Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

18-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:152

Zaaknummer

260021

Inhoudsindicatie

Artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Beklag ongegrond.

Uitspraak

 Beslissing van 18 mei 2026  in de zaak 260021       naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

          klaagster       tegen:       de deken

 

 

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken 1.1    Klaagster heeft op 16 december 2024 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 18 december 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het verzoek van klaagster prematuur is. Klaagster wordt momenteel bijgestaan door een advocaat in het kader van de afwikkeling van de schade met de verzekeraar.  

Bij het hof 1.3    Klaagster heeft op 26 januari 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier: -    het verweer van de deken van 27 februari 2026; -    de repliek van klaagster van 9 maart 2026, en  -    de dupliek van de deken van 16 maart 2026.

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.   

2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Op 21 november 2023 heeft klaagster een klacht tegen haar toenmalige advocaat mr. De L. ingediend. Mr. De L. stond klaagster bij in een letselschadezaak voortvloeiende uit een verkeersongeval in 2001. Hij had de zaak overgenomen van zijn kantoorgenoot mr. D. Op 6 augustus 2024 heeft de deken in de dekenvisie aangegeven dat niet kon worden vastgesteld dat mr. De L. klachtwaardig heeft gehandeld. 

2.2    Op 16 augustus 2024 heeft klaagster verzocht om bijstand van een advocaat in de tuchtprocedure.

2.3    De deken heeft klaagster op 19 augustus 2024 bericht dat klaagster bijstand zou kunnen zoeken via de zoekmachine van de NOVA of via de website van de vereniging Disciplina advocaten.

2.4    Begin september 2024 heeft klaagster – in het klachtdossier tegen mr. De L. – de deken verzocht om toewijzing van een advocaat aansprakelijkheidsrecht.  

2.5    Op 20 september 2024 heeft de deken aangegeven hoe een verzoek tot aanwijzing van een advocaat moet worden ingediend en aan welke voorwaarden moet worden voldaan.

2.6    Klaagster heeft in reactie hierop de deken op 22 september 2024 laten weten dat zij een advocaat in Amsterdam had gevonden die de tuchtzaak voor haar wilde oppakken.

2.7    Op 5 december 2024 heeft klaagster de deken bericht dat zij nog geen antwoord had ontvangen op haar verzoek tot aanwijzing van een advocaat aansprakelijkheidsrecht.

2.8    De deken heeft klaagster op 16 december 2024 medegedeeld dat klaagster eerder had bericht dat zij al een advocaat had gevonden en dat er geen verzoek om bijstand is ontvangen. Tevens heeft de deken uitgelegd dat een verzoek om toewijzing van een advocaat alleen kan worden gedaan in het arrondissement waar de kwestie speelt. 

2.9    Op 17 december 2024 heeft klaagster de deken aangegeven dat zij inmiddels een verzoek tot aanwijzing van een advocaat had ingediend zowel voor de tuchtrechtelijke als de aansprakelijkheidskwestie en dat zij bij de Haagse deken ook een verzoek om toewijzing van een advocaat (letselschade) had gedaan omdat de advocaat die haar bijstond zich had teruggetrokken.

2.10    De deken heeft klaagster op 23 december 2024 gevraagd wat de stand van zaken is in het Haagse verzoek. 

2.11    Op 31 december 2024 heeft klaagster de deken bericht dat zij zo spoedig mogelijk bijstand van een advocaat wil in de tuchtrechtprocedure en dat zij wil weten hoe het staat met de aanwijzing van een advocaat aansprakelijkheidsrecht. 

2.12    Op 2 januari 2025 heeft de deken klaagster uitleg gegeven over een verzoek tot aanwijzing en vermeld dat het praktisch zou zijn indien de Haagse advocaat ook de aansprakelijkheidskwestie zou oppakken.

2.13    Klaagster heeft de deken op 22 januari 2025 bericht dat er op 14 maart 2025 een zitting bij de raad van discipline plaats zou vinden. Tevens heeft klaagster aangegeven dat zij ook belang bij toewijzing van een advocaat heeft nu zij de buitengerechtelijke kosten in de letselschadezaak wil achterhalen.

2.14    De raad van discipline heeft op 26 mei 2025 de klacht tegen mr. De L. ongegrond verklaard. Er is geen hoger beroep tegen die beslissing ingesteld. 

2.15    Op 27 mei 2025 heeft klaagster bij de deken gevraagd naar de status van haar verzoek. 

2.16    De deken heeft klaagster op 3 juni 2025 voorgesteld om de Haagse advocaat te vragen of hij bereid is de aansprakelijkheidszaak op te pakken. Diezelfde dag heeft klaagster de deken bericht dat zij nog niets had vernomen van de Haagse deken en dat zij niet verwacht dat één advocaat de twee verschillende zaken (tuchtrecht en aansprakelijkheidsrecht) kan behandelen. In reactie daarop heeft de deken klaagster op 3 juni 2025 opnieuw de voorwaarden voor aanwijzing van een advocaat uitgelegd, aangegeven dat de uitspraak van de tuchtrechter mogelijk een rol kan spelen bij het bepalen van het belang bij toewijzing van een advocaat in de aansprakelijkheidskwestie en gevraagd naar de status van het verzoek bij de Haagse deken.

2.17    Klaagster heeft de deken op 19 juni 2025 bericht wat haar belang is bij aanwijzing, wat haar schade is en waarom de uitspraak van de tuchtrechter niet juist zou zijn.

2.18    Op 23 oktober 2025 heeft de deken klaagster gevraagd naar de stand van zaken van haar verzoek, waarop klaagster op 4 november 2025 heeft aangegeven dat haar in september een advocaat, gespecialiseerd in letselschade, was toegewezen door de Haagse deken.

2.19    De deken heeft klaagster er op 18 november 2025 op gewezen dat zij al een advocaat heeft en dat het voor de hand ligt dat advocaten die letselschade doen ook gespecialiseerd zijn in het aansprakelijkheidsrecht. Tevens heeft de deken klaagster verzocht om de door klaagster vermelde adviezen van de advocaten die haar eerder hebben bijgestaan te sturen, hetgeen klaagster op 28 november 2025 heeft gedaan. 

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Volgens klaagster hebben haar voormalige advocaat en zijn voorganger in de behandeling van haar letselschadezaak beroepsfouten gemaakt waardoor deze nu al achttien jaar loopt en klaagster hierdoor extra schade heeft geleden. De betreffende advocaten hebben zeer uiteenlopende waarderingen gedaan en verschillende uitgangspunten gehanteerd in de letselschadezaak van klaagster, waarbij het onderwerp bijstand niet goed is belicht. Klaagster is daardoor op het verkeerde been gezet. Het oordeel van de tuchtrechter dat de voormalige advocaat van klaagster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld is dan ook niet juist, aldus klaagster. Volgens klaagster zal als haar voormalige advocaat aansprakelijk is gesteld en van hem een bedrag wordt gevorderd aan schade dit de afwikkeling van haar letselschadezaak vergemakkelijken en dit niet ten laste komen van haar eind/slotbedrag van de letselschade. Klaagster vindt de procedure bij de deken niet helder. De deken wist dat er naast de twee aanvragen bij haar ook een derde aanvraag bij de deken in Den Haag was ingediend. Klaagster vraagt zich af waarom zij niet in juni 2025 een reactie van de deken mocht ontvangen, want haar aanvraag was al in augustus 2024 gedaan. Het lijkt erop dat de deken de zaak is vergeten. De deken heeft klaagster in het geheel geen afwijzing gestuurd. Ook heeft de deken geen rekening gehouden met de medische situatie van klaagster en de omvang en complexiteit daarvan. Het lange wachten op een beslissing over de letselschadezaak trekt een enorme wissel op klaagster, ook geestelijk. Het niet inhoudelijk betrekken van het medisch dossier van klaagster in deze zaak maakt de beoordeling onvolledig.  Klaagster heeft dan ook een concreet en zwaarwegend belang bij aanwijzing van een advocaat om de civielrechtelijke aanspraken te (laten) beoordelen en zo nodig geldend te maken en verzoekt het hof om de beslissing van de deken van 18 december 2025 te vernietigen en klaagster alsnog een advocaat aan te wijzen, bij voorkeur deskundig op het gebied van het beroepsaansprakelijkheidsrecht en letselschaderecht.

Verweer Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.

4    BEOORDELING

Toetsingskader 4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Beoordeling 4.2      Voorop gesteld wordt dat er in verschillende dossiers een mailwisseling tussen klaagster en de deken heeft plaatsgevonden over de aanwijzing van meerdere advocaten, hetgeen enigszins verwarrend en vertragend heeft gewerkt. In deze zaak beklaagt klaagster zich over het niet aanwijzen van een advocaat gespecialiseerd in het aansprakelijkheidsrecht. Het verzoek tot aanwijzing van een advocaat gespecialiseerd in het tuchtrecht ligt dus niet voor. In die zaak wordt een aparte beslissing genomen door het hof.  

4.3    Het hof betreurt het dat klaagster al heel lang wacht op de afwikkeling van de schade die zij heeft geleden door het verkeersongeval dat haar in 2001 is overkomen en dat zij mede daardoor kampt met (complexe) medische problemen. Tegelijkertijd constateert het hof dat klaagster tezamen met een door de Haagse deken aangewezen advocaat thans weer doende is om de kwestie met de aansprakelijkheidsverzekeraar op te pakken en hopelijk ook af te handelen. Met de deken is het hof van oordeel dat eerst dit traject dient te worden afgerond alvorens kan worden vastgesteld of klaagster schade heeft geleden door toedoen van het handelen haar voormalige advocaat en, zo ja, hoeveel die schade bedraagt. Dat de door de Haagse deken aangewezen advocaat niet ook eventuele rechten met betrekking tot de beroepsaansprakelijkheidskwestie zou kunnen veiligstellen door namens klaagster mr. De L. aansprakelijk te stellen teneinde verjaring te voorkomen, heeft klaagster weliswaar gesteld maar niet met stukken onderbouwd. 

4.4    De deken heeft het verzoek van klaagster dan ook terecht als prematuur aangemerkt. Klaagster heeft thans onvoldoende belang bij aanwijzing van een advocaat in de beroepsaansprakelijkheidszaak, zodat het hof het beklag van klaagster ongegrond zal verklaren.

 

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 18 december 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 18 mei 2026