Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

18-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:154

Zaaknummer

250443

Inhoudsindicatie

Dekenbezwaar. De deken verwijt verweerder dat hij verzuimd heeft zorg te dragen voor continuïteit en bereikbaarheid van zijn praktijk gedurende zijn vakantie en dat verweerder ook voor de deken niet goed bereikbaar was en geen gevolg heeft gegeven aan herhaalde informatieverzoeken en gemaakte afspraken. Ook de financiële continuïteit van de praktijk van verweerder is volgens de deken niet gewaarborgd en tot slot gebruikt verweerder in zijn e-mailadres en de URL van de website van zijn kantoor het woord “advocaten”, terwijl verweerder een solopraktijk heeft. De raad heeft het bezwaar gegrond verklaard en aan verweerder een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 12 weken opgelegd. Het hof bekrachtigt het oordeel van de raad voor zover het bezwaar gegrond is verklaard. Het hof ziet echter, mede naar aanleiding van ontwikkelingen na de uitspraak van de raad, aanleiding de maatregel aan te passen tot een schorsing van 8 weken onvoorwaardelijk. 

Uitspraak

Beslissing van 18 mei 2026 in de zaak 250443

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

de deken

 

1    INLEIDING

1.1    De deken heeft een bezwaar ingediend tegen verweerder. De deken verwijt verweerder dat hij verzuimd heeft zorg te dragen voor continuïteit en bereikbaarheid van zijn praktijk gedurende zijn vakantie. Verder houdt het bezwaar in dat verweerder ook voor de deken niet goed bereikbaar was en geen gevolg heeft gegeven aan herhaalde informatieverzoeken en gemaakte afspraken. Ook de financiële continuïteit van de praktijk van verweerder is volgens de deken niet gewaarborgd en tot slot gebruikt verweerder in zijn e-mailadres en de URL van de website van zijn kantoor het woord “advocaten”, terwijl verweerder een solopraktijk heeft. De raad heeft het bezwaar gegrond verklaard en aan verweerder een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 12 weken opgelegd. Het hof bekrachtigt het oordeel van de raad voor zover het bezwaar gegrond is verklaard. Het hof ziet echter, mede naar aanleiding van ontwikkelingen na de uitspraak van de raad, aanleiding de maatregel aan te passen tot een schorsing van 8 weken onvoorwaardelijk. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen de deken en verweerder (zaaknummer: 25-616/DB/LI/D) een beslissing gewezen op 17 november 2025. In deze beslissing is het dekenbezwaar gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van schorsing voor de duur van twaalf weken opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:157 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 11 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van de deken, -    de brief van verweerder van 16 maart 2026, met bijlage.     2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 23 maart 2026. Daar zijn verweerder en de deken, bijgestaan door een stafmedewerker, verschenen. 

3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Verweerder heeft een eenmanskantoor. In het e-mailadres en de URL van de website die verweerders kantoor hanteert, is de term “advocaten” vermeld. 

3.3    Op 1 juli 2022 heeft de deken een bezwaar ingediend tegen verweerder omdat hij gedurende meerdere jaren als enig bestuurder van de stichting derdengelden alleen/zelfstandig bevoegd was geweest en omdat hij had gebankierd met de bankrekening van de stichting derdengelden. Bij beslissing van 19 december 2022 (ECLI:NL:TADRSHE:2022:172) heeft de raad het dekenbezwaar gegrond verklaard aan verweerder een schorsing van 16 weken, waarvan 12 weken voorwaardelijk, opgelegd. De raad heeft ter zake de opgelegde maatregel onder meer overwogen: 

“ Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij het advies van de deken, om de financiële administratie van zijn kantoor uit te besteden aan een accountant, ter harte neemt.”

3.4    In februari 2025 heeft de Belastingdienst ten laste van verweerder beslag gelegd vanwege een openstaande belastingschuld van verweerder.

3.5    Op 19 februari 2025 heeft de deken een signaal ontvangen van mevrouw L, een cliënte van verweerder. Mevrouw L heeft bij de deken aangegeven dat het haar niet lukte om contact te krijgen met verweerder. Mevrouw L heeft afschriften van de per Whatsapp aan verweerder verzonden berichten aan de deken gestuurd, waaruit blijkt dat zij op 10 januari en 6 februari 2025 contact heeft gezocht met verweerder en dat de berichten door verweerder zijn gelezen, maar niet beantwoord. De deken heeft daarop -eveneens tevergeefs- telefonisch contact gezocht met verweerder op het in BAR vermelde telefoonnummer, dat echter niet meer in gebruik was. De deken heeft vervolgens contact opgenomen met verweerders waarnemer, mr. B, die hem een ander telefoonnummer heeft gegeven. De deken heeft verweerder op dat telefoonnummer wel kunnen bereiken. Verweerder heeft bij de deken aangegeven dat mevrouw L hem niet had kunnen bereiken omdat hij met vakantie was.

3.6    Uit de kengetallen 2022-2023 blijkt dat in het jaar 2022 sprake was van een omzet van € 113.717,00 en een nettowinst van € 65.919,00 en dat in het jaar 2023 sprake was van een omzet van € 57.290,00 en een nettowinst van € 31.448,00.

3.7    Op 5 april 2025 heeft de deken een signaal ontvangen van mr. S, advocaat. Dit signaal hield in dat de Belastingdienst voornemens was om op 10 april 2025 de inboedel van verweerder te veilen. De Belastingdienst heeft ter zake een belastingschuld van verweerder beslag gelegd op verweerders inboedel.

3.8    Op 7 april 2025 heeft de deken telefonisch contact opgenomen met verweerder. De deken heeft verweerder verzocht om hem diezelfde week schriftelijk te informeren over de stand van zaken en een oplossing. 

3.9    Vlak voor de aangekondigde veiling heeft de Belastingdienst het beslag opgeheven, na een door verweerders familie verstrekte lening. De veiling heeft daarom geen doorgang gevonden. Verweerder heeft de uit hoofde van de lening bestaande schuld niet op de balans opgenomen. 

3.10     Bij brief van 15 april 2025 heeft verweerder de deken geïnformeerd dat de belastingschuld € 90.000,00 bedroeg en dat sprake was van een openstaande vordering op een cliënt van € 125.000,00. 

3.11     Bij e-mail van 16 april 2025 heeft de deken op de brief van verweerder gereageerd met de mededeling dat hij was geschrokken van de inhoud van verweerders brief omdat de (financiële) continuïteit van de praktijk van verweerder allesbehalve was gewaarborgd. Verder schreef de deken dat hij voornemens is de zaak voor te leggen aan de raad met het verzoek verweerder te schrappen van het tableau. De deken heeft verweerder uitgenodigd voor een gesprek op 17 april 2025.

3.12     Op 17 april 2025 heeft een gesprek tussen de deken en verweerder plaatsgevonden. Bij e-mail van dezelfde dag heeft de deken de met verweerder gemaakte afspraken als volgt bevestigd: 

“Zoals zojuist besproken op mijn kantoor ontvang ik graag de navolgende stukken van u: -     Een inzicht in het overleg met de Belastingdienst aan de hand van de gevoerde correspondentie tot en met de aanzegging van de veiling en de afgelasting daarvan; het verloop van de schuld tot aan de totstandkoming van de veiling; -    Een beschrijving van het ontstaan van de vordering van € 125.000,00 aan de hand van correspondentie en eventueel gesloten overeenkomsten; hoe deze is opgebouwd, wanneer deze is ontstaan en waar deze specifiek betrekking op heeft. Een tijdslijn graag; -   De jaarrekening van 2024; -   Een actueel zakenoverzicht.  Graag ontvang ik deze stukken binnen een week na heden van u.”

3.13     Bij brief van 24 april 2025 heeft verweerder de deken nader geïnformeerd over de openstaande vordering op de cliënt. Verweerder heeft verder toegelicht dat de belastingschuld ontstaan was door het gebruik maken van de uitstelregeling tijdens de coronapandemie en ontvangen naheffingsaanslagen. 

3.14     De deken heeft hierop bij brief van 2 mei 2025 gereageerd dat zijn zorgen over de continuïteit van verweerders praktijk alleen maar waren toegenomen. Verder heeft de deken verweerder als volgt bericht:

“Op grond van het vorengaande verzoek ik u de volgende informatie aan mij te verstrekken: 1.    Schijnbaar zijn er afspraken met de Belastingdienst gemaakt over de invordering van de schuld. Die wil ik graag zwart op wit ontvangen. Wanneer gaat de Belastingdienst over tot invordering/aanvraag van een faillissement? 2.    Ik wil graag een actueel overzicht van uw crediteuren ontvangen. 3.    Ik wil graag een actueel overzicht van uw lopende zaken ontvangen. Daar heb ik eerder om gevraagd (zie mijn mail van 17 april jl.) maar nog niet ontvangen. 4.    Tot slot ontvang ik graag de volgende documenten die door een externe accountant zijn opgesteld: a.    Een liquiditeitsprognose voor dit lopende kalenderjaar, en b.    Een continuïteitsverklaring. Ik ontvang deze informatie graag uiterlijk op maandag 26 mei a.s. vóór 12.00 uur.”

3.15     Verweerder heeft niet op de verzoeken van de deken van 2 mei 2025 gereageerd. Bij e-mail van 26 mei 2025 heeft de deken verweerder verzocht om alsnog uiterlijk op 2 juni 2025 te reageren, bij gebreke waarvan een dekenbezwaar zou worden ingediend. Verweerder heeft hierop bij e-mail van 26 mei 2025 gereageerd, waarop de deken aan verweerder heeft bericht dat die reactie van verweerder niet toereikend was. 

3.16     Bij e-mail van 4 juni 2025 heeft de deken een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan verweerder gestuurd.

3.17     Bij brief van 14 juni 2025 heeft verweerder de deken bericht dat hij voornemens was om de cliënt op wie hij een vordering had te dagvaarden en ten laste van deze cliënt conservatoire maatregelen te treffen. Verweerder heeft de deken informatie verstrekt over het crediteurenverloop in 2025. Verweerder heeft verder aan de deken medegedeeld:

“U vraagt verklaringen/opinie van een accountant ter zake een liquiditeitsbegroting en een continuïteitsverklaring. Ik maak geen gebruik van een accountant en heb daarmee niet de beschikking over deze gegevens c.q. standpunten.”

3.18     Bij e-mail van 18 juni 2025 heeft de deken verweerder positief geadviseerd over het leggen van beslag. 

3.19     Op 1 juli 2025 heeft de deken een kantoorbezoek gebracht aan verweerder. Verweerder heeft de deken toen verteld dat hij om hem moverende redenen niet was overgegaan tot het leggen van beslag. De deken en verweerder hebben afgesproken dat verweerder de Belastingdienst binnen twee weken zou informeren over de mogelijkheid tot het voldoen van de belastingschuld. Daarnaast hebben de deken en verweerder afgesproken dat verweerder de Belastingdienst periodiek (eens per maand) een update geeft van de stand van zaken en dat hij een afschrift van de correspondentie tussen hem en de Belastingdienst aan de deken stuurt. De deken heeft de gemaakte afspraken vastgelegd in een brief aan verweerder van 3 juli 2025.

3.20     Omdat een reactie van verweerder is uitgebleven, heeft de deken bij e-mail van 21 juli 2025 een herinnering aan verweerder gestuurd. 

3.21     Bij brief van 23 juli 2025 heeft verweerder de Belastingdienst bericht dat hij een akkoord had bereikt met de schuldenaar, dat de schuldenaar op korte termijn een bedrag van € 20.000,00 zou voldoen, dat verweerder dit bedrag direct zou doorbetalen aan de Belastingdienst en dat de schuldenaar het restant zou betalen in september 2025. Verweerder heeft een afschrift van deze brief aan de deken gestuurd. 

3.22     Omdat verdere berichtgeving van verweerder is uitgebleven, heeft de deken bij e-mails van 7 augustus, 19 augustus en 2 september 2025 herinneringen aan verweerder gestuurd. Ook heeft de deken vijfmaal tevergeefs geprobeerd om telefonisch contact te krijgen met verweerder: op 7 augustus, 14 augustus, 19 augustus en tweemaal op 26 augustus 2025. Bij de tweede belpoging op 26 augustus 2025 heeft de deken de voicemail ingesproken met de mededeling dat hij zal overgaan tot rauwelijkse indiening van een dekenbezwaar bij het uitblijven van een reactie voor 27 augustus 2025. In de e-mail van 2 september 2025 heeft de deken verweerder een dekenbezwaar in het vooruitzicht gesteld.

3.23     Op 11 september 2025 heeft de deken een dekenbezwaar tegen verweerder ingediend. 

3.24     Op 24 september 2025 heeft verweerder aan de deken medegedeeld dat hij reeds € 48.000,00 aan de Belastingdienst had voldaan en dat hij, na ontvangst van betaling van de cliënt, naar verwachting een bedrag van € 40.000,00 zou kunnen betalen in oktober 2025. 

3.25     In een e-mail van verweerder van 12 maart 2026 aan de Belastingdienst, in cc aan de deken verstuurd, heeft verweerder geschreven dat hij alle openstaande belastingaanslagen heeft betaald. 

4    BEZWAAR

4.1    Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerder het volgende:

1.    Verweerder heeft verzuimd om zorg te dragen voor continuïteit en bereikbaarheid van zijn praktijk gedurende zijn afwezigheid wegens vakantie;

2.    De (financiële) continuïteit van verweerders praktijk is niet gewaarborgd;

3.    Verweerder heeft geen gevolg gegeven aan herhaalde informatieverzoeken van de deken en met de deken gemaakte afspraken;

4.    Verweerder heeft zich telefonisch onbereikbaar gehouden voor de deken op 7, 14, 19 en (tweemaal op) 26 augustus 2025;

5.    In het e-mailadres en de URL van de website die verweerders kantoor gebruikt is het woord “advocaten” vermeld terwijl verweerder een solopraktijk heeft. 

5    BEOORDELING RAAD

5.1    De raad heeft het dekenbezwaar in alle onderdelen gegrond verklaard. De raad heeft daartoe, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Onderdeel 1

5.2    Vaststaat dat verweerder de berichten van zijn cliënte L van 10 januari en 6 februari 2025 onbeantwoord heeft gelaten en gedurende zijn vakantie niet bereikbaar was en dat de deken daarop - eveneens tevergeefs - telefonisch contact gezocht met verweerder op het in het BAR vermelde telefoonnummer, dat echter niet meer in gebruik was. Vervolgens heeft de deken van de waarnemer van verweerder een ander telefoonnummer gekregen, waarop verweerder wel bereikbaar was. Het langdurig niet beantwoorden van berichten van een cliënt en het verzuim om zorg te dragen voor een goede bereikbaarheid betamen een behoorlijk handelend advocaat niet. De raad heeft onderdeel 1 van het dekenbezwaar daarom gegrond verklaard. 

Onderdelen 2, 3 en 4

5.3    De raad heeft bij de beoordeling van deze onderdelen van het bezwaar vooropgesteld dat advocaten gehouden zijn tot nauwgezetheid en zorgvuldigheid in financiële aangelegenheden en ook financieel integer moeten handelen. Een advocaat is op grond van gedragsregel 29 in samenhang met artikel 5:20 Awb verplicht om medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is bij de uitoefening van de bevoegdheden van de deken en daartoe de benodigde informatie te verschaffen (HvD 21 augustus 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:145). 

5.4    De raad heeft overwogen dat verweerder bij herhaling niet (tijdig) heeft voldaan aan verzoeken van de deken tot het verstrekken van informatie. Verweerder is de op 3 juli 2025 gemaakte afspraken over het verstrekken van informatie niet nagekomen. Verweerder heeft, eerst na een van de deken ontvangen rappel, op 23 juli 2025 een brief aan de Belastingdienst en de deken gestuurd, maar heeft vervolgens in weerwil van de gemaakte afspraken en ondanks diverse rapellen en contactpogingen van de deken, helemaal niets meer van zich laten horen. Verweerder heeft niet gereageerd op de e-mails van de deken van 7 augustus, 19 augustus en 2 september 2025 en heeft zich telefonisch onbereikbaar gehouden voor de deken op 7, 14, 19 en (tweemaal op) 26 augustus 2025. Pas nadat de deken op 11 september 2025 een dekenbezwaar had ingediend heeft verweerder (enige) informatie aan de deken verschaft. 

5.5    De raad heeft geoordeeld dat verweerder met dit handelen de deken structureel en op ernstige wijze in zijn toezichthoudende taak heeft gefrustreerd. Verweerders handelen geeft volgens de raad blijk van een onjuiste opvatting over de toezichthoudende rol van de deken, diens bevoegdheden om toezicht uit te oefenen en van de verplichting van verweerder om daar medewerking aan te verlenen. 

5.6    De raad heeft verder de grote zorgen van de deken over de financiële continuïteit van verweerders kantoor gedeeld. Verweerder heeft niet voldaan aan de verzoeken van de deken om een door een accountant opgestelde liquiditeitsprognose en continuïteitsverklaring te verstrekken. Hoewel verweerder bij gelegenheid van de behandeling van het eerdere dekenbezwaar op 7 november 2022 uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij het advies van de deken om de financiële administratie van zijn kantoor uit te besteden aan een accountant, ter harte nam, heeft verweerder dat advies kennelijk in de wind geslagen, nu hij in zijn brief van de deken van 14 juni 2025 nog heeft verklaard nog altijd geen accountant te hebben ingeschakeld. De door de deken gevraagde stukken heeft verweerder niet kunnen aanleveren. Het voorgaande kan naar het oordeel van de raad tot geen andere conclusie leiden dan dat verweerder zijn financiële administratie nog altijd niet op orde heeft. 

5.7    Verweerder heeft enerzijds een aanzienlijke vordering op een cliënt die in moeilijkheden verkeert. Anderzijds heeft hij een forse schuld aan de Belastingdienst. Verweerder heeft gesteld dat de cliënt reeds € 30.000,00 heeft voldaan en dat hij verwacht in oktober 2025 een bedrag van € 105.000,00 te ontvangen, waarmee hij de openstaande belastingschuld kan aflossen. Concrete aanknopingspunten voor de juistheid van deze stellingen heeft de raad niet. De raad heeft daarom niet kunnen vaststellen dat het risico op discontinuïteit van verweerders praktijk is afgewend. 

5.8    De raad heeft geconcludeerd dat verweerder niet in staat blijkt om aan de op hem rustende (administratieve) verplichtingen te voldoen, omdat hij zich onttrekt aan het toezicht van de deken en onduidelijkheid en zorgen laat bestaan over de financiële toestand van zijn praktijk. De raad heeft de onderdelen 2, 3 en 4 daarom gegrond verklaard. 

Onderdeel 5

5.9    Naar het oordeel van de raad heeft verweerder in strijd met de inhoud en strekking van het bepaalde in artikel 7.4 lid 1 Voda gehandeld door met zijn eenmanskantoor gebruik te maken van een e-mailadres en URL van de website met daarin de term “advocaten”. Die term wekt namelijk de - onjuiste - suggestie dat aan verweerders kantoor meerdere advocaten zijn verbonden. Deze met artikel 7.4 lid 1 Voda strijdige praktijk levert tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen zijdens verweerder op. Dat de deken hier niet eerder een punt van heeft gemaakt terwijl deze praktijk al lang bestaat en dat verweerder nimmer de intentie heeft gehad om de suggestie in het leven te roepen dat hij geen eenpitter is, maakt dit niet anders. Verweerder dient het e-mailadres en de website binnen twee weken na verzending van de beslissing van de raad in overeenstemming te brengen met het bepaalde in artikel 7.4 lid 1 Voda. Ook onderdeel 5 is door de raad gegrond verklaard. 

De maatregel

5.10     De raad heeft geoordeeld dat verweerder zijn praktijkvoering niet op orde heeft. Verweerders bereikbaarheid en communicatie met in ieder geval één cliënt is onvoldoende gebleken. Verder is gebleken dat verweerder zijn (financiële) administratie niet op orde heeft en bestaan er grote zorgen over de financiële toestand van zijn praktijk.

5.11     De (financiële) integriteit van een advocaat is naar het oordeel van de raad een belangrijke, zo niet belangrijkste, kernwaarde van de advocatuur. Van een advocaat mag verwacht worden dat hij die waarde beschermt, zich van die waarde voortdurend bewust is en dat hij zijn handelswijze afstemt op het voorkomen van twijfel daarover en dus op het voorkomen van twijfel aan de eerlijkheid en oprechtheid van zijn handelen. Het handelen van verweerder levert naar het oordeel van de raad een forse schending van deze kernwaarde op. 

5.12     Verder heeft verweerder de deken ernstig belemmerd in de uitvoering van zijn taak als toezichthouder. Het enkele feit dat verweerder nog altijd niet onverkort zijn medewerking heeft verleend, is naar het oordeel van de raad als zodanig al een reden voor een zware tuchtrechtelijke maatregel. 

5.13    Daar komt bij dat eerder, bij beslissing van 19 december 2022 (ECLI:NL:TADRSHE:2022:172) een tegen verweerder gericht dekenbezwaar gegrond is verklaard waarbij aan verweerder een schorsing van 16 weken, waarvan 12 voorwaardelijk, is opgelegd. Ook in die zaak was schending van de (financiële) integriteit aan de orde. 

5.14     Op grond van de aard en ernst van de gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten en het tuchtrechtelijk verleden van verweerder is de raad van oordeel dat een schorsing voor de duur van 12 weken de enige passende maatregel voor verweerder is. 

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

Onderdeel 1

6.1    Verweerder voert aan dat hij wel degelijk bereikbaar was tijdens zijn vakantie. Volgens verweerder was zijn telefoonnummer bekend bij de deken. Bovendien heeft verweerder de deken een dag later teruggebeld. Het klopt dat verweerder in de BAR registratie van zijn kantoor ook het oude nummer had staan. Dit heeft verweerder aangepast. Volgens verweerder kan aan het binnen één dag terugbellen niet de conclusie worden verbonden dat hij tijdens zijn vakantie onvoldoende zorg heeft gedragen voor een goede bereikbaarheid. 

6.2    Verweerder voert verder aan dat zijn cliënte L geen officiële klacht heeft ingediend voor het niet reageren op de app berichten van 10 januari en 6 februari 2025. Voor de voortzetting van een klacht door een deken op gronden aan het algemeen belang ontleend, gelden criteria. De raad heeft hier volgens verweerder ten onrechte niet aan getoetst. De raad en de deken hebben de fout van verweerder geplaatst in het kader van de kernwaarde deskundigheid. Het uitgangspunt hierbij is dat in geval een cliënt een klacht in dit kader niet doorzet er geen algemeen belang aan de orde is dat doorzetting van de klacht door de deken rechtvaardigt. Dit uitgangspunt geldt volgens verweerder ook voor klachten die door een cliënt niet eens worden doorgezet naar de raad. 

6.3    De deken heeft de stelling ingenomen dat het tuchtrechtelijk verleden van verweerder op het punt van belgeschiedenis relevant zou zijn, maar verweerder heeft klachten van cliënten op dit punt altijd in der minne opgelost. 

6.4    Verweerder is van mening dat zijn handelen weliswaar verwijtbaar is, maar gelet op alle feiten en omstandigheden niet dusdanig dat daarmee de maatstaf van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen wordt gehaald. 

Onderdeel 5

6.5    Verweerder voert aan dat hij zijn domeinnaam en e-mailadres inmiddels heeft aangepast. Verweerder stelt dat de inhoud en strekking van de Voda is dat een advocaat geen twijfel mag laten ontstaan over de hoedanigheid waarin hij de praktijk uitoefent. De huidige website van verweerder is identiek aan de eerdere website. Op grond van die website is het voor een ieder duidelijk dat verweerder er een solopraktijk op nahoudt. Bij het normaal oplettend publiek kan dan ook geen twijfel bestaan en heeft ook nooit twijfel bestaan over het feit dat verweerder een solopraktijk voert. De domeinnaam heeft niet te gelden als een handelsnaam. Er bestaat geen tekstuele koppeling tussen de handelsnaam van verweerder en de domeinnaam. Verwarring is volgens verweerder dus nooit aan de orde geweest. Daarbij heeft de deken volgens verweerder zelf het standpunt ingenomen dat de website van verweerder aan de Voda voldeed. Daaruit mocht verweerder afleiden dat er zelfs bij de deken geen twijfel over bestond dat verweerder zich conform Voda presenteerde naar de buitenwereld als eenmanspraktijk. 

Schending gedragsregel 29 jo. 5:20 Awb (onderdeel 3)

6.6    Verweerder stelt dat hij de deken - behoudends ten aanzien van de liquiditeitsprognose en een continuïteitsverklaring - voortdurend heeft voorzien van alle door hem gevraagde informatie. Verweerder erkent dat hij tweemaal niet binnen een door de deken gestelde termijn heeft gereageerd en een e-mail van de deken heeft gemist. Van een op ernstige wijze frustreren van dekenaal toezicht is daarmee echter geen sprake. De deken heeft volgens verweerder in alle gevallen tijdig de door verweerder aangeleverde feiten en (financiële) data kunnen beoordelen. 

6.7    Verweerder heeft, in strijd met de afspraak met de deken, de brief aan de Belastingdienst pas verzonden op 23 juli 2025. Verweerder stelt dat hij een voortdurende dreiging vanuit de deken heeft ervaren, terwijl hij zich probeerde te richten op het oplossen van de vorderingen. Door de dreiging vanuit de deken heeft verweerder het mes op de keel van zijn cliënte moeten zetten, terwijl er op zichzelf rust was op het front van de Belastingdienst doordat verweerder al substantieel betaalde, de schuldenlast afnam en de onderhandelingen met zijn cliënte gestaag liepen. 

6.8    Vanaf de periode augustus 2025 stelt verweerder dat hij inderdaad niet heeft gereageerd op de e-mails van 7 en 19 augustus en pas op 11 september 2025 gereageerd heeft. Verweerder erkent dat dit onjuist is geweest. Verweerder beschouwde iedere e-mail van de deken destijds als een opmaat naar een dekenbezwaar met schrapping als inzet. Verweerder heeft vanaf 11 september 2025 tot heden de deken wederom gevraagd en ongevraagd op de hoogte gehouden van de stand van zaken en heeft de deken op 23 september 2025 een overzicht gezonden van alle betalingen die hij aan de Belastingdienst heeft gedaan. Verweerder heeft de deken vervolgens steeds op de hoogte gehouden van de betalingen die hij aan de Belastingdienst verricht heeft. 

6.9    Verweerder concludeert dat hij op momenten trager heeft gereageerd dan de deken wilde maar dat hij daarmee niet het toezicht door de deken ernstig heeft belemmerd of heeft willen belemmeren. Verweerder acht het aanleveren van informatie van een andere orde dan een advocaat opdragen een accountant in de arm te nemen om een kostbare liquiditeitsprognose en continuïteitsverklaring te laten opstellen. Dat is volgens verweerder alleen bedoeld voor rechtspersonen met jaarrekeningplicht. Een accountant zou volgens verweerder direct tot de conclusie zijn gekomen dat de activa van verweerder tegen liquiditeitswaarde zouden moeten worden gewaardeerd gelet op de opeisbare vordering van de fiscus en de lang lopende debiteurenvordering anderzijds. De deken heeft een omzet en liquiditeitsprognose gekregen die op alle punten was gefundeerd op aangeleverde en actuele en historische cijfers. 

De (financiële) administratie 

6.10     Verweerder stelt dat de raad ten onrechte heeft geconcludeerd dat verweerder zijn (financiële) administratie niet op orde heeft. De deken heeft dit verwijt niet aan het bezwaar ten grondslag gelegd en daarmee heeft de raad ten onrechte het bezwaar zelf uitgebreid.  

6.11     De deken heeft volgens verweerder op ieder moment de gevraagde financiële data gekregen met een gefundeerde omzet- en liquiditeitsprognose. Daarbij heeft verweerder een boekenonderzoek ondergaan waarbij geen onvolkomenheden zijn geconstateerd. Verweerder heeft een actuele status van zijn boekhouding en voldoet aan de norm zoals weergegeven in artikel 6.5 Voda. Dat de deken de cijfers en overige data dramatisch vond, is een andere bevinding dan de conclusie dat verweerder zijn cijfers niet op orde heeft. Verweerder heeft op ieder moment zicht op zijn omzet, vorderingen en schulden en voldoet daarmee aan de norm ex artikel 6.5 van de Voda.

6.12     Verweerder heeft geen lening afgesloten maar heeft inventaris verkocht. Dat leidt tot balansmutaties en een incidentele post op de winst en verlies, maar niet tot een geschonden verplichting om een lening op de balans te zetten. De raad heeft dan ook een zelf geconstrueerd feit aan de maatregel ten grondslag gelegd. 

Aantasting integriteit door financiële problemen

6.13     De raad heeft volgens verweerder overwogen dat verweerder met de financiële problemen de kernwaarde integriteit heeft aangetast. Verweerder voert aan dat een advocaat-ondernemer net als iedere andere ondernemer in financieel zwaar weer terecht kan komen. Dat leidt niet zonder meer tot schending van de kernwaarde integriteit. Een advocaat-ondernemer met schulden is net als ieder ander burger a priori als eerlijk en oprecht te beschouwen. Door het enkele criterium twijfel aan eerlijkheid en oprechtheid te hanteren zonder koppeling aan een feitelijk vastgesteld verwijtbaar handelen of nalaten van een advocaat, verdwijnt een toetsing aan deze kernwaarde volgens verweerder in een moeras van willekeur. 

6.14     Volgens verweerder gaat het om de vraag of een advocaat in het licht van een slechte financiële situatie door handelen of nalaten op enig moment tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Volgens verweerder memoreert de raad een norm, zonder die in te vullen. De kernwaarde integriteit houdt niet in dat een advocaat los van welke oorzaak ook geen financiële problemen mag hebben. 

6.15     Verweerder heeft vanaf 2000 forse financiële tegenslagen gehad, met een opgelopen belastingschuld als gevolg. Als gevolg daarvan zat verweerder in april 2025 met een executoriale verkoop. Verweerder had er in 2024 voor gekozen een cliënt uitstel van betaling te verlenen. De aannames over betalingen door deze cliënt bleken uiteindelijk onjuist. Verweerder is vanaf 2025 ruimschoots schoon schip aan het maken en heeft altijd zicht op betaling gehad. Hij heeft inmiddels € 60.000,00 afgelost en het restant van de schuld wordt begin 2026 afgelost. Andere crediteuren zijn er niet zodat er geen faillissementsdreiging aan de orde is. 

6.16     Gedurende de financieel zware periode is gesteld noch gebleken dat verweerder zijn praktijk voor het overige niet op orde had. 

De maatregel

6.17     Door verweerder te straffen met een schorsing van twaalf weken belandt hij van de regen in de drup. Deze maatregel veroorzaakt immers financiële problemen. Verweerder erkent dat hij een cliënte niet deugdelijk heeft bediend, maar daarmee is een overtreding van de kernwaarde kwaliteit nog niet gebleken. Verweerder had de kwestie bovendien al acht maanden voor de dekenklacht naar tevredenheid van de cliënte afgewikkeld. Verder heeft verweerder op momenten traag gereageerd richting de deken, maar hij heeft altijd de gevraagde informatie geleverd en op geen enkel moment na april 2025 heeft de vertraging tot enig nadeel geleid voor het dekentoezicht. Verweerder accepteert dat daarvoor een maatregel wordt opgelegd, maar wil duidelijk maken dat hij zich gefrustreerd heeft gevoeld door de voortdurende gestelde ambitie van de deken om verweerder te laten schrappen. 

Verweer deken

6.18    De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Overwegingen hof

7.2    Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van het dekenbezwaar te komen dan de raad heeft gedaan. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over, behoudens het hierna volgende.

7.3   Hoewel verweerder heeft gesteld dat hij zijn e-mailadres en domeinnaam heeft aangepast heeft hij zijn beroepschrift verstuurd vanaf een e-mailadres met daarin nog de term “advocaten”.  Volgens verweerder komt dat omdat outlook bij het verzenden van e-mails nog zijn oude toegangsadres gebruikt. Wat daarvan zij het ligt op de weg van verweerder om zorgvuldig te controleren dat de term ‘advocaten” niet meer wordt gebruikt. Dat gaat kennelijk nog steeds niet goed. 

7.4.  Anders dan de raad heeft overwogen, heeft het hof  niet kunnen vaststellen dat verweerder zijn financiële administratie niet op orde heeft. Verweerder heeft aangevoerd dat bij hem een boekenonderzoek is gedaan en dat daarbij geen administratieve onvolkomenheden zijn geconstateerd. De deken heeft dat onvoldoende weersproken. Ook kan uit het enkele feit dat er geen door een accountant opgestelde liquiditeitsprognose is verstrekt niet worden afgeleid dat de administratie niet op orde is. Verweerder heeft aangevoerd dat hij wel financiële data heeft verstrekt, maar kennelijk niet tot tevredenheid van de deken. Verweerder heeft in hoger beroep verder aangevoerd dat hij inmiddels zijn schuld aan de belastingdienst heeft voldaan. Bij die stand van zaken kan het hof op dit moment dan ook niet vaststellen of er nog sprake is van een risico op discontinuïteit van de praktijk van verweerder ofschoon verweerder voor het hof dat risico niet geheel heeft kunnen wegnemen, gelet op toekomstige fiscale verplichtingen. Het hof concludeert dat verweerder in ieder geval op dit moment aan zijn financiële verplichtingen heeft voldaan. 

8    MAATREGEL

8.1    Verweerder heeft ter zitting van het hof verklaard dat zijn hoger beroep met name gericht is tegen de door de raad opgelegde maatregel van onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 12 weken. Verweerder meent dat, gelet dat gelet op zijn handelwijze een maatregel op zijn plaats is maar hij vindt de door de raad opgelegde maatregel te zwaar. Het hof volgt verweerder in dit betoog. 

8.2    De bereikbaarheid van verweerder en de communicatie met cliënte L is weliswaar onvoldoende gebleken, maar niet is gebleken dat sprake is van langdurige, structurele onbereikbaarheid van verweerder. Verder geldt dat verweerder niet heeft gereageerd op meerdere e-mails van de deken en dat de deken verweerder in augustus 2025 telefonisch niet heeft kunnen bereiken. Ook heeft verweerder op meerdere momenten niet (tijdig) voldaan aan verzoeken van de deken tot het verstrekken van informatie en is verweerder zijn afspraken met de deken over de informatie die hij aan de Belastingdienst en de deken zou verstrekken niet altijd nagekomen. Daarmee heeft verweerder de deken in zijn toezichthoudende taak  gefrustreerd.  Het valt verweerder zwaar aan te rekenen dat hij op herhaalde redelijke verzoeken van de deken niet heeft gereageerd. 

8.3    Daarnaast bestaan er nog zorgen over de financiële continuïteit van de praktijk van verweerder. Verweerder is geconfronteerd (geweest) met forse belastingschulden en heeft in dat kader nog net een door de Belastingdienst aangekondigde veiling kunnen afwenden. Verweerder heeft in hoger beroep echter onweersproken aangevoerd dat hij de schulden aan de Belastingdienst inmiddels heeft afgelost doordat de cliënt waarop hij een grote vordering had, hem uiteindelijk alsnog betaald heeft. Daarbij zij wel opgemerkt dat verweerder over het ontvangen bedrag waarmee hij de schuld bij de Belastingdienst heeft afgelost, uiteindelijk nog belasting zal moeten afdragen. Verweerder heeft verklaard dat hij hiermee rekening houdt. 

8.4    Het hof neemt verder in aanmerking dat verweerder naar zijn eigen stelling zijn e-mailadres heeft aangepast, maar dat de oudere adressering nog wel in gebruik is. Hetzelfde geldt voor de URL van verweerders website. Op dit punt heeft verweerder dus weliswaar verbetering laten zien, maar zijn handelwijze is toch nog niet in overeenstemming met de Voda gebracht.

8.5    Het hof neemt tenslotte in aanmerking dat ten aanzien van verweerder eerder (bij beslissing van 19 december 2022, ECLI:NL:TADRSHE:2022:172) een dekenbezwaar dat zag op schending van de financiële integriteit gegrond is verklaard, waarbij aan verweerder een schorsing van 16 weken, waarvan 12 weken voorwaardelijk, is opgelegd. 

8.6    Het hof acht, al het voorgaande in aanmerking nemende, een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 8 weken op zijn plaats. Ten aanzien van de opgelegde maatregel zal de beslissing van de raad dan ook worden vernietigd.

9    PROCESKOSTEN

9.1     Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                    a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; b) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.2     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

10    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1    vernietigt de beslissing van 17 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-616/DB/LI/D, voor zover daarin aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van 12 weken is opgelegd;

en doet opnieuw recht:

10.2    legt aan verweerder de maatregel op van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 8 weken, 

10.3    bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat op 15 juni 2026,  met dien verstande dat:

- deze schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen;      - verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat;      - deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;

10.4    bekrachtigt de beslissing van 17 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-616/DB/LI/D, voor het overige;

10.5    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk, D. Wachter, G.C. Endedijk en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 18 mei 2026.