Rechtspraak
Uitspraakdatum
11-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:60
Zaaknummer
25-773/DB/LI
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klager verwijt verweerster dat zij hem niet naar behoren heeft bijgestaan, nu zij geen regeling met de Duitse fiscus voor klager heeft getroffen, waardoor klager schade heeft geleden. De raad oordeelt dat klager in de zaak waarop de onderhavige klacht betrekking heeft geen cliënt is geweest van verweerster. Omdat verweerster in het geschil met de Duitse fiscus niet als advocaat voor klager is opgetreden, mist het tuchtrechtelijk verwijt van klager, dat verweerster klager niet naar behoren heeft bijgestaan, omdat zij voor hem geen regeling heeft getroffen, feitelijke grondslag. Ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 11 mei 2026
in de zaak 25-773/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 27 februari 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).
1.2 Op 7 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-020 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 30 maart 2026. Verschenen zijn klager en verweerster.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 8 augustus 2021 heeft de heer M, hierna: “M”, zich tot verweersters kantoor gewend voor rechtsbijstand in een geschil met de Duitse fiscus. Bij het kantoor van verweerster zijn zowel Nederlandse als Duitse advocaten werkzaam. In deze kwestie zijn verweersters kantoorgenoten B en R de heer M gaan bijstaan. B en R zijn Duitse advocaten. De opdrachtbevestiging is op 9 augustus 2021 aan M verzonden. Vanwege verlof van verweersters kantoorgenoot R heeft H de behandeling van de zaak vanaf 20 december 2022 van R overgenomen. H is een Duitse advocaat.
2.3 In een e-mail van 30 december 2021 heeft B bevestigd dat klager niet door verweersters kantoor werd bijgestaan, maar door de heer MM van DRP.
2.4 Op 24 april 2018 is de aan klager en M gelieerde vennootschap L. B.V. in staat van faillissement verklaard. Op 16 november 2022 hebben klager en M zich gewend tot verweersters kantoor voor rechtsbijstand in een geschil met de curator. Deze zaak is in behandeling genomen door verweersters kantoorgenoten mrs. S en E. De opdrachtbevestiging in deze zaak is op 21 november 2022 verzonden aan klager en aan M.
2.5 Op 31 juli 2023 is M akkoord gegaan met een schikkingsvoorstel van de Duitse fiscus.
2.6 Op enig moment heeft tussen verweerster en M een bespreking plaatsgevonden, waarbij ook klager aanwezig was. Tijdens deze bespreking heeft M aan verweerster gevraagd of het mogelijk was om een algemene regeling te treffen.
2.7 Bij e-mail van 25 augustus 2023 heeft verweerster aan M bericht:
“Mijn Duitse kantoorgenoot de heer [H] heeft mij bevestigd dat hij de dossierbehandelaar van de Duitse belastingdienst zal benaderen en zal verzoeken om en algemene regeling overeen te komen (voor zowel jou, [klager], als [L B.V.]. Zodra ik meer informatie heb, laat ik je iets weten.”
Verweerster heeft dit e-mailbericht in cc verzonden aan klager.
2.8 Op 9 december 2024 heeft klager tegen verweerster op grond van de interne klachtenregeling een klacht ingediend bij de klachtenfunctionaris van verweersters kantoor.
2.9 Op 27 februari 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
2.10 Bij brief van 10 maart 2025 heeft de klachtenfunctionaris van verweersters kantoor aan klager bericht dat de klacht ongegrond was.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft klager niet naar behoren bijgestaan, nu zij geen regeling met de Duitse fiscus voor klager heeft getroffen, waardoor klager schade heeft geleden.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 Beoordeling
Klager verwijt verweerster dat zij hem niet naar behoren heeft bijgestaan, nu zij geen regeling met de Duitse fiscus voor klager heeft getroffen, waardoor klager schade heeft geleden. Verweerster heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Verweerster heeft in dat verband naar voren gebracht dat zij nimmer als advocaat voor klager heeft opgetreden, nu zij geen daartoe strekkende opdracht van klager heeft gekregen en aanvaard. De raad volgt verweerster in dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
5.3 Vast staat dat de opdrachtbevestiging d.d. 9 augustus 2021 enkel aan M, en niet aan klager, was gericht. Ter zitting van de raad heeft klager voorts desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat hij aan verweersters kantoor ter zake het geschil met de Duitse fiscus geen opdracht tot rechtsbijstandsverlening heeft verstrekt. Ook blijkt uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht dat enkel namens M over een minnelijke regeling is onderhandeld met de Duitse ficus en dat M op 31 juli 2023 met een schikkingsvoorstel van de Duitse fiscus akkoord is gegaan. Uit de e-mail die verweerster vervolgens op 31 augustus 2023 heeft gestuurd blijkt niets meer dan een toezegging van verweerster, dat zij op verzoek van M aan de heer H zou vragen of het mogelijk was om een algemene regeling te treffen, die niet alleen voor M, maar ook voor klager en L B.V. zou gelden. Een toezegging van verweerster dat de door M getroffen regeling met de Duitse fiscus ook voor klager zou gelden blijkt hieruit echter niet, noch blijkt hieruit dat verweerster enige opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand aan klager heeft aanvaard. Verweerster fungeerde incidenteel als tolk en gaf zo nu en dan informatie door aan haar Duitse collega’s. Verweerster heeft het geschil met de Duitse fiscus niet inhoudelijk behandeld.
5.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat klager in de zaak waarop de onderhavige klacht betrekking heeft geen cliënt is geweest van verweerster. De stelling van klager, dat hij betalingen heeft verricht aan de Duitse fiscus en / of verweersters kantoor maakt dit niet anders. Mogelijk heeft klager op gegrond van met M gemaakte afspraken betalingen verricht, maar dat dit op verzoek van of op grond van gemaakte afspraken met verweerster heeft plaatsgevonden is echter geenszins gebleken. Omdat verweerster in het geschil met de Duitse fiscus niet als advocaat voor klager is opgetreden, mist het tuchtrechtelijk verwijt van klager, dat verweerster klager niet naar behoren heeft bijgestaan, omdat zij voor hem geen regeling heeft getroffen, feitelijke grondslag. Bij gebreke van feitelijke grondslag zal de raad de klacht ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems, W.L.H. Aerts, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 11 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 11 mei 2026
