Rechtspraak
Uitspraakdatum
28-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:55
Zaaknummer
26-231/DB/LI
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Waar verweerster uitdrukkelijk heeft weersproken dat zij aan klager rechtsbijstand heeft verleend en de voorzitter dit ook niet is gebleken uit de overgelegde stukken, kan de voorzitter niet vaststellen dat verweerster klager heeft bijgestaan. Omdat niet is gebleken dat verweerster klager heeft bijgestaan, mist de klachtonderdeel 1, dat betrekking op de kwaliteit van de dienstverlening, feitelijke grondslag. Klachtonderdeel 1 is dus kennelijk ongegrond. Dat verweerster, in haar hoedanigheid van kantoordirecteur, klager heeft aangesproken op nakoming van de overeengekomen betalingsregeling, maakt niet dat verweerster het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Verweerster mocht klager namens het kantoor verzoeken tot betaling. Klachtonderdeel 2 is kennelijk ongegrond omdat niet is gebleken dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 28 april 2026
in de zaak 26-231/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline (hierna: “de voorzitter”) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 19 maart 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) met kenmerk K25-078 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is in meerdere dossiers bijgestaan door mrs. S en H, die als advocaat werkzaam zijn op verweersters kantoor.
1.2 Verweersters kantoor heeft aan klager rechtsbijstand verleend op basis van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand. Op grond van de verleende toevoeging was klager gehouden tot betaling van een eigen bijdrage. Klager heeft een declaratie ter zake de eigen bijdrage onbetaald gelaten.
1.3 Bij e-mail van 5 juni 2025 aan mrs. S en H heeft klager zich beklaagd over het optreden van mrs. S en H en aangegeven dat hij voornemens was om een klacht tegen hen in te dienen.
1.4 Bij e-mail van 5 juni 2025 heeft mr. S klager als volgt bericht:
“Hierbij bevestig ik ons telefoongesprek van vanochtend waarin ik met u een betalingsregeling ben overeengekomen.
U wenste de eigen bijdrage in eerste instantie niet te betalen, omdat u van mening bent dat u ten onrechte advocaten nodig hebt.
U vindt dat mevrouw [R] de advocaatkosten moet betalen omdat zij naar uw inzien de advocaatkosten heeft veroorzaakt.
Het is echter zo dat een eigen bijdrage altijd door de cliënt dient te worden voldaan.
Indien u meent dat mevrouw [R] aansprakelijk is voor de advocaatkosten/eigen bijdrage, dan kunt u proberen deze kosten op haar te verhalen.
Wij spraken af dat u vrijdag a.s. een eerste maandelijkse termijn van € 50,-- zult betalen.
Daarnaast wil ik u uitnodigen voor een bespreking met mr. [S] morgen (vrijdag) op ons kantoor.
Kunt u mij berichten welk tijdstip u het best schikt?
Ik verneem graag van u.”
1.5 Bij e-mail van 5 juni 2025 heeft klager aan mr. S bevestigd dat hij akkoord is met de betalingsregeling en dat hij de volgende dag de eerste betaling zou verrichten.
1.6 Bij e-mail van 11 juli 2025 heeft klager mr. S bedankt voor zijn bijstand. Ook heeft klager aan mr. S medegedeeld dat hij nog in afwachting was van de beslissing op het door hem bij de Raad voor Rechtsbijstand ingediende verzoek tot peiljaarverlegging.
1.7 Bij e-mail van 25 juli 2025 heeft mr. S klager als volgt bericht:
“Ik verwijs u naar onderstaande afspraak. Helaas hebt u pas éénmaal een bedrag van € 50,00 voldaan. U komt onze afspraak dus niet na.
Ik verzoek u dan ook om per ommegaande de achterstallige bedragen te voldoen.
Vertrouwende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.”
1.8 Bij e-mail van 29 juli 2025 heeft verweerster klager als volgt bericht:
“U bent met ons een betalingsregeling overeengekomen. Ik vind het vervelend dat u die niet nakomt. In het geval de Raad voor Rechtsbijstand aan uw verzoek tegemoet komt, bent u een eigen bijdrage verschuldigd van ten minste € 176,00.
Ik vernam dat de zitting goed was verlopen en dat mr. [S] u goed heeft geholpen. Vandaar dat ik u vriendelijk verzoek de betalingsregeling na te komen, in ieder geval tot € 176,00 totdat de Raad voor Rechtsbijstand op uw bezwaar heeft beslist.
In het geval u deze week de betalingstermijn niet bent nagekomen, starten we een juridische procedure.”
1.9 Bij e-mail van 29 juli 2025 heeft klager aan verweerster medegedeeld dat de zitting naar zijn mening absoluut niet goed was verlopen en heeft hij zijn ongenoegen over verweersters e-mail geuit.
1.10 Op 19 augustus 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
1.11 Bij e-mail van 22 augustus 2025 heeft de deken klager en verweerster erop gewezen dat de interne klachtenregeling van verweerster kantoor moest worden doorlopen. Mr. D, de klachtenfunctionaris van verweersters kantoor, heeft de klacht op grond van interne klachtenregeling onderzocht.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft klager voorzien van verkeerd dan wel slecht advies, waardoor de zaak vertraging heeft opgelopen en er sprake is van een structureel gebrek aan opvolging en serieuze belangenbehartiging. In de e-mail van 29 juli 2025 heeft verweerster ten onrechte aan klager medegedeeld dat de zitting goed was verlopen, heeft zij hem onder druk gezet om te betalen en heeft zij zelfs gedreigd met het starten van een procedure.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Klachtonderdeel 1
Klager verwijt verweerster in de eerste plaats dat zij hem heeft voorzien van een onjuist of verkeerd advies. Verweerster heeft de klacht uitdrukkelijk weersproken. Verweerster heeft in dat verband naar voren gebracht dat zij helemaal geen rechtsbijstand heeft verleend aan klager. Niet verweerster, maar haar kantoorgenoten mrs. S en H hebben klager bijgestaan, aldus nog steeds verweerster. De voorzitter overweegt als volgt.
4.2 Waar verweerster uitdrukkelijk heeft weersproken dat zij aan klager rechtsbijstand heeft verleend en de voorzitter dit ook niet is gebleken uit de overgelegde stukken, kan de voorzitter niet vaststellen dat verweerster klager heeft bijgestaan. Omdat niet is gebleken dat verweerster klager heeft bijgestaan, mist de klachtonderdeel 1, dat betrekking op de kwaliteit van de dienstverlening, feitelijke grondslag. Klachtonderdeel 1 is daarom kennelijk ongegrond.
4.3 Klachtonderdeel 2
Toetsingskader
Klachtonderdeel 2 heeft betrekking op de e-mail van 29 juli 2025, die verweerster in haar hoedanigheid van kantoordirecteur namens het kantoor aan klager heeft gestuurd. Op een dergelijke klacht is de volgende toetsingsmaatstaf van toepassing. Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
4.4 Beoordeling
Klager verwijt verweerster dat zij in de e-mail van 29 juli 2025 ten onrechte aan hem heeft medegedeeld dat de zitting goed was verlopen, dat zij hem onder druk heeft gezet om te betalen en dat zij zelfs heeft gedreigd met het starten van een procedure. Verweerster heeft gemotiveerd weersproken dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerster heeft naar voren gebracht dat zij klager enkel heeft aangesproken op zijn betalingsverplichting en dat zij daarbij geen oneigenlijke druk op hem heeft uitgeoefend. De voorzitter overweegt als volgt.
4.5 Dat verweerster, in haar hoedanigheid van kantoordirecteur, klager heeft aangesproken op nakoming van de overeengekomen betalingsregeling, maakt niet dat verweerster het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Verweerster heeft, gelet op het door klager bij de Raad voor Rechtsbijstand ingediende verzoek tot peiljaarverlegging, de vordering van het advocatenkantoor – voorlopig – beperkt tot een bedrag van € 176,00. Verweerster mocht klager namens het kantoor verzoeken tot betaling. Verweerster mocht er klager daarbij op wijzen dat zij van mr. S had vernomen dat de zitting goed was verlopen en dat uitblijven van betaling een incassoprocedure tot gevolg zou hebben. Naar het oordeel van de voorzitter is de inhoud van verweersters e-mail zowel voor wat betreft de inhoud als voor wat betreft de toonzetting zorgvuldig en zakelijk. Van het schaden van het vertrouwen in de advocatuur is de voorzitter geenszins gebleken.
4.6 De voorzitter komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub c Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 28 april 2026
