Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:115

Zaaknummer

25-666/AL/OV

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Gedragsregel 6. Gedragsregel 24. De raad verklaart de klacht over de advocaat van de wederpartij ongegrond.  

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 4 mei 2026

in de zaak 25-666/AL/OV

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager 1

en

klager 2

tezamen ook: klagers

 

over

 

verweerster

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 18 december 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster en over mr. [V]. De klacht over mr. [V] is door de voorzitter in een voorzittersbeslissing van 17 november 2025 kennelijk ongegrond verklaard.

1.2 Op 1 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2395932 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 16 januari 2026. Daarbij waren klager [1] en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlage van verweerster van 20 oktober 2025 en de e-mail met bijlagen van klager 1 van 2 januari 2026.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Klager 1 is eigenaar van een perceel grenzend aan een strook grond van de gemeente [plaats] (hierna Gemeente).

2.2 Klager 1 en de Gemeente hebben hierover een geschil. Klager 1 wordt hierin bijgestaan door klager 2. en de Gemeente is eerst bijgestaan door mr. [V] en daarna door verweerster. 

2.3 De Gemeente heeft bij dagvaarding van 12 juli 2021 onder meer van klager 1. en de Stichting [X] (hierna X) gevorderd dat de strook grond binnen veertien dagen na betekening van het vonnis volledig ontruimd dient te zijn, onder verbeurte van een dwangsom.

2.4 In een vonnis van 6 april 2022 zijn klager 1 en [X] veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis de strook grond volledig te ontruimen, 'in het bijzonder maar niet uitsluitend door verwijdering van de pilaar, de gemetselde muur, het aluminium hekwerk, de betonbanden en de struiken te verwijderen en verwijderd te houden, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, zulks totdat in totaal een maximum van € 100.000,- is bereikt'.

2.5 In een e-mail van 11 april 2022 heeft mr. [V] klager 1 bericht over het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 6 april 2022, met het verzoek aan de veroordeling tot ontruiming van de strook grond te voldoen.

2.6 In een e-mail van 12 april 2022 heeft klager 1 aan mr. [V](onder meer) bericht dat aan de proceskostenveroordeling zal worden voldaan, maar dat tegen het vonnis van 6  april 2022 hoger beroep zal worden ingesteld.

2.7 In een e-mail van 14 april 2022 heeft mr. [V] opgemerkt dat uit de e-mail van klager 1 van 12 april 2022 wordt afgeleid dat geen gehoor zal worden gegeven aan het verzoek om aan de veroordeling te voldoen en dat betekening van het vonnis zal plaatsvinden.

2.8 In een  e-mail van 15 april 2022 heeft klager 1 aangegeven dat hij vrijwillig aan het door de Gemeente gevorderde zal voldoen.

2.9 Op 19 april 2022 heeft klager 1 in een e-mail van 19 april 2022 aangegeven dat de pilaar, de  gemetselde muur, het aluminium hek, de stuiken etc. zijn verwijderd.

2.10 Mr. [V] heeft op 25 mei 2022 klager 1 bericht over de te ontruimen strook grond, namelijk dat ondanks zijn verzoek nakoming van de veroordeling uitbleef. Vervolgens heeft hierover een e-mailwisseling tussen partijen plaatsgevonden.

2.11 In een e-mail van 1 juni 2022 heeft klager 1 aan mr. [V] geschreven:

Zou u mij een kopie van de brief willen sturen waarin de Gemeente [plaats] aangeeft dat niet volledig aan het vonnis is voldaan en dat wij dwangsommen hebben verbeurd en dat aan u is verzocht om over te gaan tot executiemaatregelen? Kortom, door ons is er geen dwangsom verbeurd en wij zullen ook niet aan uw sommatie voldoen om over te gaan tot betaling van de vermeende verbeurde  dwangsom.

2.12 Op 4 juli 2022 is klager 1 van het vonnis de rechtbank van 6 april 2022 in hoger beroep gegaan. 

2.13 Op 20 oktober 2022 heeft klager 1 de Gemeente gedagvaard in kort geding. In deze procedure heeft klager 1 onder andere een verbod gevorderd om uitvoering te geven aan de  koopovereenkomst van de strook grond en hem in de gelegenheid te stellen de strook grond alsnog te kopen. In een vonnis van 30 november 2022 zijn de vorderingen afgewezen. Daarop heeft klager 1  hoger beroep ingesteld. In een arrest van 12 maart 2024 heeft het gerechtshof het vonnis in eerste  aanleg bekrachtigd.

2.14 Na de juridische procedures heeft mr. [V] het dossier overgedragen aan verweerster, zijn kantoorgenoot, om de executie in gang te zetten. De Gemeente heeft vervolgens op 26 juli 2024  derdenbeslag gelegd ter incasso van de dwangsommen die verbeurd zijn tot het moment waarop de strook grond volledig is ontruimd, 13 juli 2022. Vervolgens heeft een e-mailwisseling  plaatsgevonden tussen verweerster en klager 1. over de inhoud van het vonnis van 6 april 2022 en het al dan niet verbeuren van dwangsommen door klager.

2.15 Op 25 juli 2023 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arrest gewezen. De  dwangsomveroordeling tegen klager 1 is in stand gebleven.

2.16 Eind juli 2024 heeft de Gemeente executiemaatregelen getroffen om de verbeurde dwangsommen te  incasseren door het leggen van executoriaal beslag op de (zakelijke) bankrekeningen van klager 1.

2.17 Klagers hebben op 18 december 2024 een klacht bij de deken ingediend.

 

3 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door in strijd met gedragsregel 6 lid 2 rauwelijks executiemaatregelen te treffen. In de richting van klager 2. is dat handelen ook strijdig met gedragsregel 24, aldus klagers.

 

4 VERWEER

Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5 BEOORDELING

5.1 De klacht heeft betrekking op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager 1. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.

5.2 De tuchtrechter toetst bij de beoordeling van een aan de advocaat verweten handelen of nalaten eveneens aan de in art. 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 

5.3 In deze klachtzaak is gedragsregel 6 lid 2 van belang. Die gedragsregel houdt in dat een advocaat is gehouden om, alvorens hij overgaat tot het nemen van rechtsmaatregelen en in het bijzonder tot het nemen van executiemaatregelen, zijn wederpartij of, zo deze wordt bijgestaan door een advocaat, die advocaat van zijn voornemen kennis te geven.

5.4 Uit de inhoud van het klachtdossier blijkt dat verweerster en haar voorganger op verschillende momenten met klagers hebben gecorrespondeerd over het verbeuren van dwangsommen en - zo nodig – het nemen van rechtsmaatregelen. Uit die stukken volgt dat de cliënte van verweerster van mening is dat klager 1. dwangsommen verschuldigd is en klager 1. van mening is dat dat niet het geval is. Klager 1 heeft in die correspondentie ook laten weten dat hij niet tot betaling zal overgaan. Verweerster is nooit op het namens haar cliënte ingenomen standpunt teruggekomen. Het kan daarom voor klagers niet als een verrassing zijn gekomen dat door verweerster de eerder aangekondigde rechtsmaatregelen zijn genomen. Gelet op deze omstandigheden was verweerster niet verplicht om -  zoals door klagers is betoogd - een laatste sommatie aan klager 1. te sturen voordat zij tot het nemen van de rechtsmaatregelen is overgegaan.

5.5 De raad is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerster niet in strijd met gedragsregel 6 lid 2 heeft gehandeld. Gelet op dit oordeel levert dit handelen van verweerster ook niet een schending van gedragsregel 24 op. De raad is dan ook van oordeel dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. G.N. Paanakker en H.J. Voors, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.

 

Griffier                                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 4 mei 2026