Rechtspraak
Uitspraakdatum
13-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:108
Zaaknummer
26-140/DH/RO
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een familierechtelijke procedure. Het stond verweerder vrij om alleen een procedure over de onderhoudsbijdrage aan de jongste zoon van klager te willen starten, omdat hij in de andere zaken onvoldoende slagingskans zag. Niet gebleken dat verweerder zich onvoldoende heeft ingezet. Klacht kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 mei 2026 in de zaak 26-140/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 23 februari 2026 met kenmerk R 2026/012 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 27. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van verweerder van 10 maart 2026.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klager heeft twee, inmiddels meerderjarige zoons, met zijn ex-partner. Toen klager en zijn ex-partner uit elkaar gingen, heeft de rechtbank bepaald dat hij voor de, toen nog minderjarige kinderen, alimentatie moest betalen. Klager betaalt deze alimentatie aan zijn ex-partner. Hij wil dit niet langer, maar zijn ex-partner wenst niet mee te werken. Van het Juridisch Loket heeft klager een verwijzing gekregen. Vervolgens is hij bij verweerder terechtgekomen. 1.2 Op 16 december 2024 heeft verweerder met klager gesproken. 1.3 Verweerder heeft vervolgens voor zijn bijstand in een procedure voor nihilstelling van de onderhoudsbijdrage voor de jongste zoon een toevoeging aangevraagd. 1.4 Op 30 december 2024 heeft verweerder aan klager een formulier peiljaarverlegging gestuurd. Op 3 januari 2025 heeft verweerder klager er per e-mail op gewezen dat hij zelf het verzoek peiljaarverlegging moet indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. 1.5 Op 9 juli 2025 is de toevoeging afgegeven. Op 10 juli 2025 heeft verweerder een opdrachtbevestiging aan klager verstuurd voor de procedure met betrekking tot klagers jongste zoon. 1.6 Op 26 augustus 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. Verweerder heeft zijn werkzaamheden vervolgens neergelegd.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. a) Verweerder heeft geen procedures willen starten tegen klagers ex-partner en over de onderhoudsbijdrage aan zijn oudste zoon; b) Verweerder heeft zich onvoldoende ingezet, waardoor de procedure over de onderhoudsbijdrage aan klagers jongste zoon acht maanden heeft stilgelegen.
3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Toetsingskader 4.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. 4.2 Met betrekking tot de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat, is sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Klachtonderdeel a) 4.3 Verweerder heeft uitgelegd waarom procedures tegen de ex-partner en over de onderhoudsbijdrage voor de oudste zoon niet zinvol zijn en hij die niet heeft willen starten. De oudste zoon had namelijk inmiddels de leeftijd van 21 jaar bereikt waardoor de onderhoudsplicht om die reden al was komen te vervallen. Een procedure tegen de ex-partner was niet aan de orde; er geen sprake was van partneralimentatie. 4.4 Naar het oordeel van de voorzitter stond het verweerder vrij om alleen een procedure over de jongste zoon van klager te willen starten. De uitleg van verweerder is navolgbaar en de voorzitter wijst erop dat van een advocaat ook wordt verwacht dat deze geen zaken aanneemt waarin hij onvoldoende slagingskansen ziet. Verweerder heeft dus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door geen procedures te willen starten tegen de ex-partner en over de onderhoudsbijdrage van klagers oudste zoon. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b) 4.5 Verweerder heeft toegelicht dat de procedure met betrekking tot de nihilstelling van de onderhoudsbijdrage voor klagers jongste zoon enige tijd heeft stilgelegen in afwachting van de peiljaarverlegging van de toevoeging. Uit de door verweerder overgelegde correspondentie blijkt dat verweerder klager erop heeft gewezen dat hij zelf de peiljaarverlegging moest aanvragen. Daar heeft klager kennelijk enige tijd mee gewacht waardoor verweerder niet is begonnen met zijn werkzaamheden. De voorzitter wijst klager erop dat verweerder ook niet is gehouden om werkzaamheden te verrichten voordat de toevoeging is verleend en de eigen bijdrage is betaald (zie RvD ’s Hertogenbosch 18 november 2024, ECLI:NL:TADRSHE:2024:165, onder 4.7). Verweerder heeft de dag nadat de toevoeging is verleend een opdrachtbevestiging verstuurd aan klager. Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld op dit punt. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond. Conclusie 4.6 De voorzitter zal de klacht in het geheel kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 mei 2026
