Rechtspraak
Uitspraakdatum
13-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:107
Zaaknummer
26-138/DH/RO
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. Verweerster is binnen de aan haar toekomende vrijheid gebleven bij het behartigen van de belangen van haar cliënt, door het inbrengen van het vonnis uit klaagsters procedure in een procedure van haar cliënte tegen een andere ex-partner. Klacht kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 mei 2026 in de zaak 26-138/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 23 februari 2026 met kenmerk R 2026/011 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 16.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Verweerster is de advocaat van de ex-man van klaagster. Zij hebben samen een zoon. Er liep een kortgedingprocedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant tussen klaagster en de ex-man over de omgang met de zoon. In deze procedure heeft klaagster een verklaring van een andere ex-partner van de man ingebracht. Ter zitting zijn afspraken gemaakt tussen partijen, die vervolgens door de voorzieningenrechter zijn vastgelegd in een vonnis. De procedure is daarmee geëindigd. 1.2 Daarnaast is verweerster voor de man ook een dagvaardingsprocedure gestart bij de rechtbank Rotterdam tegen de andere ex-partner, over de omgang met hun dochters. De dagvaarding is via de deurwaarder betekend. Bij de dagvaarding is het vonnis van de voorzieningenrechter uit de procedure tussen klaagster en de man ongeanonimiseerd opgenomen. 1.3 Op 23 februari 2026 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende. Verweerster heeft zonder toestemming van klaagster het vonnis gedeeld met een derde die geen procespartij was, terwijl daarin persoonlijke en vertrouwelijke informatie staat vermeld.
3 VERWEER 3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Toetsingskader 4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: – het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, – het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, – het verloop van het geschil tot dan toe en – de kans op succes van de procedure. Beoordeling 4.3 De voorzitter is van oordeel dat verweerster is gebleven binnen de aan haar toekomende (ruime) vrijheid bij het behartigen van de belangen van haar cliënt. Verweerster heeft het vonnis mogen inbrengen in de procedure bij de voorzieningenrechter in Rotterdam, als vergelijkingsmateriaal en ter onderbouwing van de door haar namens haar cliënt ingenomen standpunten over het contact met de dochters. Dat vonnis heeft zij niet hoeven anonimiseren. Uit het vonnis volgde slechts de naam en woonplaats van klaagster, dat er geen contact was tussen de man en zijn zoon en vervolgens welke afspraken over de omgang zijn gemaakt. Bovendien is niet weersproken dat de andere ex-partner bekend was met deze informatie, te meer omdat zij door klaagster zelf betrokken is in de procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De klacht is kennelijk ongegrond.
BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 mei 2026
