Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:109

Zaaknummer

26-209/DH/MN

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een KIFID-procedure. Verweerster mocht standpunten innemen die afwijken van klaagsters beleving en mocht procedurele verzoeken doen. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 mei 2026 in de zaak 26-209/DH/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster gemachtigde: mr. B. Holthuis

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 12 maart 2026 met kenmerk Z 2503308/FB/SD en van de op de inventaris genoemde bijlagen 01 tot en met 06. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klaagster van 24 maart 2026. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klaagster heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij ASR afgesloten. Binnen een jaar na het afsluiten van de verzekering heeft klaagster zich arbeidsongeschikt gemeld. ASR is een onderzoek gestart of sprake was van verzwijging. ASR heeft uit medische informatie opgemaakt dat er al voorafgaand aan de ingangsdatum van de polis sprake was van een medische behandeling en klachten. De polis is vervolgens onder verwijzing naar de artikelen 7:928 tot en met 7:930 BW opgezegd door ASR omdat de verzekeraar meende dat sprake was van misleiding/fraude. 1.2    Op 11 november 2024 heeft klaagster bij het KIFID een klacht ingediend over ASR. 1.3    Klaagster heeft ook vier klachten over vier andere (arbeidsongeschiktheid)verzekeraars ingediend bij het KIFID. Op 5 december 2024 heeft de behandelend voorzitter van het KIFID aan klaagster medegedeeld het noodzakelijk te achten de vijf klachten te voegen. Daarover is verder gecorrespondeerd tussen klaagsters gemachtigde en de behandelend voorzitter. De behandelend voorzitter heeft op 19 december 2024 aan klaagsters gemachtigde medegedeeld dat niet tot voeging was besloten vanwege een eventueel verzoek daarom van de verzekeraars, maar vanwege het aantal van, de samenhang tussen en de aard en omvang van de dossiers.  1.4    Verweerster heeft zich als advocaat van ASR gesteld. Op 18 februari 2025 heeft verweerster een verweerschrift ingediend op de (eerste) klacht. 1.5    Op 2 april 2025 heeft het KIFID verweerster op grond van het KIFID-reglement één week uitstel verleend vanwege de complexiteit van de zaak. 1.6    Klaagster heeft ook een AVG-inzageverzoek gedaan, dat door ASR is afgewezen. Daarover heeft klaagster op 8 april 2025 een tweede klacht ingediend bij het KIFID.  1.7    Op 15 april 2025 heeft verweerster een conclusie van dupliek ingediend in de eerste klachtprocedure. Daarbij heeft verweerster zich namens ASR op het standpunt gesteld dat klaagster fraude heeft gepleegd waarvoor zij niet beloond zou mogen worden en dat de registratie van klaagsters persoonsgegevens in frauderegisters gerechtvaardigd was. Ook is het standpunt ingenomen dat klaagster de waarheidsplicht heeft geschonden, door informatie aan te passen. Om die reden is verzocht om de klacht zonder verdere inhoudelijke beoordeling af te wijzen. 1.8    Op 27 mei 2025 heeft het KIFID aan partijen medegedeeld dat de behandeling van de klachten wordt stopgezet, omdat de klachtenbehandeling de werking van de geschillencommissie van het KIFID ernstig in gedrang brengt. De behandelend voorzitter heeft daarbij gewezen op de veelheid van klachten, de omvang daarvan en de wijze waarop klaagster(s gemachtigde) procedeert. Op 3 juni 2025 heeft de behandelend voorzitter haar besluit tot stopzetting van de behandeling gehandhaafd. 1.9    Op 2 juli 2025 heeft klaagster bij de deken Overijssel een klacht ingediend over verweerster. Op 9 september 2025 is de klachtbehandeling overgedragen aan de deken Midden-Nederland voor verder onderzoek, omdat verweerster inmiddels naar het arrondissement Midden-Nederland was overgestapt als advocaat. Bij beslissing van 12 maart 2026 heeft de voorzitter van het hof van discipline de klacht verwezen naar de raad van discipline Den Haag.

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende. a)    Verweerster heeft actief bijgedragen aan de instandhouding en legitimering van een privacy-schendende praktijk binnen de verzekeringssector, waarbij persoonsgegevens structureel zijn verwerkt zonder geldige grondslag en zonder toepassing van hoor en wederhoor; b)    Verweerster heeft in de KIFID-procedures misbruik gemaakt van het procesrecht, door middel van herhaaldelijke uitstelverzoeken, dossiervoeging en het verhinderen van een inhoudelijke behandeling, hetgeen de rechtsbescherming in de kern heeft onder ondermijnd; c)    Verweerster heeft in strijd met gedragsregel 6 gehandeld, door ondanks tegenstrijdige informatie vol te houden dat het gebruik van PIFI en frauderegisters rechtmatig was, terwijl zij op de hoogte moet zijn geweest van de juridische tekortkomingen en onrechtmatigheden. Daarbij heeft verweerster zich onnodig kwetsend uitgelaten over klaagster door haar te bestempelen als fraudeur en door haar betrouwbaarheid in twijfel te trekken; d)    Verweerster heeft klaagsters mogelijkheden om fundamentele bezwaren en onderzoeksbevindingen aan de orde te stellen in de KIFID-procedure doelbewust gefrustreerd, onder meer door te verzoeken het dossier zonder nadere beoordeling af te wijzen.

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Klachtonderdelen a) en c) 4.2    Verweerster mag als advocaat van de wederpartij standpunten innemen namens haar cliënte die afwijken van klaagsters beleving. Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Ook maakt dit niet dat verweerster ondoelmatig zou hebben gehandeld als bedoeld in gedragsregel 6. De voorzitter merkt daarbij op dat het niet aan de tuchtrechter is om een inhoudelijk oordeel te geven over de klachtenprocedure bij het KIFID. Verder is niet gebleken dat verweerster de grenzen van de aan haar toekomende vrijheid heeft overschreden. Volgens verweersters cliënte had klaagster verzekeringsfraude gepleegd. Verweerster heeft dat standpunt dan ook kunnen verdedigen, aangezien zij de advocaat van ASR is. Dat zij daarbij termen als ‘fraudeur’ heeft gebruikt en klaagster als onbetrouwbaar heeft afgeschilderd, wat kwetsend voor klaagster kan zijn, maakt niet dat zij daarbij onnodig kwetsend is geweest gelet op de achtergrond van het geschil en het door haar cliënte ingenomen en met stukken onderbouwde standpunt. Klachtonderdelen a) en c) zijn kennelijk ongegrond. Klachtonderdelen b) en d) 4.3    Het staat verweerster in het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënte vrij om procedurele verzoeken te doen, zoals het verzoeken om uitstel of om de procedure geheel te staken. Het is – uitsluitend – aan de beoordelende instantie, in dit geval de voorzitter van het KIFID, om op deze verzoeken te beslissen en daarbij rekening te houden met de belangen van andere partijen, zoals die van klaagster. Uit het dossier volgt bovendien dat de beslissing om alle klachtprocedures gevoegd te behandelen niet was geïnstigeerd door verweerster, maar door (de voorzitter van) het KIFID zelf. Klachtonderdelen b) en d) zijn eveneens kennelijk ongegrond.

BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 13 mei 2026