Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:106

Zaaknummer

26-137/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een geschil met een onderwijsinstelling. Van belangenverstrenging of een gebrek aan onafhankelijkheid van de advocaat is niet gebleken. Als klager in detentie bezoek van verweerder had gewild, dan had hij verweerder over zijn detentie moeten informeren en hem moeten vragen langs te komen. Geen sprake van onvoldoende deskundigheid. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 mei 2026 in de zaak 26-137/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 20 februari 2025 met kenmerk K242 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 20 maart 2026 (met uitzondering van de WhatsAppberichten, deze zijn niet in het dossier gevoegd).

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager is bij beslissing van 20 september 2024 verwijderd van zijn opleiding en de onderwijsinstelling waar hij deze opleiding volgde. Daarbij is hem ook de toegang tot de schoolgebouwen en het terrein van de onderwijsinstelling ontzegd.  1.2    Klager heeft verzocht om te worden toegelaten tot de opleiding. Bij beslissing van 15 oktober 2024 heeft de onderwijsinstelling dat verzoek afgewezen.  1.3    Op 15 oktober 2024 heeft verweerder, namens klager, een bezwaarschrift ingediend bij de klachten- en geschillenadviescommissie van de onderwijsinstelling (hierna: de klachtencommissie).  1.4    De klachtencommissie heeft de ontvangst van het bezwaarschrift diezelfde dag bevestigd, verweerder om een machtiging gevraagd en aangegeven dat de hoorzitting op 14 november 2024 zal plaatsvinden.  1.5    Op 21 oktober 2024 heeft verweerder aan de klachtencommissie laten weten dat klager dan niet beschikbaar is en heeft hij gevraagd welke alternatieve data voorhanden zijn. 1.6    Op 21 oktober 2024 heeft klager aan de klachtencommissie onder meer geschreven:  “De advocaat die mij vertegenwoordigt, [verweerder], is volledig op de hoogte van mijn zaak en treedt op als mijn gemachtigde. (..)  Met andere woorden, [verweerder] is gemachtigd om mij bij te staan, in mijn naam te correspondeerden en indien nodig een bezwaarschrift in te dienen, evenals andere relevante juridische handelingen te verricht.”  1.7    Op 23 oktober 2024 heeft de klachtencommissie klager en verweerder uitgenodigd voor een hoorzitting op 20 november 2024.  1.8    Op 19 november 2024 heeft verweerder aan de klachtencommissie geschreven dat klager wegens omstandigheden niet in de gelegenheid is de zitting bij te wonen, met het verzoek de zaak aan te houden. Ter toelichting heeft verweerder in een volgende e-mail geschreven dat eerdergenoemde omstandigheden helaas in de weg hebben gestaan aan het hebben van contact met klager en dat sprake is van een uitzonderlijke situatie.  1.9    Op 19 november 2024 heeft de klachtencommissie laten weten dat de hoorzitting op 20 november 2024 doorgaat. Bij die hoorzitting was verweerder aanwezig, klager niet. 1.10    Het op 15 oktober 2024 ingediende bezwaar is op 4 december 2024 ongegrond verklaard. Hiertegen is namens klager beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS). 1.11    Op 26 februari 2025 heeft verweerder stukken met klager gedeeld. In een begeleidende e-mail schrijft verweerder aan klager dat hij de producties aan klager heeft toegezonden zoals hij die bij de ABRvS wil indienen, met de vraag aan klager of hij hiermee alles heeft ondervangen. Klager heeft diezelfde dag onder meer laten weten dat het prima is. 1.12    Op 27 februari 2025 heeft verweerder een brief met producties 3 t/m 16 ingediend bij de ABRvS. Op 28 februari 2025 heeft verweerder aan klager bevestigd dat de producties zijn afgegeven.  1.13    De zitting bij de ABRvS is gepland op 11 maart 2025 om 15:00 uur. Op 10 maart 2025 heeft verweerder klager uitgenodigd om voorafgaand aan de zitting vanaf 13:15 uur op kantoor af te spreken om over de voorbereiding na te denken. Klager heeft daarmee ingestemd.  1.14    Op 11 juni 2025 heeft de ABRvS klagers beroep ongegrond verklaard.  1.15    Op 22 juni 2025 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij het kantoor waar hij werkzaam is.  1.16    Op 14 juli 2025 heeft de klachtenfunctionaris gemotiveerd aan klager laten weten dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. 1.17    Op 18 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.  a)    Belangenverstrengeling en schijn van partijdigheid: verweerder was lid van dezelfde onderwijsrechtelijke werkgroep/vereniging als de advocaat van de tegenpartij. Verweerder heeft klager hierover pas voor de zitting geïnformeerd en geen afstand genomen, waardoor de schijn van belangenverstrengeling is ontstaan. Verweerder heeft klager meegedeeld dat het niet zijn taak is om te onderzoeken of rechters en wederpartijen banden met elkaar hebben, terwijl dit direct raakt aan de onpartijdigheid van de rechtspraak. Na afloop van de procedure is klager gebleken dat de behandelend rechter bij de ABRvS actief was binnen dezelfde organisatie of stichting als de wederpartij. Verweerder heeft klager hier niet over geïnformeerd. Er is sprake van een verwevenheid die ernstige vragen oproept over de objectieve en subjectieve onafhankelijkheid van de betrokken advocaat en rechter. b)    Communicatie: verweerder heeft tijdens klagers detentie in de PI Den Haag (2024) geen enkel contact met klager gezocht, ondanks dat hij als advocaat in Den Haag is gevestigd. Verweerder heeft klager niet bezocht in de PI, heeft geen stukken toegezonden en heeft nagelaten te informeren naar klagers verblijfplaats.  c)    Onvoldoende deskundigheid: verweerder is zonder klagers instemming op gesprek verschenen bij de onderwijsinstelling. Hij heeft cruciale stukken en bewijsmiddelen die klager herhaaldelijk heeft aangeleverd (schriftelijk en digitaal) niet ingebracht in het geding. Tijdens de zitting heeft verweerder nagelaten te benadrukken dat klager niet gehoord was in de procedure, terwijl dit een fundamenteel recht is. Verweerder wilde ook geen herzieningsverzoek indienen. Uit klagers onderzoek blijkt dat verweerder structureel veel zaken in het onderwijsrecht verliest en dat hij feitelijk een monopolie positie heeft binnen de gefinancierde rechtsbijstand op dit terrein, wat leidt tot oppervlakkige en onvoldoende bijstand. Publieke reviews en ervaringen van andere cliënten bevestigen klachten over gebrekkige communicatie, onvoldoende voorbereiding en verlies van zaken.  2.2    Klager stelt dat verweerder ernstig tekort is geschoten in zijn zorgplicht jegens klager en heeft gehandeld in strijd met verschillende kernwaarden. Verweerder is zijn plicht tot zorgvuldige en volledige rechtsbijstand niet nagekomen.

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij stelt dat enige substantiëring van de klachten en het tuchtrechtelijk laakbaar handelen ontbreekt.  3.2    Klachtonderdeel a): verweerder heeft toegelicht dat hij deel uitmaakt van eenzelfde (onbezoldigde) werkgroep als de gemachtigde van de wederpartij. Dit maakt niet dat sprake is van enige belangenverstrengeling. Verweerder heeft klager hier uit eigen beweging en vooraf over geïnformeerd. Klager heeft hier geen punt van gemaakt, terwijl hij er vooraf van op de hoogte was. Enige aanleiding om te vermoeden, laat staan dat sprake is van partijdigheid, wordt door klager niet gegeven. 3.3    Klachtonderdeel b): als klager tijdens zijn gijzeling contact had gewild, had hij verweerder actief op de hoogte moeten stellen van zijn verblijf, locatie en de wens om verweerder te spreken. Verweerder heeft geen verzoek ontvangen om langs te komen en/of de zaak te bespreken. De gijzeling speelde bovendien nog tijdens de bezwaarprocedure. Hierna is beroep ingesteld bij de ABRvS. Klager heeft hier nooit een punt van gemaakt.  3.4    Klachtonderdeel c): verweerder stelt dat hij, als hij niet naar de zitting was gegaan,  mogelijk klachtwaardig had gehandeld. Ook hier wordt achteraf over geklaagd, terwijl dit er niet toe heeft geleid dat klager verweerder niet langer als gemachtigde wilde in de opvolgende procedure bij de ABRvS. Dat een bezwaarcommissie besluit een hoorzitting doorgang te laten vinden zonder klagers aanwezigheid, kan niet aan verweerder verweten worden. Verweerder heeft alle door klager toegezonden stukken die hij wilde indienen overgelegd. De compleetheid van het dossier is expliciet door klager bevestigd. Verweerder  betwist dat hij stukken of instructies van klager heeft genegeerd. Klager is voorafgaand aan de zitting bij de ABRvS uitgenodigd op kantoor voor een uitgebreide voorbespreking. Verweerder heeft geen opdracht aangenomen voor het indienen van een herzieningsverzoek. Het is onjuist dat verweerder structureel veel zaken zou verliezen en daarin ligt bovendien geen tuchtrechtelijk verwijt.  3.5    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  Klachtonderdeel a) – belangenverstrengeling/partijdigheid 4.2    Klager verwijt verweerder belangenverstrengeling doordat hij lid is van dezelfde onderwijsrechtelijke werkgroep als de advocaat van de onderwijsinstelling. De voorzitter volgt klager hier niet. Veel advocaten zijn lid van een specialisatievereniging of netwerkorganisatie. Dat leidt er niet automatisch toe dat sprake is van belangenverstrengeling. Van bijkomende omstandigheden die maken dat sprake zou zijn van belangenverstrengeling, is niet gebleken. Klagers stelling dat sprake zou zijn van (financiële) bijdragen door de onderwijsinstelling aan het netwerk van verweerder, is niet onderbouwd.  4.3    Klager stelt dat ook één van de staatsraden actief was binnen dezelfde organisatie of stichting als de wederpartij. Hij heeft dit echter niet nader geconcretiseerd en/of onderbouwd. De voorzitter kan dit dan ook niet vaststellen. Eventueel contact over en weer op social media (zoals LinkedIn) is onvoldoende grond om aan te nemen dat sprake is van belangenverstrengeling of (schijn van) partijdigheid.  4.4    Van een verwevenheid die vragen oproept over de onafhankelijkheid van de betrokken advocaat en rechter is dan ook niet gebleken. Van belangenverstrengeling is evenmin gebleken. Dit klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel b) - communicatie 4.5    Klager verwijt verweerder dat hij tijdens klagers detentie geen contact heeft gezocht en hem niet heeft bezocht. Klager heeft in het najaar van 2024 een periode in detentie doorgebracht. Klager stelt dat hij verweerder (telefonisch) heeft geïnformeerd. Verweerder betwist dit. Uit de overgelegde stukken blijkt het niet. De voorzitter kan niet vaststellen dat klager verweerder over zijn detentie heeft geïnformeerd. Als klager bezoek van verweerder had gewild, dan had hij verweerder over zijn detentie moeten informeren en hem moeten vragen langs te komen. Daarvan is niet gebleken. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel c) – onvoldoende deskundigheid 4.6    Klager maakt verweerder diverse verwijten over de behandeling van de zaak. Klager verwijt verweerder allereerst dat hij zonder klagers instemming is verschenen op het gesprek bij de onderwijsinstelling. Klager doelt hiermee op de hoorzitting van 20 november 2024. Klager heeft verweerder verzocht om bijstand in de bezwaarprocedure die ziet op de verwijdering van de opleiding. Daar hoort ook bij het aanwezig zijn bij een eventuele (hoor)zitting. Klager heeft in zijn e-mail van 21 oktober 2024 ook uitdrukkelijk aangegeven dat verweerder hem vertegenwoordigde. Dat heeft verweerder gedaan op de hoorzitting van 20 november 2024. Daarvan kan hem geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.  4.7    Klager verwijt verweerder verder dat hij cruciale stukken en bewijsmiddelen niet heeft ingebracht in het geding. Verweerder heeft klager echter op 26 februari 2025 de in te dienen stukken gestuurd, waarop klager heeft laten weten dat het prima was. Verweerder mocht er dan ook vanuit gaan dat de stukken compleet waren. Klager heeft bovendien niet concreet gemaakt welke stukken door verweerder niet zijn ingebracht. Dat verweerder instructies heeft genegeerd, blijkt niet. Het enkele feit dat verweerder blijkbaar een half A4 pleidooi had en de advocaat van de wederpartij meer, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. 4.8    Klager heeft verweerder na de uitspraak van de ABRvS verzocht om een herzieningsverzoek in te dienen. Verweerder zag daarvoor geen grond en heeft niet aan het verzoek voldaan. Dat stond hem vrij. Een advocaat kan niet verplicht worden een nieuwe procedure te starten, zeker niet als hij daarvoor geen grond ziet. Daarvan kan hem geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. 4.9    Klagers verdere verwijten over het structureel verliezen van zaken, oppervlakkige bijstand en slechte reviews zijn algemeen van aard en niet met stukken onderbouwd. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. Dit klachtonderdeel is dan ook  kennelijk ongegrond.

BESLISSING De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 13 mei 2026