Rechtspraak
Uitspraakdatum
18-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:150
Zaaknummer
260029
Inhoudsindicatie
Artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Beklag ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van 18 mei 2026 in de zaak 260029 naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster tegen: de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken 1.1 Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 27 januari 2026. De deken heeft – kort gezegd – aan die afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klaagster bijstand verzoekt in een bestuursrechtelijke procedure waarbij bijstand of vertegenwoordiging door een advocaat niet verplicht is.
Bij het hof 1.3 Klaagster heeft op 2 februari 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier: - het verweer van de deken van 25 februari 2026; - de repliek van klaagster van 2 maart 2026, en - de dupliek van de deken van 11 maart 2026.
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Op 29 juli 2025 heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 7 juli 2025 om met ingang van 1 juli 2025 haar WIA-uitkering stop te zetten. De termijn voor het nemen van een besluit zou verstrijken op 29 december 2025.
2.2 Klaagster heeft de deken op 3 december 2025 verzocht een advocaat aan te wijzen die haar kan helpen bij voornoemde procedure door het instellen van beroep bij de rechtbank Amsterdam wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Ook wil klaagster een advocaat aangewezen krijgen om in het kader van deze procedure een voorlopige voorziening aan te vragen wegens het ontbreken van inkomen met ingang van 1 juli 2025.
2.3 De deken heeft klaagster bij e-mail van 10 december 2025 nadere vragen gesteld waarop klaagster op 17 december 2025 heeft gereageerd. Bij e-mail van 31 december 2025 heeft de deken klaagster in overweging gegeven haar verzoek niet voort te zetten aangezien de verwachting was dat haar verzoek zou worden afgewezen. Bij e-mail van 5 januari 2026 heeft klaagster de deken bericht dit anders te zien. Vervolgens heeft de deken geprobeerd telefonisch in contact te komen met klaagster om een nadere toelichting te krijgen op de kwestie, een nadere uitleg te geven over de mogelijkheden van de deken in het kader van artikel 13 Advocatenwet, klaagsters eventuele vragen te beantwoorden en klaagster waar mogelijk behulpzaam te zijn bij het zelf vinden van een advocaat. Daarop heeft klaagster op 14 januari 2026 laten weten de voorkeur te geven aan schriftelijke communicatie. De deken heeft vervolgens op 27 januari 2026 het verzoek afgewezen.
2.4 Op 4 februari 2026 heeft het UWV een beslissing op bezwaar genomen. Tegen die beslissing stond binnen zes weken beroep open bij de rechtbank, derhalve tot 18 maart 2026.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag 3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen omdat artikel 13 Advocatenwet niet de eis stelt dat bijstand door een advocaat verplicht dient te zijn. Doorslaggevend is volgens klaagster of de rechtzoekende feitelijk geen toegang heeft tot rechtsbijstand terwijl effectieve rechtsbescherming zonder advocaat niet reëel is. De deken heeft dus een onjuist toetsingskader toegepast. Bovendien heeft de deken onvoldoende gewicht toegekend aan de bijkomende omstandigheden, namelijk dat meerdere advocaten hebben geweigerd de zaak op te pakken, het samenlopende procedures betreft (bezwaar, beroep niet-tijdig beslissen en voorlopige voorziening), klaagster sinds 1 juli 2025 geen inkomen heeft, er bij klaagster medische en cognitieve beperkingen zijn gemeld en sprake is van een complex dossier vanwege tegenstrijdige besluiten en overschrijding van beslistermijnen. Deze omstandigheden maken dat effectieve toegang tot de rechter zonder advocaat feitelijk ontbreekt. Artikel 13 Advocatenwet beoogt een vangnet te bieden wanneer reguliere routes tot rechtsbijstand falen. Door het verzoek af te wijzen op formele gronden, is deze beschermingsfunctie miskend.
Verweer 3.2 Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader 4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling 4.2 Het hof heeft begrip voor de situatie waarin klaagster verkeert en haar wens om te worden bijgestaan in voornoemde bestuursrechtelijke procedure(s). De mogelijkheid die artikel 13 Advocatenwet biedt om een advocaat aangewezen te krijgen, is echter beperkt tot zaken waarin de bijstand door een advocaat verplicht is gesteld. Die situatie doet zich hier niet voor, omdat klaagster bij de bestuursrechter in persoon mag procederen.
4.3 De stelling dat de zaak feitelijk complex is, heeft klaagster niet onderbouwd. Evenmin heeft zij aangetoond dat meerdere advocaten om die reden hebben geweigerd haar bij te staan. Niet weersproken is dat klaagster kennelijk zelf al meerdere malen heeft geklaagd bij het UWV over het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Inmiddels is overigens beslist op klaagsters bezwaar en is de beroepstermijn verstreken. Dat betekent dat enkel het verzoek om bijstand resteert bij het aanvragen van een voorlopige voorziening wegens het ontbreken van inkomen. In dat verband hebben, zo heeft de deken onbetwist gesteld, reeds twee advocaten klaagster geadviseerd om een bijstandsuitkering aan te vragen. Dit advies heeft klaagster evenwel niet opgevolgd. Daar komt bij dat de deken klaagster heeft voorgesteld om telefonisch met haar te overleggen over haar situatie maar ook dat heeft klaagster geweigerd. Dat klaagster niet zelf een procedure bij de bestuursrechter zou kunnen starten, acht het hof niet aannemelijk mede gelet op het feit dat klaagster in de onderhavige procedure ook zonder bijstand van een advocaat of gemachtigde procedeert en haar standpunt goed naar voren kan brengen.
4.4 Het hof is dan ook van oordeel dat de deken het verzoek van klaagster tot aanwijzing van een advocaat op juiste gronden heeft afgewezen en zal het beklag ongegrond verklaren.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 27 januari 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 18 mei 2026.
