Rechtspraak
Uitspraakdatum
11-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:146
Zaaknummer
240358
Inhoudsindicatie
Klacht tegen advocaat wederpartij. Klaagster verwijt verweerder dat hij in strijd met gedragsregel 15 heeft gehandeld door zowel voor haar als (voormalig) cliënte van verweerder als voor de wederpartij op te treden in een geschil tussen hen beiden. De raad heeft geoordeeld dat de advocaat van klaagster (als voldoende gelijkwaardige partij) op uitdrukkelijke en ondubbelzinnige wijze namens klaagster heeft ingestemd met de bemiddeling door verweerder tussen klaagster en de wederpartij (gedragsregel 15 lid 4), Klaagster heeft in hoger beroep met name bezwaren gericht tegen het gedeeltelijk buiten behandeling laten door de raad van haar oorspronkelijk bij de deken ingediende klacht en heeft verzocht om terugwijzing naar de raad. Het hof ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de raad en beslist op de klacht zoals die bij de raad is voorgelegd. De in het beroepschrift geformuleerde beroepsgronden bevatten geen grief tegen het inhoudelijk oordeel van de raad, zodat dit (in beginsel) vast staat. Voorzover klaagster heeft bedoeld het hoger beroep eveneens te richten tegen de beslissing van de raad, is het hof het eens met de beslissing van de raad en bekrachtigt deze beslissing.
Uitspraak
Beslissing van 11 mei 2026
in de zaak 240358
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
gemachtigde: mr. T.A. Knijp
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Klaagster verwijt verweerder dat hij in strijd met gedragsregel 15 heeft gehandeld door zowel voor haar als (voormalig) cliënte van verweerder als voor de wederpartij op te treden in een geschil tussen hen beiden. De raad heeft geoordeeld dat de advocaat van klaagster (als voldoende gelijkwaardige partij) op uitdrukkelijke en ondubbelzinnige wijze namens klaagster heeft ingestemd met de bemiddeling door verweerder tussen klaagster en de wederpartij, zodat aan de voorwaarde voor toepassing van gedragsregel 15 lid 4 is voldaan en geen sprake is van schending van gedragsregel 15. Klaagster heeft in hoger beroep met name bezwaren gericht tegen het gedeeltelijk buiten behandeling laten door de raad van haar oorspronkelijk bij de deken ingediende klacht en heeft verzocht om terugwijzing naar de raad. Het hof ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de raad en beslist op de klacht zoals die bij de raad is voorgelegd. De in het beroepschrift geformuleerde beroepsgronden bevatten geen grief tegen het inhoudelijk oordeel van de raad, zodat dit (in beginsel) vast staat. Voorzover klaagster heeft bedoeld het hoger beroep eveneens te richten tegen de beslissing van de raad, is het hof het eens met de beslissing van de raad en bekrachtigt deze beslissing.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 24-451/A/A]) een beslissing gewezen op 4 november 2024. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2024:178 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 4 december 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerder;
- een e-mail van klaagster van 12 februari 2025 met begeleidende brief van die datum (verzoek om terugwijzing naar de raad);
- een e-mail van klaagster van 12 februari 2025 met nadere producties;
- een e-mail van verweerder van 13 februari 2025 (bezwaar tegen het indienen van nadere stukken in de e-mail van 12 februari 2025);
- een e-mail van de griffie van 24 februari 2025 met verwijzing naar artikel 4.4 van het
procesreglement;
- een e-mail van klaagster van 21 mei 2025;
- een e-mail van de griffie van het hof van 10 juni 2025;
- een e-mail van klaagster van 13 juni 2025;
- een e-mail van de griffie van het hof van 13 augustus 2025 aan partijen, waarin is medegedeeld dat het hof geen aanleiding ziet om de zaak terug te wijzen en dat de zaak op de zitting zal worden behandeld;
- een e-mail van klaagster van 13 augustus 2025;
- een e-mail van de griffie van het hof van 14 augustus 2025 met als aanvulling op de e-mail van 13 augustus 2025 dat het hof op voorhand geen aanleiding ziet om de zaak terug te wijzen en dat het verzoek daartoe op de zitting zal worden besproken;
- een e-mail van klaagster van 22 augustus 2025;
- een e-mail van de griffie van het hof van 11 september 2025 met nogmaals de mededeling dat het verzoek om terugwijzing op de zitting zal worden behandeld;
- een e-mail van klaagster van 12 september 2025 met daarin een voornemen tot het indienen van een wrakingsverzoek (m.b.t. de voorzitter;
- een e-mail van klaagster van 12 september 2025 met een aanvulling op het voorgenomen wrakingsverzoek;
- een e-mail van klaagster van 15 september 2025;
- een e-mail van de griffie van het hof (namens de voorzitter) van 17 september 2025.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 16 maart 2026. Daar is namens klaagster de bestuurder van klaagster verschenen, vergezeld door zijn broers en bijgestaan door de gemachtigde van klaagster. Verder is verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht, de gemachtigde van klaagster mede aan de hand van spreekaantekeningen, die – voorzover ze zijn voorgedragen – onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 D is enig aandeelhouder en bestuurder van klaagster. Klaagster en T.T. B.V. (hierna: T), waarvan de enig aandeelhouder en bestuurder de heer C (hierna: C) is, hebben in het voorjaar 2020 besloten een samenwerking op te zetten. De samenwerking betrof hoofdzakelijk het exploiteren van Covid-19 testlocaties in het kader van projecten zoals Testen Voor Toegang en Testen Voor Vertrek. Verweerder trad vanaf 28 december 2020 op als advocaat van T. In dat kader had verweerder zowel contact met de heer C als met de heer D.
3.3 Op 26 april 2021 hebben klaagster en T een samenwerkingsovereenkomst getekend. Met deze overeenkomst zijn de afspraken zoals die al langer golden tussen klaagster en T bestendigd.
3.4 Klaagster heeft verweerder een aantal keren ingeschakeld voor juridisch advies en andere kwesties die losstonden van T. Klaagster heeft ten bewijze hiervan een drietal facturen (van 2 september 2021, 13 oktober 2021 en 2 december 2021) overgelegd voor advieswerkzaamheden die verweerder voor klaagster heeft verricht op 25 en 26 augustus 2021, tussen 15 en 20 september 2021 en tussen 2 en 29 november 2021.
3.5 In het najaar van 2021 is tussen klaagster en T een geschil ontstaan over de betaling door T van een aantal facturen van klaagster. Op 14 maart 2022 heeft klaagster opschorting ingeroepen van haar werkzaamheden onder de samenwerkingsovereenkomst.
3.6 Bij e-mail van 20 maart 2022 heeft verweerder namens C (en met C in kopie) aan D een voorstel tot een gesprek gedaan. Verweerder schrijft D als volgt, voor zover relevant:
“[C] heeft contact met mij opgenomen in verband met de ‘ruis op de lijn’ die is ontstaan tussen jullie. [C] gaf aan dat hij het erg onplezierig vindt dat de situatie is zoals die nu is en graag escalatie van de situatie voorkomt, mede vanwege jullie positieve geschiedenis. Dat laatste onderschrijf ik: ik ken jullie gezamenlijke verleden en het zou betreurenswaardig (en onnodig) zijn als de situatie escaleert. Ik heb aan [C] aangegeven dat het mij verstandig lijkt als jullie in gesprek gaan en dat ik graag bereid ben om hierin een bemiddelende rol te hebben. (…)
Ik adviseer jullie beiden om er alles aan te doen om escalatie en een juridische procedure te voorkomen. Een procedure kan altijd nog, zo moet je het maar zien. De goede volgorde is, zeker bij mensen tussen wie vriendschap bestaat, om eerst de koninklijke weg te bewandelen. Mijn vraag aan jou is: ben je bereid tot dit gesprek en wanneer zou je beschikbaar zijn? Ik cc [C], die zelf dus al heeft aangegeven voorstander van dit gesprek te zijn.”
3.7 Bij e-mail van 21 maart 2022 (16:23 uur) heeft mr. S zich bij verweerder gesteld als de advocaat van klaagster en schrijft aan verweerder het volgende, voor zover relevant: “Ondergetekende treedt op voor [klaagster]. In antwoord op uw onderstaande e-mail [HvD: dat is voornoemde e-mail van verweerder van 20 maart 2022], bevestig ik hierbij dat mijn cliënte bereid is tot het voeren van gesprekken die zien op de eindafrekening van de samenwerking. Waar het in casu om gaat, is de financiële afwikkeling van de samenwerking die partijen hebben gevoerd op basis van de zogenoemde Samenwerkingsovereenkomst. Wat cliënte betreft, wordt deze afwikkeling zo efficiënt, goed en snel mogelijk uitgevoerd, in onderling overleg en met aanwezigheid van de financieel adviseurs.
Cliënte heeft haar bereidheid hiertoe vorige week al schriftelijk medegedeeld aan [C]. Hebt u deze e-mail ontvangen van [C]?
Cliënte heeft toen ook medegedeeld dat eerst haar openstaande facturen (…), alsmede haar openstaande kostendeclaraties overgemaakt behoren te worden per uiterlijk maandag 21 maart 2022. Ik zal u nu ook telefonisch benaderen.”
3.8 Na afloop van het gesprek heeft mr. S bij e-mail van 21 maart 2022 (17:15 uur) aan verweerder het volgende geschreven, voor zover relevant: “Mijn dank nogmaals voor het overleg zojuist en uw toezegging om als bemiddelaar het verzoek tot betaling dat [klaagster] heeft gedaan voor te leggen aan [T]. Zoals toegezegd doe ik u in de bijlage de vier onderhavige facturen toekomen. Deze zijn tevens weergegeven in het navolgende overzicht (…).
3.9 Bij e-mail van 22 maart 2022 heeft verweerder de advocaat van klaagster (mr. S), met C en D in kopie, als volgt bericht, voor zover relevant:“Geachte confrère,
Dank voor uw e-mails van gisteren en het telefonisch overleg. U verzocht mij als bemiddelaar het verzoek tot betaling van [klaagster] voor te leggen aan [T]. Dat heb ik gedaan. Ik heb hierbij direct duidelijk gemaakt dat [klaagster] via u te kennen heeft gegeven niet te willen dat ik T adviseer/bijsta in deze en dat ik dat dan ook niet zal gaan doen. Ik kan enkel als onpartijdige bemiddelaar optreden. In die hoedanigheid heb ik op uw verzoek contact opgenomen met T en in diezelfde hoedanigheid stuur ik onderstaande e-mail, met in de cc beide partijen.
In reactie op mijn mededeling dat [klaagster] betaling eist van de facturen voor een totaalbedrag van EUR 297.645,82 heeft T aangegeven hier niet mee akkoord te willen gaan. Ik heb gevraagd naar de reden daarvan. De uitleg van T maakt mij (voorlopig) duidelijk dat partijen het in elk geval op dit moment over hele andere aspecten hebben en dus langs elkaar heen communiceren. Het kan goed zijn – en dat is mijn hoop – dat een gesprek opheldering zal verschaffen en daarmee het geschil kan verkleinen/wegnemen. Ik licht dat toe.
In artikel 4 lid 5 (tweede volzin) van de Samenwerkingsovereenkomst zijn partijen het volgende overeengekomen: “Aan de hand van de informatie die omtrent de opbrengsten dan wel omtrent de verliezen uit de administratie blijkt, stellen partijen (…) voor zover vereist na verrekening over en weer, vast hoeveel partijen van elkaar te vorderen hebben. Partijen brengen de betreffende bedragen vervolgens in rekening middels factuur die aan de wettelijke vereisten voldoet en die – tenzij gemotiveerd weersproken – binnen een termijn van veertien dagen zal worden voldaan.’’
Ik stel vast dat [klaagster] facturen heeft verzonden, die T in beginsel dus binnen veertien dagen zal moeten voldoen.
De factuur volgt wel na ‘verrekening over en weer’ en hoeft bovendien niet binnen 14 dagen betaald te worden als die gemotiveerd wordt weersproken.
Ik stel vast dat T van mening is dat er verrekeningen moeten plaatsvinden en (zodoende) de factuur weerspreekt. Ik meen wel dat de weerspreking nog niet voldoende op schrift en met cijfers gemotiveerd is. Als T dus stelt op dit moment niet te willen/hoeven betalen, dan zal zij dit schriftelijk moeten onderbouwen. Tegelijkertijd kunnen partijen over basisprincipes al overleggen – zelfs voor onderbouwde cijfers – nu die niet van concrete cijfers afhankelijk zijn. Ik doel op het volgende.
T heeft gesteld dat uitbetalingen van SON voorschotten zijn, dat er onderzoeken lopen en dat het dus goed mogelijk is dat er geld terug betaald moet worden. Met andere woorden: dat de winst lager zou kunnen uitpakken dan eerder of op enig moment gedacht en dat om die reden uitbetaling van het gevorderde bedrag onterecht zou zijn.
[Klaagster] heeft in de persoon van [mr. S] gewezen op artikel 4 lid 2 van de Samenwerkingsovereenkomst tussen partijen, in welke is bepaald dat [klaagster] alleen dient bij te dragen in verliezen tot een maximum van EUR 100.000,-.
Partijen hebben het echter over iets anders, althans zo lijkt het dus. Uit de mij beschikbare informatie kan ik niet opmaken dat T het bestaan of de uitleg/implicaties van artikel 4 lid 2 betwist en dus dat [klaagster] tot maximaal EUR 100.000,- aan verliezen participeert. Ik ga daar voorshands ook niet vanuit. Genoemd artikel is dus niet relevant voor het punt dat T lijkt te willen maken m.b.t. tegenvallende winsten. Gelukkig heeft het er alle schijn van dat de projecten die vallen onder de Samenwerkingsovereenkomst, bij eindafrekening worden afgesloten met winst. Dat betekent dat partijen ‘simpelweg’ de opbrengsten van hun samenwerking op de voet van artikel 4 lid 1 van de Samenwerkingsovereenkomst moeten verdelen, waarbij het nodige wordt verrekend. Mochten partijen het al eens zijn over het eindbedrag, dan is dit een fluitje van een cent en zie ik geen groot probleem. Mochten partijen het over de eindafrekening niet eens zijn, dan is de meest logische route een gesprek met de accountants erbij. De juristen kunnen daarbij ook aansluiten voor de uitleg van juridische vraagstukken, maar die lijken mij niet ingewikkeld - en dus onnodig.
Al met al denk ik dat er alle reden is, voor beide partijen, om te zorgen dat de situatie niet escaleert. [C] en [D] gaan lang terug en hebben het nodige samen ondernomen en meegemaakt. Tenzij er echt sprake is van onoverbrugbare meningsverschillen, lijkt een gesprek tussen partijen - voordat nadere acties worden ondernomen - de beste route. Ik wens beide heren wijsheid toe en hoop dat ze dit in goed overleg kunnen oplossen. Ik kan het me niet voorstellen dat een rechter tot verrassendere inzichten komt over de afspraken dan dat uit een gesprek zou volgen.
Mochten er vragen zijn over bovenstaande, dan ben ik beschikbaar voor overleg.”
3.10 Op 4 juli 2022 heeft verweerder aan T een factuur gestuurd voor werkzaamheden verricht in de periode van 14 juni 2022 tot en met 29 juni 2022. Op 21 oktober 2022 heeft verweerder ook een factuur gestuurd aan T voor werkzaamheden verricht in de periode van 7 september 2022 tot en met 30 september 2022.
3.11 Enige tijd later heeft klaagster T gedagvaard. In de daaropvolgende gerechtelijke procedure werd T bijgestaan door mr. G en niet door verweerder.
3.12 Klaagster heeft op 11 november 2023 bij de deken een klacht over verweerder ingediend. Op verzoek van de deken heeft klaagster haar klacht bondiger geformuleerd en opnieuw ingediend op 4 december 2024.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, doordat hij gedragsregel 15 heeft geschonden door zowel voor klaagster als voor T op te treden, terwijl verweerder wist dat zij met elkaar in conflict waren.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft – na uiteenzetting van het toetsingskader en de standpunten van partijen – geoordeeld dat in het onderhavige geval geen sprake is van een schending van gedragsregel 15. De raad laat daarbij in het midden of verweerder klaagster en T tegelijkertijd heeft bijgestaan in een geschil waarbij zij een tegengesteld belang hadden, omdat de in lid vier van de gedragsregel bedoelde uitzondering zich hier voordoet. Blijkens twee e-mails van 21 maart 2022 verweerder (hierboven weergegeven onder 3.7 en 3.8) heeft mr. S (de advocaat van klaagster) op uitdrukkelijke en ondubbelzinnige wijze namens klaagster ingestemd met het optreden van verweerder als bemiddelaar tussen klaagster en T. Verweerder heeft vervolgens met deze instemming van klaagster en T bij e-mail van 22 maart 2022 een eenmalige poging ondernomen om tussen partijen te bemiddelen. Het is de raad niet duidelijk geworden in hoeverre verweerder hierin een voor klaagster nadelig standpunt heeft vertolkt. Klaagster heeft ter zitting, desgevraagd, ook niet kunnen duiden welke passages in de e-mail als benadelend voor klaagster kunnen worden gezien. Bovendien maakt verweerder in zijn e-mail van 22 maart uitdrukkelijk kenbaar in welke hoedanigheid hij zijn e-mail stuurt – te weten die van onpartijdige bemiddelaar - waarmee hij laat zien zich bewust te zijn van zijn rol als onpartijdige bemiddelaar, aldus de raad. Volgens de raad is verder niet gebleken dat verweerder, zoals klaagster stelt, na de kortstondige bemiddelingspoging in dit geschil alleen voor T is blijven optreden.
5.2 De raad is gezien de omstandigheden tot de slotsom gekomen dat sprake is van een instemming voor bemiddeling vooraf die op behoorlijke wijze tussen advocaten – voldoende gelijkwaardige partijen – tot stand is gekomen, waardoor aan de voorwaarde voor toepassing van lid 4 is voldaan en van schending van gedragsregel 15 geen sprake is. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
6.1 Het hof begrijpt dat klaagster zich met de beroepsgronden in haar beroepschrift voornamelijk richt tegen de klachtomschrijving waar de raad van is uitgegaan. Volgens klaagster is het dekenonderzoek niet zorgvuldig verlopen en heeft klaagster onder druk van de deken het feitencomplex moeten beperken en de oorspronkelijke klacht moeten herzien. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft klaagster nader toegelicht dat hierdoor niet alle klachtonderdelen van klaagster aan de raad zijn voorgelegd. De klacht van klaagster richt zich – naar haar zeggen – niet alleen tegen de bemiddelingspoging van verweerder in maart 2022, maar ook tegen het feit dat verweerder maandenlang zowel klaagster als T is blijven bijstaan, terwijl het voor verweerder kenbaar was dat klaagster en T een tegenstrijdig belang hadden. In het oorspronkelijke klaagschrift kwam deze klacht wel goed tot zijn recht, aldus klaagster. Volgens klaagster is zij in haar klachtrecht benadeeld door de wijze waarop het dossier uiteindelijk aan de raad is aangeboden. Hierdoor zijn enkele klachtonderdelen door de raad niet onderzocht en is er niet op beslist. Klaagster wil dat haar oorspronkelijke klacht alsnog volledig wordt behandeld en heeft mede daarom verzocht om terugwijzing van de zaak naar de raad. In het geval het hof de zaak niet zal terugwijzen naar de raad, wil klaagster dat het hof de klacht alsnog beoordeelt met inachtneming van haar oorspronkelijke klaagschrift, hetgeen met zich brengt dat de gehele oorspronkelijke klacht wordt beoordeeld.
Verweer verweerder in beroep
6.2 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Omvang van de klacht(omschrijving) en het verzoek om terugwijzing naar de raad
7.1 Klaagster wil dat haar gehele oorspronkelijke klacht alsnog wordt beoordeeld en heeft het hof verzocht de zaak terug te wijzen naar de raad, zodat de raad de gehele klacht alsnog inhoudelijk kan beoordelen en door klaagster geen instantie wordt gemist.
7.2 Uit het klachtdossier volgt dat klaagster op 11 november 2023 een zeer omvangrijk klaagschrift heeft ingediend. De deken heeft klaagster vervolgens gevraagd de klacht bondiger te formuleren. Klaagster heeft daarop het klaagschrift van 4 december 2023 ingediend. Volgens de aanbiedingsbrief van de deken van 13 juni 2024 is klaagster in de gelegenheid gesteld om binnen tien dagen te laten weten of de (door de deken) geformuleerde klachtomschrijving op inhoud gewijzigd dient te worden. Klaagster heeft volgens de deken in reactie daarop laten weten dat de klachtomschrijving akkoord is. Uit het proces-verbaal van de behandeling bij de raad volgt dat door de voorzitter aan klaagster is voorgehouden dat de klacht ziet op de bemiddeling van verweerder in maart 2022. De gemachtigde van klaagster heeft daarop geantwoord dat dit klopt. De raad heeft vervolgens overeenkomstig de omschrijving van de deken de klacht vastgesteld. Het hof is bij de beoordeling van (de omvang van) de klacht dan in hoger beroep aan die omschrijving gehouden en op grond van de wet en de daarop gebaseerde vaste jurisprudentie van het hof (HvD 30 november 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:222) niet bevoegd de klacht op enigerlei wijze uit te breiden.
7.3 Naar het oordeel van het hof heeft de raad beslist op de overeenkomstig de omschrijving van de deken vastgestelde klacht. Niet gebleken is dat de raad daarbij heeft verzuimd om te beslissen op een onderdeel van deze klacht. Evenmin is gebleken dat de raad geen acht heeft geslagen op het gehele procesdossier van de deken. Ook als dit wel het geval zou zijn, brengt de herstelfunctie van het hoger beroep met zich dat het hof (alsnog) oordeelt over het gehele klachtdossier, inclusief het als productie 2 overgelegde oorspronkelijke klaagschrift van 11 november 2023. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de raad.
7.4 Partijen hebben een beroepschrift en een verweerschrift ingediend bij het hof. De zaak is vervolgens behandeld op de mondelinge behandeling van 16 maart 2026. Partijen hebben daarmee hun standpunten voldoende naar voren kunnen brengen. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om – zoals door klaagster is verzocht – een nadere schriftelijke ronde te gelasten.
De inhoudelijke beoordeling
- Maatstaf
7.5 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.6 In deze zaak draait het in hoofdzaak om de norm dat een advocaat, gelet op zijn gebondenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid, in het algemeen niet mag optreden tegen een (voormalige) cliënt van hem of van een kantoorgenoot. Deze norm is uitgewerkt in gedragsregel 15.
7.7 Gedragsregel 15 bevat de binnen de beroepsgroep algemeen aanvaarde norm dat het een advocaat, behoudens bijzondere omstandigheden, niet is toegestaan tegen zijn eigen (voormalige) cliënt of die van zijn kantoorgenoten op te treden. Het gaat daarmee om een verplichting en verantwoordelijkheid van de advocaat. Een cliënt moet mede door deze regel ten volle erop kunnen vertrouwen dat (vertrouwelijke) gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming, die de cliënt de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking stelt, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt (vgl. HvD 13 december 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:235). Het niet optreden tegen de eigen (voormalige) cliënt vormt dus het uitgangspunt. Van de hoofdregel kan worden afgeweken indien is voldaan aan elk van de drie in gedragsregel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden (a. het betreft niet dezelfde zaak, b. er is geen sprake van het beschikken over vertrouwelijke informatie afkomstig van de voormalige of bestaande cliënt en c. niet is gebleken van redelijke bezwaren aan de zijde van de voormalige of bestaande cliënt). Op grond van Gedragsregel 15 lid 4 kan eveneens van de hoofdregel worden afgeweken als de voormalige of bestaande cliënt vooraf instemt met het optreden door de advocaat en die instemming op behoorlijke wijze tussen voldoende gelijkwaardige partijen tot stand is gekomen.
- Geen beroepsgrond
7.8 De raad heeft geoordeeld de toenmalige advocaat van klaagster uitdrukkelijk en ondubbelzinnig namens klaagster heeft ingestemd met het optreden van verweerder als bemiddelaar tussen klaagster en T en dat ook verder niet is gebleken dat verweerder na de kortstondige bemiddelingspoging in dit geschil alleen voor T is blijven optreden. Het hof constateert dat klaagster in haar beroepschrift geen beroepsgrond heeft gericht tegen dit inhoudelijke oordeel van de raad. De beroepsgronden in het beroepschrift richten zich enkel tegen de omvang van de klachtomschrijving. Aangezien klaagster geen bezwaren tegen de hiervoor vermelde beslissing van de raad kenbaar gemaakt heeft, staat deze beslissing in hoger beroep vast.
7.9 Voorzover klaagster desondanks het beroep eveneens heeft willen richten tegen de inhoudelijke beslissing van de raad, ziet het hof op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. Het hof verwerpt het hoger beroep van klaagster en zal de beslissing van de raad, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 bekrachtigt de beslissing van 4 november 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-451/A/A, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. J.D. Streefkerk, V. Wolting, M. van Roosmalen en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 11 mei 2026 .
