Rechtspraak
Uitspraakdatum
11-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:147
Zaaknummer
250259
Inhoudsindicatie
Klacht tegen advocaat wederpartij. Klaagster verwijt verweerder onder andere dat hij de procedure tussen klaagster en zijn cliënte heeft gefrustreerd door gebruikmaking van een offensieve processtrategie, heeft gedreigd met een tuchtklacht om klaagster en diens advocaat te beletten bepaalde informatie te delen met de door de rechter benoemde deskundige, zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten en zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift. De raad heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het hof oordeelt dat verweerder mocht afgaan op de uitlatingen van zijn cliënte en dat niet gebleken is dat er hier reden was voor verweerder om daaraan te twijfelen. Het hof is het verder eens met de beslissing van de raad en sluit zich hierbij aan. Bekrachtiging raadsbeslissing.
Uitspraak
Beslissing van 11 mei 2026
in de zaak 250259
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
gemachtigde: mr. T.A. Knijp
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Klaagster en de cliënte van verweerder hebben ten tijde van de coronacrisis samengewerkt bij (onder meer) het importeren en verkopen van testsetjes en de exploitatie van testlocaties. Tussen hen is een geschil ontstaan over de nakoming van een of meer uit de samenwerkingsovereenkomst voortvloeiende betalingsverbintenis(sen). Verweerder heeft zijn cliënte in dat geschil bijgestaan. Klaagster verwijt verweerder onder andere dat hij de procedure tussen klaagster en zijn cliënte heeft gefrustreerd door gebruikmaking van een offensieve processtrategie, heeft gedreigd met een tuchtklacht om klaagster en diens advocaat te beletten bepaalde informatie te delen met de door de rechter benoemde deskundige, zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten en zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift. De raad heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het hof is van oordeel dat verweerder mocht afgaan op de uitlatingen van zijn cliënte en dat niet gebleken is dat er hier reden was voor verweerder om daaraan te twijfelen. Het hof is het verder eens met de beslissing van de raad en sluit zich hierbij aan.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-008/A/A) een beslissing gewezen op 30 juni 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:111 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 30 juli 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
de stukken van de raad; het verweerschrift van verweerder.2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 16 maart 2026. Daar zijn de bestuurder van klaagster vergezeld door zijn broers, de gemachtigde van klaagster en verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, de bestuurder van klaagster mede aan de hand van spreekaantekeningen, die – voor zover ze zijn voorgedragen – onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
In de beslissing van de raad zijn de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door de raad vastgestelde feiten vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht.
3.2 D is enig aandeelhouder en bestuurder van klaagster. Klaagster en T.T B.V. (hierna: T), waarvan de enig aandeelhouder en bestuurder de heer C (hierna: C) is, hebben in het voorjaar 2020 een samenwerking opgezet. De samenwerking zag onder meer op het op de markt brengen van verschillende producten en diensten ten behoeve van de bestrijding van de Covid-19 pandemie, waaronder het importeren en verkopen van testsetjes en de exploitatie van testlocaties.
3.3 Op 26 april 2021 hebben klaagster en T een (tweede) samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarin de afspraken tussen klaagster en T zijn neergelegd.
3.4 Tussen klaagster en T is op enig moment een geschil ontstaan over de nakoming van een of meer uit de samenwerkingsovereenkomst voortvloeiende betalingsverbintenis(sen). Verweerder staat in dit geschil T bij. Klaagster wordt bijgestaan door mr. M.
3.5 Op 7 april 2022 heeft klaagster T gedagvaard. Klaagster stelt zich onder meer op het standpunt dat zij op basis van de samenwerkingsovereenkomsten recht heeft op betaling van (het restant van) de facturen ten aanzien van de winstuitkering en de betaling van de facturen van de door haar voorgeschoten kosten.
3.6 Op 27 juni 2022 heeft verweerder namens T een conclusie van antwoord tevens eis in reconventie genomen. Hierin schrijft hij onder meer:
“Het in de hand houden van de kosten was de verantwoordelijkheid van [D], die [C] kennelijk als een soort pinautomaat beschouwde .”
Ook schrijft verweerder: “[D] lijkt een beetje de weg te zijn kwijtgeraakt, maar heeft in elk geval flink wat boter op zijn hoofd”
3.7 Een broer van D, die voor T heeft gewerkt totdat hij zich op enig moment ziek meldde, heeft op 28 april 2022 van verweerder een brief ontvangen. Over de ziekmelding schrijft verweerder hierin: “(…) nu het erop lijkt dat uw arbeidsongeschiktheid situatief is.”
3.8 Bij tussenvonnis van 1 maart 2023 heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) overwogen, voor zover relevant:
“4.17. Vervolgens is de vraag hoe tot een correcte eindafrekening te komen.
4.18. De rechtbank is voornemens om een deskundige te benoemen omdat zij behoefte heeft aan voorlichting van een deskundige. (…)”
In rov. 4.25 heeft de rechtbank verder overwogen dat, in het belang van “een zo efficiënt mogelijk verloop van het deskundigenonderzoek en ter beperking van kosten”, partijen niet het hele procesdossier aan de deskundige ter beschikking stellen, maar dat zij zich zullen uitlaten over “de stukken/informatie waarover de deskundige in hun visie dient te beschikken.”
In rov. 5.1. heeft de rechtbank T opgedragen “binnen twee weken na de datum van dit vonnis volledige inzage te geven in dan wel toegang te verstrekken tot:
(…) - Het digitale medewerkers-uren-planning-systeem EITJE en de volledige uren- planning en de uren-uitbetaling van de medewerkers in de teststraten vanaf het begin van het gebruik van EITJE.”
3.9 Bij tussenvonnis van 7 juni 2023 heeft de rechtbank de heer O als deskundige benoemd (hierna: de deskundige). In rov. 2.11 aanhef en onder ‘g’ en rov. 2.12 van dit tussenvonnis heeft de rechtbank bepaald dat de onderzoeker toegang dient te krijgen tot het zogenaamde Eitje-account van T. In rov. 2.12 heeft de rechtbank overwogen dat het voor de deskundige “noodzakelijk [is] dat hij toegang heeft tot, dan wel afschriften verkrijgt van alle onderdelen van de administratie van het samenwerkingsverband.” In rov. 2.14 heeft de rechtbank verder overwogen: “Partijen zijn het erover eens dat voor een zo efficiënt mogelijk verloop van het deskundigenonderzoek en ter beperking van kosten, niet het hele (omvangrijke) procesdossier aan de deskundige ter beschikking hoeft te worden gesteld. Indien de deskundige meer stukken wenst te ontvangen dan in dit vonnis wordt bepaald, dient hij partijen daarom te verzoeken.”
3.10 Op 8 augustus 2023 heeft de advocaat van klaagster (mr. M) een aantal stukken met de deskundige gedeeld. Bij e-mail van eveneens 8 augustus 2023 heeft verweerder de advocaat van klager als volgt aangeschreven, voor zover relevant:
“Ik stel u in de gelegenheid de nu geüploade notitie van [D] over de valse MedJobs-facturen alsmede het stuk nadere afspraak van 19 juni 2021 (twee bestanden) met aanvullende achtergrondinformatie van [D] (een bestand) binnen een uur te verwijderen. U handelt in strijd met de gedragsregels. Ik zal de rechtbank informeren over uw handelen.
De [deskundige] verzoek ik deze stukken buiten zijn onderzoek te laten. Juist omdat [D] er een handje van heeft een stortvloed van stukken te produceren heeft de rechtbank precies bepaald welke stukken aan u zouden worden toegezonden opdat u de opdracht van de rechtbank zou kunnen uitvoeren. De hiervoor genoemde stukken horen daar niet bij.”
3.11 Bij e-mail van 3 oktober 2023 heeft verweerder aan de deskundige geschreven, voor zover relevant: “Ik kan je verder nog melden dat er contact is gelegd met Eitje, gezien de wens die jij hebt uitgesproken informatie uit Eitje in je onderzoek te betrekken. Ik hoop in de loop van de week meer te weten. Zoals jou bekend heeft Eitje geen rol gespeeld bij de facturatie door de uitzendbureaus.”
3.12 Bij e-mail van 9 oktober 2023 heeft verweerder vervolgens aan de deskundige geschreven, voor zover relevant:
“Wat betreft Eitje kan ik melden dat er contact is geweest en het mogelijk is dit programma weer open te zetten. Het programma bevat grote hoeveelheden persoonsgegevens (van personen die voor het samenwerkingsverband hebben gewerkt) die T als verwerkingsverantwoordelijke partij niet zomaar kan verstrekken door derden daar toegang toe te geven.”
3.13 Bij e-mail van 17 oktober 2023 heeft mr. M aan de deskundige geschreven, voor zover relevant:
“Zoals u bekend is, heeft de Rechtbank Amsterdam in r.o. 3.11 van haar tussenvonnis van 7 juni 2023 bepaald dat u uiterlijk drie maanden na ontvangst van het bericht dat het voorschot is betaald, een schriftelijk en ondertekend rapport dient uit te brengen. (…) De driemaandentermijn verstrijkt op 3 november 2023. (…) [Klaagster] stelt zich op het standpunt dat die vertraging wordt veroorzaakt doordat [T] herhaaldelijk nalaat binnen de door u gestelde termijnen op uw vragen te reageren zonder daar geldige redenen voor te geven (…). Ik wil u vragen de door uzelf gestelde termijnen voortaan strikt te hanteren en beide partijen te laten weten wanneer zij uw concept-rapportage mogen verwachten.”
3.14 Bij e-mail van 18 oktober 2023 heeft verweerder aan de deskundige geschreven, voor zover relevant:
“Het verwijt van [mr. M] dat T de zaak vertraagt vind ik heel onterecht. Als er een reden is waarom het deskundigenonderzoek langer duurt dan voorzien, dan is dat het feit dat [D] het verzoek van de rechtbank (r.o. 2.18) de deskundige niet ongevraagd van stukken te voorzien heeft genegeerd. Net als in de procedure voor de rechtbank brengt [D] omvangrijke notities met talloze bijlagen in, die voor het grootste deel niet relevant zijn. (…) Alleen al het afluisteren van al die geluidsbestanden (want de transcripties zijn eerder al niet betrouwbaar gebleken) kost heel veel tijd. (…) Naar mijn mening wordt het onderzoek, net als de procedure, gefrustreerd doordat [D] alle betrokkenen overspoelt met zijn notities en opnames, in plaats van dat zijn advocaat het standpunt van zijn cliënt weergeeft. Zo jaagt [D] iedereen op kosten.”
3.15 Bij brief van 15 november 2023 heeft de rechtbank partijen, onder meer, het volgende meegedeeld:
“In het kader van het deskundigenonderzoek is het aan u om te bepalen welke gegevens u nodig heeft om uw onderzoek goed te kunnen uitvoeren. U heeft voldoende uitgelegd waarom toegang noodzakelijk is tot alle gegevens (dus ook de persoons- en NAW-gegevens) in het programma Eitje (zie randnummer 3.7 van uw brief). Daarom is voldaan aan het vereiste van artikel 6 lid 1 onder f AVG dat de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde. T heeft hier tegenover onvoldoende aanknopingspunten verschaft voor het oordeel dat fundamentele rechten en vrijheden van de betrokken persoon of personen zouden moeten prevaleren boven het verschaffen van toegang. U dient dan ook toegang te krijgen tot Eitje.”
3.16 Bij e-mail van 28 november 2023 heeft verweerder de advocaat van klaagster (mr. M) en de deskundige een e-mail gestuurd, waarin hij laat weten dat klaagster volgens hem “strafbare feiten” pleegt. Verweerder verwijt klaagster dat het doen van aangifte wegens het opmaken van valse facturen van Med-Jobs “riekt naar chantage”. De e-mail luidt voor zover relevant:
“[C] is op 15 november jl. door uw cliënt [D] gebeld met de mededeling dat hij aangifte gaat doen bij de politie, kennelijk om cliënt onder druk te zetten. [D] gaf aan dat de civielrechtelijke procedure en het deskundigenonderzoek in het kader van die procedure te lang duren. Zoals u weet is het doen van een valse aangifte strafbaar, cliënt heeft zich niet aan welke strafbaar feit dan ook schuldig gemaakt. Het telefoontje van uw cliënt riekt naar chantage. Cliënten (…) houden uw cliënten (…) aansprakelijk voor de schade die zij lijden ten gevolge van mogelijke strafbare handelingen van uw cliënten zoals een valse aangifte.
Partijen zouden er naar mijn mening beter aan doen de deskundige ongestoord zijn werk te laten doen en de resultaten van het deskundigenonderzoek af te wachten.”
3.17 Bij e-mail van 5 december 2023 heeft verweerder aan de deskundige geschreven, voor zover relevant:
“Het programma Eitje werd vooral door Med-Jobs gebruikt als planningsprogramma. Bij T zit weinig kennis over Eitje, voor de beantwoording van je vragen zullen we dan ook de hulp van Eitje nodig hebben. Ik ga ervan uit dat je vragen in elk geval begin volgende week beantwoord zullen zijn.”
3.18 Op 13 maart 2024 heeft de deskundige een conceptrapport uitgebracht, waarop partijen mochten reageren en waarna de rechtbank vonnis zou wijzen.
3.19 Klaagster heeft in eerste instantie op 15 april 2024 bij de deken een klacht over verweerder ingediend. Op verzoek van de deken heeft klaagster haar klacht bondiger geformuleerd en opnieuw ingediend op 27 mei 2024.
3.20 Op 16 oktober 2024 heeft een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank. Voorafgaand aan de zitting heeft verweerder op 9 oktober 2024 bij akte een aantal stukken bij de rechtbank ingediend.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en [voor zover van toepassing, voor zover van belang], in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:
a) verweerder heeft de procedure tussen klaagster en T gefrustreerd door gebruikmaking van een offensieve processtrategie;
b) verweerder heeft gedreigd met een tuchtklacht om klaagster en diens advocaat te beletten bepaalde informatie te delen met de door de rechter benoemde deskundige;
c) verweerder heeft zich onnodig grievend uitgelaten over klaagster;
d) verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte door bij zijn akte ingediend voorafgaand aan de zitting van 16 oktober 2024 een vals stuk te voegen.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft – na uiteenzetting van het toetsingskader – het volgende geoordeeld over de verschillende klachtonderdelen.
Klachtonderdeel a) frustreren procedure door offensieve processtrategie en innemen van onjuiste stellingen
5.2 De raad heeft – na het standpunt van klaagster te hebben weergegeven – overwogen dat de onderliggende stukken onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de verwijten van klaagster in dit klachtonderdeel. Dat de onderliggende procedure lang duurt en hoge kosten voor partijen meebrengt, staat volgens de raad buiten kijf. De raad heeft echter niet kunnen vaststellen dat (uitsluitend) verweerder hiervoor verantwoordelijk moet worden gehouden, laat staan dat hem daarvan een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. De vertraging en hoge kosten houden volgens de raad evenzeer verband met gedragingen van klaagster als met die van T. Daarnaast kan verweerder naar het oordeel van de raad niet verantwoordelijk worden gehouden voor de interne gang van zaken bij zijn cliënte met betrekking tot de vertraging bij het verschaffen van toegang tot het programma Eitje door T. Deze vertraging kan niet worden toegeschreven aan handelen van verweerder. Het verwijt dat verweerder ondoelmatig, en daarmee in strijd met gedragsregel 6 lid 1, procedeert treft gelet op de door de raad genoemde feiten en omstandigheden dan ook geen doel, aldus de raad. De raad volgt klaagster evenmin in haar stelling dat verweerder in strijd met gedragsregel 8 namens T onware stellingen in het geding heeft gebracht. Het staat verweerder als advocaat van de wederpartij vrij om het standpunt van T op partijdige wijze weer te geven. Het feit dat klaagster het oneens is met de manier waarop verweerder de stellingen namens T heeft verwoord, is inherent aan het civiele geschil dat partijen verdeeld hield en nog steeds houdt. Het behoort niet tot de taak van de tuchtrechter om in het onderliggende civielrechtelijke geschil een oordeel te geven. De raad heeft geoordeeld dat klachtonderdeel a) volledig ongegrond is.
Klachtonderdeel b) - dreigen met tuchtklacht
5.3 Met betrekking tot klachtonderdeel b) heeft de raad geoordeeld dat dit klachtonderdeel niet slaagt, omdat het klachtonderdeel feitelijk ongegrond is en van klachtwaardig handelen niet is gebleken. Volgens de raad heeft verweerder onderbouwd aangevoerd dat mr. M. een stuk aan de deskundige had verstrekt, waarvan de rechtbank had beslist dat dit niet aan de deskundige zou worden verstrekt. Verweerder heeft de advocaat van klaagster verzocht dit stuk te verwijderen en hem medegedeeld dat hij handelde in strijd met de gedragsregels. Dat verweerder daarbij zou hebben gedreigd met het indienen van een tuchtklacht, blijkt volgens de raad niet uit die e-mail.
Klachtonderdeel c) - onnodig grievende uitlatingen
5.5 De raad heeft met betrekking tot klachtonderdeel c) geoordeeld dat verweerder zich jegens klaagster niet onnodig grievend heeft uitgelaten en laat de vraag of klaagster een rechtstreeks belang heeft bij het verwijt over verweerders uitlatingen aan het adres van de broer van de bestuurder van klaagster in het midden. Volgens de raad dient een advocaat zich in het algemeen te uiten in zakelijke bewoordingen en met enige distantie tot het geschil tussen de cliënt en de wederpartij (de woordkeuze moet passen in de context van het debat). Dit neemt volgens de raad echter niet weg dat een advocaat in zijn woordkeuze de eigen emoties of die van de cliënt tot uitdrukking mag brengen. Tegen de achtergrond van onderliggende procedure en de wijze waarop klaagster, op haar beurt, beschuldigingen aan het adres van T heeft geuit, kwalificeren de door verweerder gebezigde bewoordingen en uitdrukkingen niet als onnodig grievend jegens klaagster, aldus de raad.
Klachtonderdeel d) - valsheid in geschrifte
5.6 Met betrekking tot klachtonderdeel d) heeft de raad geoordeeld dat het overgelegde klachtdossier geen aanknopingspunten biedt voor de verwijten van klaagster. Volgens de raad zijn er geen aanwijzingen voor valsheid in geschrifte of andere integriteitsschendingen gebleken. De raad acht ook klachtonderdeel d) ongegrond.
5.7 De raad heeft tot slot geoordeeld dat geen van de klachtonderdelen doel treffen en dat verweerder in zijn dienstverlening aan T binnen de grenzen van het betamelijke is gebleven. Hetgeen klaagster verder naar voren heeft gebracht leidt ook niet tot een ander oordeel, aldus de raad.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
6.1 Klaagster heeft beroepsgronden tegen het oordeel van de raad gericht. De eerste beroepsgrond richt zich tegen de opstelling van het proces-verbaal van de zitting bij de raad. De overige beroepsgronden betreffen de inhoudelijke beoordeling van de raad met betrekking tot de klachtonderdelen a) tot en met d).
6.2 Klaagster heeft met betrekking tot klachtonderdeel a) aangevoerd dat de onderliggende stukken de verwijten van klaagster voldoende onderbouwen. Klaagster handhaaft daarbij haar standpunt dat verweerder de rechtbank en de deskundige heeft overladen met onware stellingen en beschuldigingen aan het adres van klaagster. Hiermee heeft verweerder gezorgd voor onnodige en exorbitant hoge kosten en voor het vertragen van de procedure. Volgens klaagster mag verweerder niet als doorgeefluik van cliënt fungeren, als hij weet dat de stellingen onwaar zijn. Verweerder had immers kennis van (bewijs)stukken en heeft ze bestudeerd. Hij heeft dan ook verklaringen gedaan ten overstaan van de rechter en de deskundige, waarvan hij op dat moment wist dat die onwaar waren, aldus klaagster. Daarnaast handhaaft klaagster haar standpunt dat verweerder de toegang voor de gerechtelijke deskundige tot de administratie (via het Eitje-account) heeft gefrustreerd, waardoor de procedure vertraging heeft opgelopen. De rechtbank heeft beslist dat T uiterlijk 15 maart 2023 inzage moest geven, dan wel toegang moest verlenen tot de administratie. In december 2023 was er nog geen toegang. Volgens klaagster heeft verweerder daarmee aantoonbaar geweigerd om een (herhaaldelijk) bevel van de rechter op te volgen en heeft hij daaraan onware stellingen ten grondslag gelegd. Het beroep op de AVG was volgens klaagster niet uit zorgvuldigheid, maar een nieuwe reden om niet mee te werken. Klaagster betwist in dat kader dat zij medeverantwoordelijk is voor de vertraging en hoge kosten.
6.3 Klaagster heeft daarnaast haar standpunt gehandhaafd dat verweerder heeft gedreigd met een tuchtklacht om klaagster en haar advocaat te beletten bepaalde informatie te delen met de door de rechter benoemde deskundige (klachtonderdeel b). Volgens klaagster heeft de rechtbank nooit bepaald dat de stukken geweigerd moesten worden. De stukken waren nog geen onderdeel van het procesdossier. Volgens klaagster dreigde verweerder wel met een tuchtklacht, gebruikte hij een aanvallende toonzetting en heeft hij klaagster (wederom) op kosten gejaagd. De tuchtklacht was bovendien kansloos omdat partijen volgens de Leidraad deskundigen ook op eigen initiatief stukken mogen toezenden en verzoeken deze te betrekken in het onderzoek, aldus klaagster.
6.4 Klaagster handhaaft verder haar standpunt dat verweerder zich onnodig grievend heeft uitgelaten (klachtonderdeel c) en dat verweerder valsheid in geschrifte heeft gepleegd (klachtonderdeel d). Volgens klaagster heeft verweerder met zijn uitlatingen de grenzen ruimschoots overschreden. Klaagster betwist dat zij zich eveneens onnodig grievend heeft uitgelaten en stelt zich daarnaast op het standpunt dat haar gedragingen er ook niet toe doen bij de beoordeling. Met betrekking tot de valsheid in geschrifte heeft klaagster aangevoerd dat er wel degelijk aanwijzingen zijn hiervoor. Verweerder verwijst in dat kader naar een overeenkomst die volgens haar zou zijn vervalst en waarvan de pagina met handtekening volgens verweerder zogenaamd zou zijn blijven steken in zijn printer.
6.5 Klaagster heeft tot slot haar standpunt gehandhaafd dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat aan hem een maatregel moet worden opgelegd.
Verweer verweerder in beroep
6.6 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
Overwegingen hof
-Bezwaren tegen het proces-verbaal van de raad
7.3 Voor zover klager bezwaren heeft geuit tegen het proces-verbaal van de behandeling bij de raad, heeft het hof daarvan kennis genomen. Bij het bezwaar gericht tegen (de inhoud van) het proces-verbaal heeft klager echter geen belang, reeds omdat hetgeen daarin staat opgenomen de beslissing van de raad (dat wil zeggen: het dictum) niet draagt. Die beslissing volgt uit hetgeen in het lichaam van de beslissing is overwogen. Het bezwaar kan mitsdien niet tot een ander dictum leiden (zie Hof van Discipline 10 juli 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:153). Het hof laat de bezwaren tegen de inhoud van het proces-verbaal dan ook buiten beschouwing.
- Klachtonderdeel a) frustreren procedure door offensieve processtrategie en innemen van onjuiste stellingen
7.4 Klaagster heeft haar standpunt gehandhaafd dat verweerder de rechtbank en de deskundige heeft overladen met onware stellingen en beschuldigingen aan het adres van klaagster. Het gaat klaagster er om dat verweerder kennis had van onderliggende (bewijs)stukken en dat hij op dat moment wist dat de stellingen die hij namens zijn cliënte innam onwaar waren.
7.5 Net als de raad is ook het hof niet gebleken dat verweerder de grenzen van de vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen heeft overschreden. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat hij tijdens de procedure bij de rechtbank slechts de standpunten van zijn cliënte heeft weergegeven. Verweerder mocht afgaan op de door zijn cliënte aan hem verstrekte informatie, tenzij hij gegronde redenen had om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Dat van dit laatste in dit geval sprake was, is gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder door klaagster onvoldoende onderbouwd. Zonder nadere toelichting kan niet worden aangenomen dat er voor verweerder aanleiding bestond om aan de door zijn cliënte aan hem verstrekte informatie te twijfelen. Verweerder mocht – mede gelet op de dynamiek tijdens de procedure – het standpunt van zijn cliënte op partijdige wijze vertolken. Het hof is met de raad van oordeel dat het feit dat klaagster het oneens is met de manier waarop verweerder de stellingen namens zijn cliënte heeft verwoord, inherent is aan het civiele geschil dat partijen verdeeld hield en houdt, en dat het niet tot de taak van de tuchtrechter behoort om over aspecten van het onderliggende civielrechtelijke geschil een oordeel te geven.
7.6 Ook voor het overige ziet het hof op basis van de beroepsgrond die is gericht op klachtonderdeel a) en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van klachtonderdeel a) te komen dan de raad. Het hof sluit aan bij de beslissing van de raad en neemt die over.
Klachtonderdelen b), c) en e) dreigen met tuchtklacht, onnodig grievende uitlatingen, valsheid in geschrifte
7.7 Met betrekking tot het dreigen met een tuchtklacht, het gestelde onnodig grievend uitlaten en de vermeende valsheid in geschrifte ziet het hof op basis van de beroepsgronden van klaagster, die louter een herhaling inhouden van eerder door klaagster ingenomen standpunten, en het onderzoek in hoger beroep evenmin aanleiding om tot een andere beoordeling van de klachtonderdelen b), c) en d) te komen dan de raad. Het hof sluit zich bij de beslissing van de raad en neemt die over.
Slotsom
7.8 De conclusie is dat het hof, evenals de raad, de klacht van klaagster in alle klachtonderdelen ongegrond acht. Het hof verwerpt het hoger beroep van klaagster en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt de beslissing van 30 juni 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 25-008/A/A.
Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. J.D. Streefkerk, V. Wolting, M. van Roosmalen en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 11 mei 2026 .
