Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

11-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:116

Zaaknummer

26-185/AL/MN

Inhoudsindicatie

voorzittersbeslissing van klacht tegen een deken. Niet is gebleken dat verweerster haar taak als deken verwaarloosd heeft doordat zij op 27 januari 2022 niet aanwezig was bij de civiele beslaglegging onder klager als voormalig bestuurder van een stichting, dat was gevestigd op hetzelfde adres als het advocatenkantoor van verweerder. Geen (rechts)regel verplicht een deken daartoe. Nu de afwezigheid van verweerster ten tijde van de beslaglegging onder klager het vertrouwen in de advocatuur niet heeft geschaad. Naar het oordeel van de voorzitter kan het optreden van de deurwaarder op 27 januari 2022 of het handelen van de nieuwe bestuurder van de stichting verweerster niet worden aangerekend. Daar stond zij immers buiten. Op verzoek van de nieuwe bestuurder van de stichting heeft verweerster een praktisch voorstel gedaan om een oplossing te vinden vanwege de patstelling tussen klager en de bestuurder over de inbeslaggenomen administratie. Klager heeft er om hem moverende redenen voor gekozen om van dat aanbod geen gebruik te maken. Niet valt in te zien in welke zin door het optreden van verweerster het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Ook overigens oordeelt de voorzitter de klachten kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 11 mei 2026

in de zaak 26-185/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over

 

verweerster

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 5 maart 2026 met kenmerk 256317.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Bij beschikking van 21 januari 2022 heeft de rechtbank Den Haag op verzoek van het Openbaar Ministerie klager hangende een onderzoek geschorst als (toen enig) bestuurder van de Monumentenstichting [naam stichting] (hierna: de Stichting). Mr. U is benoemd als tijdelijk nieuwe bestuurder en heeft onder meer de opdracht gekregen om een onderzoek in te stellen naar het (financiële) beleid en de gang van zaken bij de Stichting.  

1.2 Bij beschikking van 25 oktober 2022 heeft de rechtbank Den Haag klager als bestuurder van de Stichting ontslagen met benoeming van mr. U tot bestuurder van de Stichting. Deze beschikking is op 19 december 2023 door het gerechtshof Den Haag bekrachtigd.  

1.3 De Stichting was gevestigd op het adres van het advocatenkantoor van klager. Na zijn benoeming als bestuurder heeft mr. U het vestigingsadres van de Stichting gewijzigd naar een ander adres.

1.4 Op 26 januari 2022 om 16:55 uur heeft mr. S namens mr. U aan verweerster in haar hoedanigheid van deken een kopie gestuurd van het beslagrekest (zonder bijlagen) dat die dag door mr. U bij de rechtbank was ingediend en daarover geschreven:

De reden voor toezending is dat het verlof wordt gevraagd om beslag te mogen leggen mede op een locatie die (mogelijk) is aan te merken als een kantoorlocatie van [klager]. Er wordt (uitdrukkelijk) geen beslag gelegd onder [klager] in zijn hoedanigheid van advocaat, maar in zijn hoedanigheid van (voormalig) bestuurder van een Stichting. Op verzoek van het Openbaar Ministerie is [klager] als bestuurder van deze Stichting geschorst, met aanstelling van mijn kantoorgenoot [mr. S] als (tijdelijk) bestuurder. [Klager] is (nog) niet van zijn schorsing op de hoogte gesteld.

Omdat het hier een beslag betreft onder een advocaat, zij het niet in die hoedanigheid, wordt dit verzoekschrift ter vertrouwelijke kennisname toegestuurd.

1.5 Op 27 januari 2022 heeft de deurwaarder zich gemeld bij het kantooradres van klager. Klager, bijgestaan door zijn advocaat mr. B, heeft aan het verzoek van de deurwaarder tot afgifte van de administratie van de Stichting zijn medewerking verleend. De door de deurwaarder meegenomen administratie is in drie verhuisdozen naar het kantoor van mr. U gebracht.

1.6 Op 31 januari 2022 heeft klager aan het info-e-mailadres van het kantoor van verweerster, met mr. B in CC, onder meer geschreven:

Ik wend mij tot U inzake een doorzoeking met braak in mijn advocatenkantoor op donderdag 27 januari jl. in opdracht van confrère mr. [U], advocaat te [plaats].

(…)

Mijn vraag aan U is wat aan U nu precies is medegedeeld door (het kantoor van) mr. [U] omdat voor U in dit soort situaties de verplichting bestaat om bij zodanige doorzoekingen persoonlijk aanwezig te zijn.

(…)

Nog steeds is onduidelijk of mr. [U] hiervoor wel over het vereiste rechterlijk verlof beschikte. Voorshands moet het ervoor worden gehouden dat mr. [U] deze doorzoeking op niet geoorloofde wijze heeft laten plaatsvinden.

Los hiervan diende U bij deze doorzoeking sowieso aanwezig te zijn. Het staat vast dat zulks niet het geval is geweest.

Ik wens de in opdracht van mr. [U] weggevoerde drie verhuisdozen met dossiers, waaronder nog lopende zaken, op dinsdag 1 februari a.s. van hem terug te ontvangen en ik verzoek U, indien nodig, daarin te willen bemiddelen.

Mogelijk zout U zich met mr. [U] kunnen verstaan.

Mijn bespreking met hem zal dinsdag 1 februari a.s. te 11.00 uur plaatsvinden.

Gaarne van U vernemend.

1.7 Op 1 februari 2022 is het door de rechtbank toegewezen verzoek tot beslaglegging van onder meer de administratie van de Stichting aan klager betekend.

1.8 Op 2 februari 2022 heeft mr. S namens de Stichting in een e-mail aan verweerster gevraagd om bemiddeling omdat door klager en zijn advocaat mr. B tijdens een gesprek met onder meer mr. U op 1 februari 2022 alsnog bezwaar is gemaakt tegen het meenemen van de administratie van de Stichting op 27 januari 2022. Deze e-mail is door mr. S ook aan mr. B gestuurd.

1.9 Op 3 februari 2022 heeft mr. S namens mr. U aan mr. B geschreven:

Naar aanleiding van het verzoek om bemiddeling aan de Deken kreeg ik onderstaande reactie van de Deken. Het is een praktische gedachte van de Deken waarmee mr. [U] uit de voeten kan.

Mr. [U] stelt u en/of uw cliënt [klager] in de gelegenheid om maandag a.s. tussen 14:00 en 16:00 uur de in mijn brief aan de Deken bedoelde verhuisdozen op ons kantoor door te nemen en (mogelijk) verschoningsgerechtigde stukken daaruit te halen en apart te leggen voor beoordeling door de Deken. (…)

1.10 Op 4 februari 2022 heeft mr. S aan mr. B, en mr. U in de CC en later doorgestuurd aan verweerster, onder meer geschreven:

In ons overleg hebt u aangegeven dat als [de Stichting] geen kopie aan u toestuurt van het beslagverlof dat ziet op de administratie (kort gezegd); (…)

Waar hem de schoen volgens [klager] wringt is de titel op grond waarvan de administratie is meegenomen.

Ik heb (herhaald; zie mijn brief aan de Deken en) aangegeven dat de administratie vrijwillig door [klager] is afgestaan. Dat wordt door u betwist. (…)

Maken u en/of [klager] geen gebruik van de geboden gelegenheid dan gaat mr. [U] er vanuit dat [klager] zijn bezwaar (…) tegen afgifte van de administratie prijs geeft. (…)

Klager en mr. B zijn hier niet op ingegaan.

1.11 Op 22 januari 2025 is onderhavige klacht ontvangen door de Orde van Advocaten van Den Haag. Op 27 januari 2025 heeft een medewerker van het Bureau Haagse Orde van Advocaten de klacht per e-mail aan het Hof van Discipline doorgestuurd met het verzoek om verwijzing van de klachtzaak naar een andere deken voor onderzoek en behandeling. Bij beslissing van 6 februari 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline die klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland. 

 

2 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

ondanks tevoren op de hoogte te zijn gesteld van het voornemen van mr. U om klagers advocatenkantoor aan een doorzoeking te onderwerpen, te verzuimen om bij die doorzoeking op 27 januari 2022 aanwezig te zijn; op het door klager in de ochtend van 27 januari 2022 aan de secretaresse van verweerster gedane dringende telefonische verzoek om haar bijstand bij de overval op klagers advocatenkantoor, daaraan geen gehoor te hebben gegeven en zelfs niet te hebben gereageerd; er geen zorg voor te hebben gedragen dat de procesdossiers die door de vertegenwoordiger van mr. U op 27 januari 2022 uit klagers kantoor zijn meegenomen, in drie verhuisdozen, door mr. U aan klager in goede orde te laten teruggeven; niet te reageren op de e-mail van klager van 31 januari 2022.

 

3 VERWEER

De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4 BEOORDELING

Maatstaf

4.1 Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

Klachtonderdeel a)

ondanks tevoren op de hoogte te zijn gesteld van het voornemen van mr. U om klagers advocatenkantoor aan een doorzoeking te onderwerpen, te verzuimen om bij die doorzoeking op 27 januari 2022 aanwezig te zijn;

Toelichting van klager

4.2 Op 27 januari 2022 is klager overvallen door de doorzoeking van zijn advocatenkantoor door een deurwaarder en anderen onder het voorwendsel dat volgens de Stichting zich op die locatie meubilaire goederen en/of administratie van de Stichting zouden bevinden. Na aankomst van klager was er al toegang verschaft tot zijn kantoorpand en waren al dossierkasten en bureauladen doorzocht. Klager, die kort daarna is bijgestaan door zijn advocaat mr. B, heeft op het verzoek van de vertegenwoordiger van mr. U om de administratie van de Stichting af te geven, aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben en heeft daaraan vervolgens meegewerkt. Klager betwist dat hij toen ook toestemming heeft gegeven om een willekeurig aantal dossiers betreffende de door hem ten behoeve van de Stichting gevoerde procedures in verhuisdozen te stoppen en mee te nemen. Verweerster heeft hierin haar taak als deken verwaarloosd. Zij wist enige dagen voor 27 januari 2022 dat een doorzoeking in zijn advocatenkantoor zou plaatsvinden, dan wel had zij navraag naar die datum moeten doen. Was verweerster meteen bij die doorzoeking op 27 januari 2022 aanwezig geweest, dan had de doorzoeking volgens klager op de voorgewende grond nimmer plaatsgevonden althans waren geen procesdossiers van hem meegenomen. Verweerster is ten onrechte niet bij de doorzoeking aanwezig geweest. In dit geval was er volgens klager meer sprake van een strafrechtelijke doorzoeking, op instigatie van het Openbaar Ministerie op een advocaat en forceren van de toegangsdeur in aanwezigheid van politie, en dus niet van een ‘normale civiele’ beslaglegging. Dat had voor verweerster des te meer reden moeten zijn om daarbij aanwezig te zijn.

Verweer van verweerster

4.3 Na ontvangst van de e-mail van 26 januari 2022 van mr. S namens mr. U heeft de stafjurist op haar verzoek in de ochtend van 28 januari 2022 contact met mr. S opgenomen. Mr. S heeft daarop laten weten dat klager op 27 januari 2022 vrijwillig medewerking had verleend om de administratie van de Stichting aan de deurwaarder mee te geven en het niet nodig was geweest om het verkregen verlof van de voorzieningenrechter te gebruiken.

4.4 Klager had ten aanzien van de administratie van de Stichting geen verschoningsrecht, zodat verweerster om die reden niet op 27 januari 2022 bij de doorzoeking aanwezig had moeten zijn. Ook bij gebrek aan wetenschap omtrent de datum van de voorgenomen beslaglegging, kon van verzuim van haar kant geen sprake zijn.

4.5 In dit geval was volgens verweerster geen sprake van een strafrechtelijke doorzoeking maar van (een voornemen om) een civielrechtelijk beslag te doen leggen onder klager in zijn hoedanigheid van (voormalig) bestuurder van de Stichting op de inventaris/administratie van de Stichting. Verweerster wijst erop dat het Openbaar Ministerie enkele civiele taken buiten het strafrecht heeft, waaronder het houden van extern toezicht op rechtspersonen. In dat kader heeft het Openbaar Ministerie de rechtbank gevraagd om klager als bestuurder van de Stichting te ontslaan en mr. U te benoemen. Het betrof daarna geen beslag ‘onder een advocaat’ en zag verder niet op afgifte van verschoningsgerechtelijke stukken, waarbij de betrokkenheid van de deken wel nodig was geweest. Niet het Openbaar Ministerie, maar de door de rechtbank benoemde bestuurder van de Stichting heeft besloten om ten laste van klager civiele beslagmaatregelen te doen treffen.

Beoordeling van de voorzitter

4.6 Niet is gebleken dat verweerster haar taak als deken verwaarloosd heeft doordat zij op 27 januari 2022 niet aanwezig was bij de civiele beslaglegging onder klager als voormalig bestuurder van de Stichting, gevestigd op hetzelfde adres als het advocatenkantoor van verweerster. Geen (rechts)regel verplicht een deken daartoe. Nu de afwezigheid van verweerster ten tijde van de beslaglegging onder klager het vertrouwen in de advocatuur niet heeft geschaad, wordt klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

op het door klager in de ochtend van 27 januari 2022 aan de secretaresse van verweerster gedane dringende telefonische verzoek om haar bijstand bij de overval op klagers advocatenkantoor, daaraan geen gehoor te hebben gegeven en zelfs niet te hebben gereageerd;

4.7 Naar het oordeel van de voorzitter heeft klager dit verwijt, tegenover het standpunt van verweerster dat haar secretaresse op haar advocatenkantoor die ochtend geen telefonisch contact met klager heeft gehad, onvoldoende concreet onderbouwd. Nu een feitelijke grondslag aan dit verwijt ontbreekt, wordt klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel c)

er geen zorg voor te hebben gedragen dat de procesdossiers die door de vertegenwoordiger van mr. U op 27 januari 2022 uit klagers kantoor zijn meegenomen, in drie verhuisdozen, door mr. U aan klager in goede orde te laten teruggeven;

Toelichting van klager

4.8 In aanwezigheid van zijn advocaat is klager op 27 januari 2022 door de deurwaarder onder druk gezet met de opmerking dat als hij niet zou schikken, alle in het kantoor aanwezige dossiers zouden worden meegenomen. Onder die omstandigheden zag klager geen andere mogelijkheid om zich nog langer zinvol te verzetten. De daarna meegenomen procesdossiers zijn echter eigendom van klager als advocaat van de Stichting en vielen niet onder ‘de administratie’ van de Stichting. Die stukken zijn dan ook wederrechtelijk meegenomen en worden wederrechtelijk door mr. U in bezit gehouden, ook omdat de beschikking met betrekking tot de ‘administratie van de Stichting’ niet aan klager was betekend. Volgens klager had het op de weg van verweerster gelegen om dit aan mr. U duidelijk te maken en mr. U dringend te adviseren om de dozen met procesdossiers aan klager te laten bezorgen. Klager is op goede gronden daarna niet ingegaan op het bemiddelingsvoorstel van verweerster, omdat er al geen basis was voor de deurwaarder om die stukken mee te nemen.

Verweer van verweerster

4.9 Klager en mr. U verschilden van mening over de titel op grond waarvan door de deurwaarder op 27 januari 2022 drie verhuisdozen met (proces)stukken zijn meegenomen. Op verzoek van de kantoorgenoot van mr. U om bemiddeling heeft zij geadviseerd zoals omschreven in de e-mails namens mr. U aan mr. B van 3 en 4 februari 2022. Volgens verweerster is het onbegrijpelijk dat klager niet is ingegaan op het voorstel om de drie verhuisdozen op kantoor van mr. U door te nemen.

Beoordeling van de voorzitter

4.10 Naar het oordeel van de voorzitter kan het optreden van de deurwaarder op 27 januari 2022 of het handelen van (het kantoor van) mr. U verweerster niet worden aangerekend. Daar stond zij immers buiten. Op verzoek van mr. U heeft verweerster een praktisch voorstel gedaan om een oplossing te vinden vanwege de patstelling tussen klager en mr. U over de inbeslaggenomen administratie. Klager heeft er om hem moverende redenen voor gekozen om van dat aanbod van mr. U geen gebruik te maken. Niet valt in te zien in welke zin door het optreden van verweerster hierin het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Dat betekent dat de voorzitter ook klachtonderdeel c) kennelijk ongegrond zal verklaren.

Klachtonderdeel d)

niet te reageren op de e-mail van klager van 31 januari 2022;

Toelichting van klager

4.11 Volgens klager is het onbegrijpelijk dat verweerster genoemde e-mail nooit heeft beantwoord, temeer omdat daarin aan haar als deken om hulp en bijstand is gevraagd.

Verweer van verweerster

4.12 Deze e-mail is door klager naar het advocatenkantoor gestuurd waar verweerster werkt en is aan haar aandacht ontsnapt. Klager had beter via het ordebureau (opnieuw) contact kunnen zoeken. Onduidelijk is het belang van klager bij deze klacht. Verweerster heeft immers indirect alsnog op zijn e-mail gereageerd. Haar praktische bemiddelingsvoorstel is op 3 februari 2022 doorgeleid naar mr. B. Klager heeft van die mogelijkheid tot bemiddeling echter geen gebruik gemaakt.

Beoordeling van de voorzitter

4.13 Het is naar het oordeel van de voorzitter een samenloop van omstandigheden geweest waarbij klager zijn e-mail niet aan het juiste e-mailadres van verweerster heeft gestuurd, terwijl verweerster het bericht dat naar haar advocatenkantoor is gestuurd niet onder ogen heeft gekregen. Het is de voorzitter uit de stukken verder niet gebleken dat verweerster bij de uitoefening van haar taak als deken zich op dit punt zodanig heeft gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Ook klachtonderdeel d) wordt kennelijk ongegrond verklaard.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.

 

Griffier                                                                     Voorzitter

 

Verzonden op: 11 mei 2026