Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2026:59

Zaaknummer

26-242/DB/ZWB

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat in de hoedanigheid van deken. Vast staat dat klaagster reeds eerder heeft geklaagd over verweersters optreden. De voorzitter constateert in de eerste plaats dat de onderhavige klacht van gelijke aard en inhoud is en op hetzelfde feitencomplex ziet als de eerdere klacht. De raad heeft deze eerdere klacht bij beslissing van 7 april 2026 ongegrond verklaard. Klaagster heeft tegen de beslissing van de raad hoger beroep ingesteld, zodat de beslissing van de raad van 7 april 2026 nog niet onherroepelijk is geworden. Het “ne bis in idem-beginsel”, zoals vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet, staat om die reden niet aan ontvankelijkheid van de onderhavige (tweede0 klacht van klaagster niet in de weg. De voorzitter constateert in de tweede plaats dat uit het onderhavige klachtdossier geen andere – voor de beoordeling van de klacht relevante – feiten blijken dan zoals reeds door de raad vastgesteld in de genoemde  beslissing van 7 april 2026 (ECLI: NL:TADRSHE:2026:45). De voorzitter ziet in hetgeen klaagster naar voren heeft gebracht geen aanleiding om anders te oordelen dan de raad heeft gedaan in de genoemde  beslissing van 7 april 2026 (ECLI: NL:TADRSHE:2026:45).  Kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 12 mei 2026

in de zaak 26-242/DB/ZWB

 

 

klaagster

over:

 

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna: “de voorzitter”) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 23 maart 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk K25-123, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5 en van de nagekomen e-mail met bijlagen van klaagster van 7 april 2026.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klachtzaak 1 (kenmerk deken: K25-047, kenmerk raad: 25-794/DB/ZWB)

Bij e-mail van 3 juni 2025 heeft klaagster bij het Hof van Discipline een klacht tegen verweerster ingediend. Bij beslissing van 12 juni 2025 (kenmerk 250197) heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de zaak verwezen naar de deken.

1.2 Op 17 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-047 van de deken ontvangen. Dit klachtdossier is bij de raad bekend onder kenmerk 25-794/DB/ZWB.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 23 februari 2026. Verschenen zijn klaagster en verweerster, bijgestaan door mr. B, stafjurist.

1.4 Bij beslissing van 7 april 2026 (ECLI: NL:TADRSHE:2026:45) heeft de raad de klacht ongegrond verklaard. De feiten zijn in deze beslissing als volgt vastgesteld:

“(2.2) Op 27 december 2023 is een auto op klaagsters geparkeerde auto ingereden en op 21 juni 2024 is klaagster van haar fiets gevallen doordat een auto te laat had geremd. Klaagster stelt materiële en immateriële schade te hebben geleden en is van mening dat de verzekeringsmaatschappij verwijtbaar heeft gehandeld.

(2.3) Klaagster wilde optreden tegen de verzekeringsmaatschappij, maar kon geen advocaat vinden. Klaagster heeft daarom op 11 februari 2025 op de website van het Ordebureau een webformulier met een verzoek om aanwijzing van een advocaat ingediend. Klaagster heeft daarop een automatisch gegenereerde ontvangstbevestiging ontvangen.

(2.4) Bij e-mail van 15 april 2025 heeft een medewerker van het Ordebureau aan klaagster bericht dat het webformulier aan de aandacht was ontsnapt en aan klaagster aanvullende vragen gesteld. Klaagster heeft op 30 april 2025 gereageerd en de gevraagde informatie aangeleverd.

(2.5) Bij e-mail van 27 mei 2025 heeft klaagster haar ongenoegen over het uitblijven van een reactie aan verweerster kenbaar gemaakt en indiening van een klacht aangekondigd indien verweerster op 1 juni 2025 nog geen advocaat had aangewezen.

(2.6) Bij e-mail van 3 juni 2025 heeft klaagster bij het Hof van Discipline een klacht tegen verweerster ingediend. Bij beslissing van 12 juni 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de zaak verwezen naar de deken.

(2.7) Bij brief van 14 juli 2025 heeft verweerster haar excuses aan klaagster aangeboden voor de lange duur van de behandeling van het aanwijzingsverzoek en alsnog een advocaat, gespecialiseerd in de behandeling van letselschadezaken, aangewezen. Deze advocaat heeft een advies aan klaagster uitgebracht en was bereid om voor klaagster in de aansprakelijkheidskwestie(s) aan de slag te gaan, maar zag geen mogelijkheden om klaagster bij te staan in de door klaagster gewenste procedure wegens moreel verval, schending van gedragscodes en ethiek.

(2.8) Bij e-mails van 16 en 28 juli 2025 en bij brief van 4 augustus 2025 heeft verweerster klaagster uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek, waarin verweerster (nogmaals) haar excuses wilde aanbieden en wilde toelichten waarom de behandeling van klaagsters aanwijzingsverzoek zo lang had geduurd. Op 16 juli 2025 heeft verweerster klaagsters voicemail ingesproken. Op 25 september 2025 heeft de deken klaagster uitgenodigd voor een bemiddelingsgesprek, bij gelegenheid waarvan verweerster haar excuses zou aanbieden. Klaagster heeft geen van de hiervoor genoemde uitnodigingen geaccepteerd. Bij brief van 2 oktober 2025 heeft verweerster nogmaals haar excuses aangeboden aan klaagster. “

1.5 De klacht is in deze beslissing van 7 april 2026 (ECLI: NL:TADRSHE:2026:45) als volgt geformuleerd:

“De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:

Verweerster heeft klaagsters verzoek om aanwijzing van een advocaat niet op voortvarende, zorgvuldige en juiste wijze behandeld.

Toelichting:

Pas twee maanden na indiening van het verzoek om aanwijzing van een advocaat heeft klaagster van het Ordebureau een inhoudelijke reactie ontvangen. Verweerster heeft klaagsters naam verkeerd gespeld en in een voicemailbericht ook verkeerd uitgesproken. De door verweerster aangewezen advocaat sluit niet aan bij klaagsters verzoek. Het is vreemd dat verweerster lopende de klachtprocedure alsnog een advocaat heeft aangewezen en klaagster heeft uitgenodigd voor een gesprek.”

1.6 De raad heeft in de beslissing van 7 april 2026 (ECLI: NL:TADRSHE:2026:45) onder meer het volgende overwogen:

“(5.2) Vast staat dat klaagster pas na twee maanden na indiening van het aanwijzingsverzoek een inhoudelijke reactie van het Ordebureau heeft ontvangen. Met klaagster is de raad van oordeel dat dit onzorgvuldig is. Echter, er is hier sprake geweest van een onder verweersters verantwoordelijkheid gemaakte menselijke fout, waarvoor excuses zijn aangeboden en vast staat dat alsnog een advocaat is aangewezen. In de zaak waarvoor klaagster rechtsbijstand wenste, is geen (fatale) termijn verlopen. Het feit dat ten gevolge van de onder verweersters verantwoordelijkheid gemaakte fout vertraging is ontstaan in de behandeling van het aanwijzingsverzoek is naar het oordeel van de raad niet zodanig ernstig dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Hetzelfde geldt voor de onder verweersters verantwoordelijkheid gemaakte spelfout en het verkeerd uitspreken van klaagsters naam. De raad begrijpt uit de overgelegde stukken dat onder verweersters verantwoordelijkheid is verzuimd om het tussenvoegsel “van” in klaagsters achternaam te vermelden. Dit was voor klaagster kennelijk storend, maar naar het oordeel van de raad is die fout van onvoldoende gewicht om verweerster een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

(5.3) De raad acht voorts begrijpelijk dat verweerster naar aanleiding van de aan het aanwijzingsverzoek ten grondslag gelegde informatie een in letselschade gespecialiseerde advocaat heeft aangewezen. De aangewezen advocaat was bereid om met de aansprakelijkheidskwestie(s) aan de slag te gaan. Dat de aangewezen advocaat geen mogelijkheden zag om een procedure voor klaagster te voeren wegens “moreel verval, schending van gedragscodes en ethiek” kan verweerster niet tuchtrechtelijk worden verweten.

(5.4) Ook van het feit dat verweerster lopende de klachtprocedure alsnog een advocaat heeft aangewezen en klaagster heeft uitgenodigd voor een gesprek kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Verweerster heeft daarmee het aanwijzingsverzoek alsnog afgehandeld en wilde aan klaagster excuses aanbieden en een toelichting geven op de opgetreden vertraging. Dat door de aanwijzing en de uitnodiging het vertrouwen in de advocatuur is geschaad, is de raad geenszins gebleken.

(5.5) De raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de klacht ongegrond moet worden verklaard.”

1.7 Klachtzaak 2 (kenmerk deken: K25-123, kenmerk raad: 26-242/DB/ZWB)

Bij e-mail van 12 november 2025 heeft klaagster opnieuw bij het Hof van Discipline een klacht tegen verweerster ingediend. Bij beslissing van 18 december 2025 (kenmerk 250390) heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de zaak verwezen naar de deken. De deken heeft de klacht bij e-mailbericht van 23 maart 2026 met kenmerk K25-123 doorgezonden aan de raad.

 

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:

Verweerster heeft klaagsters verzoek om aanwijzing van een advocaat niet op voortvarende, zorgvuldige en juiste wijze behandeld.

Toelichting:

Pas twee maanden na indiening van het verzoek om aanwijzing van een advocaat heeft klaagster van het Ordebureau een inhoudelijke reactie ontvangen. Verweerster heeft klaagsters naam verkeerd gespeld en in een voicemailbericht ook verkeerd uitgesproken. De door verweerster aangewezen advocaat sluit niet aan bij klaagsters verzoek. Het is vreemd dat verweerster lopende de klachtprocedure alsnog een advocaat heeft aangewezen en klaagster heeft uitgenodigd voor een gesprek.

 

3 BEOORDELING

3.1 Klaagster verwijt verweerster dat zij klaagsters verzoek om aanwijzing van een advocaat niet op voortvarende, zorgvuldige en juiste wijze heeft behandeld. Klaagster heeft die klacht nader geconcretiseerd met hetgeen hierboven is weergeven onder 2.1 onder het kopje “Toelichting”.

3.2 Vast staat dat klaagster reeds eerder heeft geklaagd over verweersters optreden. De voorzitter constateert in de eerste plaats dat de onderhavige klacht van gelijke aard en inhoud is en op hetzelfde feitencomplex ziet als de eerdere klacht. De raad heeft deze eerdere klacht bij beslissing van 7 april 2026 ongegrond verklaard. Klaagster heeft tegen de beslissing van de raad hoger beroep ingesteld, zodat de beslissing van de raad van 7 april 2026 nog niet onherroepelijk is geworden. Het “ne bis in idem-beginsel”, zoals vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet, staat om die reden niet aan ontvankelijkheid van de onderhavige (tweede0 klacht van klaagster niet in de weg.

3.3 De voorzitter constateert in de tweede plaats dat uit het onderhavige klachtdossier geen andere – voor de beoordeling van de klacht relevante – feiten blijken dan zoals reeds door de raad vastgesteld in de genoemde  beslissing van 7 april 2026 (ECLI: NL:TADRSHE:2026:45). De voorzitter ziet in hetgeen klaagster naar voren heeft gebracht geen aanleiding om anders te oordelen dan de raad heeft gedaan in de genoemde  beslissing van 7 april 2026 (ECLI: NL:TADRSHE:2026:45).  Indien en voor zover klaagster het met de inhoud van die beslissing niet eens is, kan zij dit in de appelprocedure bij het Hof van Discipline naar voren kan brengen. Het aanhangig maken van een tweede klachtprocedure is daarvoor niet de aangewezen weg. Dat de deken bij het onderzoek van de eerste klachtzaak (kenmerk deken: K25-047, kenmerk raad: 25-794/DB/ZWB) de (na ontvangst van de dupliek van verweerster) door klaagster bij e-mail van 24 oktober 2025 gegeven reactie buiten beschouwing heeft gelaten, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de voorzitter blijken uit die e-mail namelijk geen andere – voor de beoordeling van de  klacht relevante – feiten en volgt uit die e-mail, noch uit klaagsters e-mail van 12 november 2025 aan het Hof van Discipline evenmin een (tuchtrechtelijk relevante) aanvulling op de klacht die reeds door de deken is onderzocht (kenmerk deken: K25-047) en door de raad is afgedaan bij beslissing van 7 april 2026 (ECLI: NL:TADRSHE:2026:45).

3.4 Voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster bestaat kortom geen aanleiding. De voorzitter komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de klacht kennelijk ongegrond moet worden verklaard.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub c Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.

 

Griffier                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 12 mei 2026