Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

11-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:117

Zaaknummer

26-213/AL/GLD

Inhoudsindicatie

voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder op zorgvuldige en deskundige wijze in heldere bewoordingen met klager gecommuniceerd over de inhoud van de eventuele opdracht, de eventuele kosten daarvan en over de voorwaarden die verweerder aan het aannemen van de opdracht stelde. Dreigend of onnodig grievend taalgebruik door verweerder richting klager blijkt niet uit de stukken. Evenmin volgt daaruit dat verweerder zich niet integer of onethisch heeft gedragen. Klager heeft die ernstige verwijten tegenover de betwisting daarvan door verweerder, ook geenszins inzichtelijk gemaakt. Dat een vaste prijsafspraak is gemaakt is niet komen vast te staan. Kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 11 mei 2026

in de zaak 26-213/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over

 

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 12 maart 2026 met kenmerk K 25/91.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Op 7 februari 2025 heeft klager een ‘voornemen last onder dwangsom’ van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente N (hierna ook: de gemeente) ontvangen. De gemeente verweet klager de schuiframen en bovenlichten van zijn pand te hebben vervangen zonder daarvoor over de vereiste vergunning te beschikken.

1.2 Op 1 mei 2025 heeft klager telefonisch contact met verweerder gezocht voor rechtsbijstand.

1.3 In een e-mail van 3 mei 2025 heeft verweerder aan klager het op 1 mei 2025 afgesproken intakegesprek op 8 mei 2025 bevestigd en verder aan klager geschreven:

Wij spraken elkaar over het voornemen van het College van B&W van [N] om handhavend tegen u op te treden, zie hiervoor de brief van 7 februari 2025. (…) Tijdens ons telefoongesprek van afgelopen donderdag gaf u mij aan in reactie op de voornemen-brief tijdig (binnen twee weken) een schriftelijke zienswijze bij het College van B&W te hebben ingediend.

U gaf mij ook aan dat u momenteel een hoger-beroepsprocedure bij de Raad van State heeft lopen tegen het College van B&W. Deze procedure gaat – naar ik begrijp – óók over het onderwerp waarover het voornemen van 7 februari 2025 gaat. Wij hebben afgesproken dat ik waar nodig kennis zal nemen van de inhoud van deze procedure, maar dat u deze procedure zélf zult blijven voeren. Ons intakegesprek en mijn eventuele verdere bijstand aan u zal dus niet zien op de hogerberoepsprocedure, maar enkel op het handhavingsvoornemen van 7 februari 2025. (…)

Zoals besproken breng ik de kosten van het intakegesprek en de voorbereiding daarvan aan u in rekening op basis van mijn uurtarief. Dat uurtarief bedraagt € 295,00 exclusief BTW (€ 356,95 inclusief BTW). Als ik een of meer kantoorgenoten inschakel kan voor hen een ander tarief gelden; dat tarief ligt tussen € 185,00 en € 295,00 exclusief BTW. Aan het intakegesprek en de voorbereiding daarvan verwacht ik maximaal 4 uren te besteden.

Ik zal voor deze kwestie een voorschot van € 750,00 inclusief BTW bij u in rekening brengen. Dit voorschot zal in mindering worden gebracht op de einddeclaratie. Ik verzoek u vriendelijk de voorschot-factuur te voldoen vóór onze bespreking. (…)

1.4 Klager heeft het voorschot op 7 mei 2025 voldaan.

1.5 Op 8 mei 2025 hebben klager en verweerder tijdens een bespreking op het kantoor van verweerder een mogelijk plan van aanpak besproken. De visies daarover liepen uiteen zodat zij zich daarover zouden beraden.

1.6 Op 12 mei 2025:

– om 12:03 uur: heeft klager onder meer aan verweerder geschreven:

Het was donderdag een merkwaardig gesprek. Jij zoekt een oplossing in het opstellen van een nieuwe aanvraag en ik probeer jou te vertellen dat er geen oplossing is. Ik eis dat het College het antwoord geeft binnen het gestelde termijn van 8 weken, wetende dat ze dat niet gaan doen omdat [V] een meer dan corrupte ambtenaar is. [V] heeft nog maar een doel. Hij zal doorzetten om mij te breken. [V] weet dat het verweer van [B] bij de Raad van State onmogelijk is.

Op 9 maart 2021 er een besluit genomen om mijn aanvraag te weigeren en is een onwettige eis opgelegd om die onwettige nieuwe aanvraag in te dienen. Dat besluit ligt bij de Raad van State. Maar [B] heeft op 8 juni 2023 [S] c.s. laten verklaren dat ik de enige en juiste aanvraag heb ingediend op 3 maart 2021.

Hoe ga jij deze klem omzeilen, als [S] de klem is.

Ik heb het enorme dossier nog een keer handzaam samengevat op deze klem. Ik kan me op papier beter uiten, dan in mijn woede en verdriet. Zelfs bij een advocaat die luistert. Hopelijk vermijd het dat jij de brieven en bijlagen die je al hebt nog een keer moet doorspitten. Gebruik ze als naslagwerk en vraag andere documenten op als jij dat nodig acht.

Het is een juridische peulenschil als jij [S] de juiste paar vragen stelt en zijn antwoorden in een brief samenvat aan het College. Meer heb ik niet van je nodig om het College het onmogelijk te maken in een eventueel vervolg bij de voorzieningen rechter en Raad van State.

– om 17:35 uur: heeft verweerder onder meer aan klager geschreven:

Gaan wij een advocaat-cliënt relatie aan?

Tijdens onze bespreking van afgelopen donderdag heb ik jou aangegeven te betwijfelen of ik jouw eventuele opdracht tot rechtsbijstand wel moet aannemen. Ik acht de kans namelijk aanwezig dat ik mij op enig moment in de loop van de zaak dien terug te trekken als jouw advocaat, omdat wij een (onoverbrugbaar) verschil van inzicht zullen hebben over het (verdere) plan van aanpak. Er is mij veel aan gelegen om dat te voorkomen, (…). Ik heb jou daarom oom nadrukkelijk in overweging gegeven jezelf af te vragen of ik wel de juiste advocaat voor je ben.

Ik heb je ook aangegeven dat áls ik jouw opdracht aanneem, ik dit enkel zal doen onder bepaalde voorwaarden. Deze voorwaarden vermeld ik hier:

– Mijn rechtsbijstand aan jou ziet enkel op het voornemen van 7 februari 2025 tot de oplegging van een last onder dwangsom aan jou. (…)

– Ik heb je aangegeven van oordeel te zijn dat ik verwacht je enkel succesvol bij te kunnen staan als mijn bijstand plaatsvindt conform het plan van aanpak dat ik voor ogen heb en met je gedeeld heb. Dit plan van aanpak houdt in dat je op enig moment een nieuwe vergunningsaanvraag bij de gemeente indient. (...) Ik stel ook als voorwaarde dat je bereid bent om op deze manier naar een definitieve oplossing te zoeken, waarbij ook van jou gevraagd zal worden water bij de wijn te doen. (…)

Resumerend ben ik bereid om onder de hiervoor vermelde voorwaarden een eventuele opdracht voor (verdere) rechtsbijstand van jou aan te nemen. Houd er rekening mee dat ik bij een eventuele opdracht voor (verdere) rechtsbijstand een aanvullend voorschot zal verlangen. Naar mijn verwachting zal dit € 1.750,00 excl BTW bedragen.

Reactie op jouw brief van eerder vandaag

(…)

- Ik concludeer niet dat je een nieuwe vergunningsaanvraag moet indienen. Je moet van mij niets; je maakt zelf de keuzes die naar jouw mening in jouw belang zijn. Maar als je wil dat ik ga optreden als jouw advocaat, stel ik wél de voorwaarde dat je bereid bent om op enig moment een nieuwe vergunningsaanvraag in te dienen. Als de bereidheid hiertoe ontbreekt, ben ik niet de juiste persoon om jouw advocaat te zijn. (…)

- Als je meent een advocaat nodig te hebben die de gemeente dwingt een inhoudelijke reactie te geven op het repliek, ben ik voor deze kwestie niet de juiste persoon om jouw advocaat te zijn. (…)

Telefoongesprek met [S]

Zoals afgelopen donderdag afgesproken, heb ik eerder vanmiddag contact opgenomen met [S]. Ik vermeld de belangrijkste zaken die wij besproken hebben: (…)

- Ik heb met [S] besproken dat wij in principe uiterlijke aanstaande maandag weer contact hebben. Hopelijk weten we van beide kanten dan meer. Het ligt voor de hand dat een last onder dwangsom in ieder geval niet aan jou wordt opgelegd zolang we een oplossing aan het verkennen zijn, en totdat de gemeente een beslissing heeft kunnen nemen op een eventuele nieuwe vergunningsaanvraag. (…)

1.7 In reactie hierop heeft klager op 14 mei 2025 aan verweerder onder meer geschreven:

ik hoop dat je met dezelfde zorgvuldigheid mijn brief leest, als waarmee ik het heb opgesteld. Maar zorgvuldig was ik al vanaf 3 maart 2021.

Ik dank je nu al voor je inzet. Hier ligt de blauwdruk van mijn verdediging bij de Raad van State. Daar kwam ik pas achter na de laatste correcties. Het is tevens de blauwdruk voor een verdediging bij een voorzieningenrechter als het College in al haar onwetendheid gaat handhaven. Deze gemeente heeft van A tot Z niet door wat zij zelf verklaard, door een totaal gebrek aan sturing. Alles bij deze gemeente in deze zaak, hangt van los zand aan elkaar. Er is geen regie. Niemand is het gelukt de wethouder aan te spreken. [V] laat zich door niemand aanspreken. Bij elke andere wethouder was dit gedrocht van 4000 pagina's nooit ontstaan.

Maar iemand zal nu moeten doordringen tot [S] om te verhoeden dat wij allen op onze eigen manier blijven trekken aan het dode paard. Dat geldt ook voor mijn advocaat. Ik heb je bemiddeling nodig als mijn advocaat. Het voornemen is het dode paard. Dode paarden moeten begraven worden voordat ze stinken.

1.8 In zijn e-mail van 14 mei 2025 heeft verweerder klager geïnformeerd de opdracht tot rechtsbijstand niet aan te zullen nemen en daarover onder meer geschreven:

Ik acht het niet opportuun te reageren op de stellingen die je in je brief inneemt over mijn rol als advocaat, mijn werkzaamheden en het contact dat ik met [S] heb gehad. Ik volsta met de mededeling dat ik op basis van mijn deskundigheid en mijn partijdigheid als advocaat één haalbaar plan van aanpak zie. Dat plan van aanpak heb ik met je besproken en als voorwaarde aan mijn rechtsbijstand gesteld.

Ik stel op basis van onze bespreking van afgelopen donderdag en jouw brief van vandaag vast dat wij samen niet tot een plan van aanpak zijn gekomen dat voor ons beiden aanvaardbaar is. Het gevolg hiervan is dat ik jouw (eventuele) opdracht tot rechtsbijstand niet kan aannemen. Dat vind ik jammer, want ik had er goede hoop op dat we op de voorgestelde wijze tot een oplossing zouden kunnen zijn gekomen die weliswaar van beide partijen verlangd zou hebben water bij de wijn te doen, maar die uiteindelijk ook voor jou wellicht aanvaardbaar zou kunnen zijn. En eerlijk gezegd denk ik dat het voordeel van een definitieve oplossing voor jou er vooral in gelegen zou zijn dat de je deze kwestie eindelijk kunt afsluiten en de rust in je leven terugkeert.

Ik zal [S] aangeven dat ik niet als jouw advocaat zal gaan optreden. Ik adviseer je een andere advocaat aan te zoeken, met wie je wél tot een plan van aanpak kunt komen dat voor beiden aanvaardbaar is.

1.9 In zijn brief van 18 mei 2025 heeft klager verweerder onder andere geïnformeerd dat hij een klacht tegen hem zou indienen bij de deken, verweerder daarnaast verzocht om excuses aan te bieden en om het voorschot van € 750,- terug te betalen.

1.10 Op 20 mei 2025 heeft verweerder onder meer aan klager geschreven dat eerst de interne klachtenregeling dient te worden doorlopen. Ook heeft hij toegelicht dat hij een zakelijk telefonisch overleg met S heeft gehad in het belang van klager, er geen reden is voor excuses, en mogelijk nog een einddeclaratie zal volgen omdat het voorschot onvoldoende was.

1.11 Op 4 juni 2025 heeft klager over verweerder een klacht ingediend bij de deken.

1.12 Op 24 juni 2025 heeft verweerder aan klager een einddeclaratie gestuurd voor de verrichte werkzaamheden, waarop het voorschot in mindering strekte.

 

2 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) niet conform de afspraken met klager te handelen;

Toelichting: Bij aanvang van de rechtsbijstand heeft klager aan verweerder gevraagd een brief aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente te schrijven met het verzoek om binnen acht weken het repliek van klager van 17 februari 2025 te beantwoorden op het voornemen tot handhaven van het College van 7 februari 2025. Volgens klager wordt dat repliek achtergehouden door de ambtenaar. In plaats van het schrijven van de brief heeft verweerder telefonisch overleg met S gehad en tijdens dat informele gesprek zonder toestemming van klager een ‘Trump deal’ voor klager gesloten. Door die deal zal de ambtenaar de onwettige last op dwangsom zonder proces en procedure bij het College opleggen. Klager heeft verweerder nooit gevraagd om oplossingen. Verweerder heeft klager bovendien op 12 mei 2025 met dreigementen gesommeerd om een onwettige vergunningsaanvraag bij de gemeente in te dienen, waarbij wordt gedreigd met de hoogst mogelijke last op dwangsom en eventueel strafrechtelijke vervolging als klager die aanvraag niet indient. Klager wordt door de deal van zijn eigen advocaat met S gedwongen om te voldoen aan de onwettige eisen van S, terwijl klager die aanvraag feitelijk niet kan indienen omdat er aan de gevel niets is veranderd;

b) partijdig voor de gemeente te zijn en ondeskundig, onethisch en niet integer richting klager als zijn cliënt te zijn en daarvoor geen excuses te maken;

Toelichting: Vanaf het begin van de rechtsbijstand heeft verweerder niet de belangen van klager gediend en klager ook belangrijke informatie onthouden. Verweerder was niet integer en nooit onafhankelijk en weigerde openheid van zaken te geven over zijn overleg met de hem bekende ambtenaar S. Verweerder heeft vertrouwelijke informatie met de wederpartij gedeeld en zich ook ongepast over klager uitgelaten en weigert zich voor zijn handelen bij klager te verontschuldigen;

c) tegen de afspraken in een aanvullend bedrag aan klager in rekening te brengen.

Toelichting: Volgens klager was afgesproken dat de kosten van verweerder niet hoger zouden zijn dan het door klager aan verweerder betaalde voorschot van € 750,-. Verweerder heeft in zijn e-mail van 20 mei 2025 gedreigd met een aanvullende rekening en die op 24 juni 2025 ook aan klager in rekening gebracht.

 

3 VERWEER

Verweerder heeft verweer gevoerd en ter onderbouwing daarvan verwezen naar de door hem met klager gevoerde correspondentie, opgenomen onder de feiten hiervoor.

 

4 BEOORDELING

4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.

4.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de voorzitter als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

4.3 De voorzitter ziet aanleiding om de klachten vanwege hun samenhang gelijktijdig te beoordelen aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf.

4.4 Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat na eerder telefonisch contact op 1 mei 2023 en de e-mail van verweerder van 3 mei 2025 op 8 mei 2025 een intakegesprek met klager heeft plaatsgevonden. Volgens verweerder is tijdens dat overleg na gebleken afwijkende visies op het plan van aanpak afgesproken dat klager en hij daarop later zouden terugkomen maar verweerder in de tussentijd contact zou zoeken met S, de behandelaar van de gemeente om te informeren naar de stand van zaken. Vast staat dat dit telefoongesprek op 12 mei 2025 tussen verweerder en S heeft plaatsgevonden en verweerder klager daarover diezelfde dag per e-mail heeft geïnformeerd. Of klager heeft ingestemd met dat telefoongesprek met S kan in het midden blijven. Niet is gebleken dat verweerder in dat telefoongesprek voor klager bindende afspraken - een deal - heeft gemaakt of anderszins de belangen van klager heeft geschaad door op de hand van de gemeente te zijn geweest. Klager heeft dat verwijt, tegenover de betwisting door verweerder, ook niet concreet onderbouwd.

4.5 Uit de verdere inhoud van genoemde e-mail van 12 mei 2025 van verweerder aan klager leidt de voorzitter niet af dat hij klager daarin heeft gesommeerd om een vergunningsaanvraag in te dienen. Wat daaruit wel volgt is dat het indienen van een vergunningsaanvraag op enig moment wel een voorwaarde voor verweerder was om de opdracht voor klager aan te willen nemen. Zover is het niet gekomen omdat verweerder op 14 mei 2025 aan klager heeft bericht zijn opdracht niet aan te zullen nemen omdat klager niet aan de gestelde voorwaarden wilde voldoen.

4.6 Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder op zorgvuldige en deskundige wijze in heldere bewoordingen met klager gecommuniceerd over de inhoud van de eventuele opdracht, de eventuele kosten daarvan en over de voorwaarden die verweerder aan het aannemen van de opdracht stelde. Dreigend of onnodig grievend taalgebruik door verweerder richting klager blijkt niet uit de stukken. Evenmin volgt daaruit dat verweerder zich niet integer of onethisch heeft gedragen. Klager heeft die ernstige verwijten tegenover de betwisting daarvan door verweerder, ook geenszins inzichtelijk gemaakt.

4.7 Klager stelt dat hij met verweerder een prijsafspraak heeft gemaakt, inhoudende dat de kosten van de werkzaamheden van verweerder maximaal het betaalde voorschot zouden zijn. Naar het oordeel van de voorzitter heeft klager dit verwijt, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet concreet onderbouwd en ook niet aannemelijk gemaakt. Vast staat dat verweerder in zijn e-mail van 3 mei 2025 klager heeft geïnformeerd over de te verwachten kosten van zijn werkzaamheden en tijdsbesteding van maximaal vier uren voor het intakegesprek en de voorbereiding daarvan. Verweerder heeft in zijn e-mail van 20 mei 2025 klager erop gewezen dat het ontvangen voorschot zijn kosten niet dekte en nog een einddeclaratie zou volgen. Volgens verweerder heeft hij in de einddeclaratie van 24 juni 2025 het voorschot verrekend en in totaliteit 3,6 uren aan werkzaamheden aan klager in rekening gebracht. Daarmee is verweerder ook binnen de geraamde urenbesteding gebleven.

4.8 Op grond van het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat niet gebleken is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder. Dat betekent dat de voorzitter de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond zal verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht in alle onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.

 

Griffier                                                                     Voorzitter

 

Verzonden op: 11 mei 2026