgewikkeld zodat klaagster geen belang meer heeft bij haar verzoek.

Bij het hof 1.3    Klaagster heeft op 27 januari 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4    Verder bevat het dossier: -    het verweer van de deken van 26 februari 2026; -    de repliek van klaagster van 9 maart 2026, en -    de dupliek van de deken van 16 maart 2026.

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 

2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Op 21 november 2023 heeft klaagster een klacht tegen haar toenmalige advocaat mr. De L. ingediend. Op 6 augustus 2024 heeft de deken in de dekenvisie aangegeven dat niet kon worden vastgesteld dat mr. De L. klachtwaardig heeft gehandeld. Op 16 augustus 2024 heeft klaagster verzocht om bijstand van een advocaat in de tuchtprocedure.

2.2    De deken heeft klaagster op 19 augustus 2024 bericht dat klaagster bijstand zou kunnen zoeken via de zoekmachine van de NOVA of via de website van de vereniging Disciplina advocaten.

2.3    Op 20 september 2024 heeft de deken, naar aanleiding van een e-mail van klaagster van 30 augustus 2024 in een andere zaak, aangegeven hoe een verzoek tot aanwijzing van een advocaat moet worden ingediend.

2.4    Klaagster heeft in reactie hierop de deken op 22 september 2024 laten weten dat ten aanzien van de tuchtzaak de noodzaak tot aanwijzing is vervallen.

2.5    Op 16 december 2024 heeft klaagster bij de deken een formeel verzoek tot aanwijzing van een advocaat ingediend die haar kon bijstaan in de tuchtprocedure. 

2.6    De deken heeft op 23 december 2024 aangegeven dat bijstand in een tuchtrechtprocedure niet verplicht is en dat klaagster daarom niet aan de voorwaarden voldoet.

2.7    Op 31 december 2024 heeft klaagster de deken bericht dat zij zo spoedig mogelijk bijstand van een advocaat wil. Op 3 januari 2025 heeft zij daarvoor een onderbouwing gegeven.

2.8    Klaagster heeft de deken op 22 januari 2025 bericht dat er op 14 maart 2025 een zitting bij de raad van discipline plaats zou vinden. Tevens heeft klaagster aangegeven dat zij ook belang bij toewijzing van een advocaat heeft nu zij de buitengerechtelijke kosten in de letselschadezaak wil achterhalen.

2.9    Op 31 januari 2025 heeft de deken herhaald dat er geen verplichte procesvertegenwoordiging bestaat bij de tuchtrechter en dat klaagster een uitdraai van de buitengerechtelijke kosten bij de verzekeraar kan opvragen. Tevens heeft de deken klaagster geadviseerd het verzoek in te trekken en een verzoek in te dienen bij de Gelderse deken, omdat in dat arrondissement de tuchtklacht wordt behandeld.

2.10    Klaagster heeft op 5 februari 2025 aangegeven dat zij belang heeft bij aanwijzing van een advocaat. 

2.11    De raad van discipline heeft op 26 mei 2025 de klacht ongegrond verklaard. Er is geen hoger beroep tegen die beslissing ingesteld. 

2.12    Op 27 mei 2025 heeft klaagster bij de deken gevraagd naar de status van haar verzoek. De deken heeft klaagster er opnieuw op gewezen dat bijstand in een tuchtrechtprocedure niet verplicht is.

2.13    Op 12 december 2025 heeft de deken klaagster opnieuw in overweging gegeven om haar verzoek in te trekken, ook omdat de tuchtklacht reeds afgewikkeld is. Diezelfde dag heeft klaagster aangegeven dat zij een formele afwijzing wenst.

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag 3.1    Klaagster stelt dat de deken haar verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klaagster heeft vanaf augustus 2024 pogingen gedaan om een advocaat toegewezen te krijgen, maar heeft gedurende lange tijd geen duidelijke beslissing op haar verzoeken mogen ontvangen. Daardoor heeft zij uiteindelijk de tuchtrechtprocedure zonder bijstand van een advocaat moeten voeren. Dit terwijl zij medische problemen heeft. Doordat klaagster voorafgaand aan de tuchtrechtprocedure geen bijstand heeft kunnen krijgen en de wederpartij juridisch inhoudelijk verweer heeft gevoerd, is klaagster in een nadelige positie geraakt. Wellicht was klaagster niet tot het voeren van die tuchtrechtelijke procedure overgegaan, als zij wel tijdig advies had kunnen verkrijgen. Omdat haar medische omstandigheden het niet toelieten, heeft klaagster geen hoger beroep kunnen instellen tegen de uitspraak van de tuchtrechter.

Verweer 3.2    Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.

4    BEOORDELING

Toetsingskader 4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Beoordeling 4.2    De mogelijkheid die artikel 13 Advocatenwet biedt om een advocaat aangewezen te krijgen, is beperkt tot zaken waarin de bijstand door een advocaat verplicht is gesteld. Die situatie doet zich hier niet voor, omdat klaagster bij de tuchtrechter in persoon mag procederen. Bovendien heeft klaagster geen belang meer bij haar verzoek nu de tuchtrechter reeds uitspraak heeft gedaan in haar zaak en er tegen die uitspraak geen hoger beroep is ingesteld. 

4.3    Het hof merkt op dat toen klaagster op 16 augustus 2024 voor het eerst had verzocht om bijstand in de tuchtrechtprocedure de deken hierop direct heeft gereageerd (op 19 augustus 2024) door aan te geven hoe klaagster een advocaat zou kunnen vinden. De deken heeft vervolgens op 20 september 2024 (naar aanleiding van een e-mail van klaagster in een andere zaak) aangegeven hoe een verzoek tot bijstand moest worden ingediend, waarna klaagster heeft aangegeven dat dat niet meer nodig was. Kennelijk heeft klaagster zich in december 2024 bedacht en alsnog een formeel verzoek ingediend. Een week later heeft de deken in reactie hierop aangegeven dat klaagster niet aan de voorwaarden voor aanwijzing van een advocaat voldeed. Na enkele berichten van klaagster heeft de deken op 31 januari 2025 opnieuw aangegeven dat er geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt bij de tuchtrechter. In maart 2025 is de zaak van klaagster vervolgens bij de tuchtrechter behandeld, waarna in mei 2025 uitspraak is gedaan. Hoewel de deken pas maanden nadien een formele beslissing heeft genomen op het aanwijzingsverzoek van klaagster in de tuchtrechtprocedure, kan deze niet als een verrassing zijn gekomen voor klaagster. De deken heeft immers diverse malen aangegeven dat klaagster niet voldeed aan de vereisten voor toewijzing van een advocaat. Dat klaagster vanwege haar medische omstandigheden geen beroep heeft kunnen instellen tegen de beslissing van de raad van discipline kan niet aan de deken worden verweten. 

4.4    Het hof is dan ook van oordeel dat de deken het verzoek van klaagster tot aanwijzing van een advocaat op juiste gronden heeft afgewezen en zal het beklag ongegrond verklaren.

 

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 18 december 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 18 mei 2026.