Rechtspraak
Uitspraakdatum
18-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:151
Zaaknummer
260028
Inhoudsindicatie
Artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Beklag ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van 18 mei 2025 in de zaak 260028 naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager tegen: de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken 1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 2 februari 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager heeft nagelaten concrete stukken en informatie over te leggen die aanknopingspunten kunnen geven om te kunnen vaststellen welke rechter bevoegd is om de schadevergoedingsvordering van klager te beoordelen. Daardoor kan niet worden beoordeeld of bijstand van een advocaat noodzakelijk is. Ook heeft klager nagelaten om vijf schriftelijke afwijzingen over te leggen.
Bij het hof 1.3 Klager heeft op 3 februari 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof) en dit op diezelfde dag en op 4 februari 2026 aangevuld.
1.4 Verder bevat het dossier: - de e-mailberichten van 7, 12 en 16 februari 2026 van klager aan het hof; - de e-mailberichten van 5, 11, 12 en 16 februari 2026 van het hof aan klager; - het verweer van de deken; - de repliek van klager, en - het e-mailbericht van de griffier van het hof van 9 maart 2026 aan klager.
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager heeft op 25 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente H (hierna: de gemeente) van 18 december 2024 tot ambtshalve opneming vertrek naar onbekend en van 26 februari 2025 tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag om een briefadres. Bij beslissing op bezwaar van 19 juni 2025 is klagers bezwaarschift gegrond verklaard en het bestreden besluit van 18 december 2024 herroepen. Vastgesteld is dat het besluit van de gemeente H onrechtmatig is geweest. Vervolgens is een verzoek tot schadevergoeding bij de gemeente ingediend. De gemeente heeft aansprakelijkheid erkend.
2.2 Bij brief van 21 november 2025 aan de voormalige advocaat van klager heeft de gemeente aangegeven dat de erkenning van de aansprakelijkheid niet betekent dat sprake is van schade. De schade dient het gevolg te zijn van het onrechtmatige besluit. Klager heeft volgens de gemeente zijn schade onvoldoende onderbouwd. Uit coulance heeft de gemeente aangeboden een bedrag van € 500,- aan schadevergoeding aan klager te betalen maar dat aanbod heeft klager afgewezen.
2.3 Op 27 november 2025 heeft de voormalige advocaat van klager hem bericht dat hij de samenwerking beëindigt wegens verschil van inzicht. Klager heeft vervolgens op 4 december 2025 een klacht tegen hem ingediend.
2.4 Op 21 januari 2026 heeft klager een verzoek om aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 van de Advocatenwet bij de deken ingediend.
2.5 Per e-mail van 27 januari 2026 heeft de deken klager om nadere stukken en informatie verzocht om te kunnen beoordelen welke rechterlijke instantie bevoegd is, of de te starten procedure een redelijke kans van slagen heeft en of klager er aantoonbaar niet in geslaagd was zelf een advocaat te vinden.
2.6 Op 27 januari 2026 heeft klager nadere informatie verstrekt en stukken toegezonden.
2.7 Klager heeft de deken op 29 januari 2026 als volgt bericht:
“In aanvulling op mijn verzoek tot aanwijzing van een advocaat op grond van Artikel 13 Advocatenwet, deel ik u mede dat mijn zaak met betrekking tot de onrechtmatige uitsluiting en de obstructie van mijn digitale innovatie officieel is geregistreerd door het Secretariaat-Generaal van het Europees Parlementonder nummer …/2025.
Hierbij is mijn identiteit en vaste woonadres (…) door het Parlement formeel gevalideerd. Het gebrek aan adequate rechtsbijstand in Nederland belemmert op dit moment de voortgang van dit geregistreerde parlementaire dossier.
Ik verzoek u deze statuswijziging mee te nemen in uw besluitvorming, aangezien het recht op toegang tot de rechter (Art. 6 EVRM) nu direct verbonden is aan een internationaal onderzoek naar mijn rechtspositie als innovator en burger.”
2.8 Per e-mail van 30 januari 2026 heeft de deken klager bericht dat nog niet was voldaan aan de criteria van artikel 13 Advocatenwet en heeft zij klager verzocht de in de e-mail van 27 januari 2026 gestelde vragen te beantwoorden en de opgevraagde stukken toe te zenden.
2.9 Op 30 januari 2026 heeft klager nadere informatie verstrekt en stukken toegezonden.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag 3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager heeft op iedere informatieaanvraag binnen twee uur geantwoord en de gevraagde informatie alsnog verstrekt. Klager voert aan dat hij in totaal zes schriftelijke afwijzingen heeft overgelegd. Deze zijn onder meer terug te vinden in het dossier inzake de klacht tegen zijn voormalige advocaat. De deken weigert ten onrechte om die informatie uit dat dossier te gebruiken. Verder heeft klager de deken herhaaldelijk gewezen op lopende procedures bij de Nationale Ombudsman, de gemeente en de Orde zelf. De deken heeft nagelaten die informatie op te vragen. Klager heeft de deken herhaaldelijk bericht dat de vordering tegen de gemeente is begroot op een bedrag van € 30.000,- à € 45.000,- en heeft een specificatie hiervan overgelegd. Tot slot voert klager aan dat sprake is van schending van zijn recht op een eerlijk proces nu hij geen advocaat toegewezen krijgt terwijl de gemeente wordt bijgestaan door een groot advocatenkantoor.
Verweer 3.2 Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader 4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling 4.2 Vooropgesteld wordt dat het hof begrijpt dat hetgeen is voorgevallen voor klager heel vervelend is geweest. Maar de schadevergoedingsvordering die klager bij de gemeente wil indienen, heeft klager niet onderbouwd met stukken. Klager noemt een bedrag van € 30.000,- à € 45.000,- als schade en heeft een opsomming gemaakt van een aantal posten, maar niet meer dan dat. De voormalige advocaat van klager heeft in dat verband ook al aangegeven dat voor een dergelijke vordering bewijsstukken noodzakelijk zijn. Nu deze stukken (vooralsnog) ontbreken, kan niet worden vastgesteld dat klager een advocaat nodig heeft die bij de civiele rechter (handelskamer) een procedure start. Klager kan sowieso zelf procederen bij de kantonrechter en daar een bedrag tot € 25.000,- vorderen of zelf een procedure bij de bestuursrechter starten. Ook in die beide situaties is overigens een onderbouwing van de vordering vereist.
4.3 Dat de gemeente wordt bijgestaan door een advocaat werkzaam bij een groot advocatenkantoor kan zo zijn, maar dat maakt niet dat klager – zonder bijstand van een advocaat – geen eerlijk proces zou hebben.
4.4 Verder heeft klager, ook na herhaalde verzoeken daartoe, nagelaten schriftelijke afwijzingen van door hem benaderde advocaten aan de deken over te leggen. Klager heeft weliswaar verwezen naar het dossier betreffende de klacht tegen zijn voormalige advocaat, waarin dergelijke stukken zich zouden bevinden, maar dat is een andere zaak die los staat van de onderhavige. De stukken in die zaak maken geen onderdeel uit van deze procedure. Niet vastgesteld kan dan ook worden dat klager geen andere advocaat heeft kunnen vinden die hem wil bijstaan.
4.5 Het hof is dan ook van oordeel dat de deken het verzoek van klager tot aanwijzing van een advocaat op juiste gronden heeft afgewezen en zal het beklag ongegrond verklaren.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 2 februari 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en J.A. Huijgen, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 18 mei 2026.
