Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:114

Zaaknummer

25-662/AL/NN

Inhoudsindicatie

De raad heeft geoordeeld dat verweerder op verschillende momenten niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht en onvoldoende duidelijk met klager, zijn cliënt, heeft gecommuniceerd. Gelet op de ernst van dit handelen en omdat verweerder al eerder door de raad is veroordeeld, wordt aan verweerder een berisping opgelegd.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 4 mei 2026

in de zaak 25-662/AL/NN

naar aanleiding van de klacht van:

 

 

 

klager

 

over

 

 

verweerder

gemachtigde: mr. H. Sytema

 

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 11 april 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 30 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2025 KNN079 / 2512400 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 16 januari 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Klager heeft op 7 januari 2013 een verkeersongeval gehad. Verweerder, toen werkzaam bij [P] in Den Haag, heeft klager bijgestaan in de zaak tegen de verzekeringsmaatschappijen [X] en [Y], om de schade die klager had geleden, te verhalen. Na het vertrek van verweerder bij [P] is de zaak van klager overgenomen door collega's van verweerder.

2.2 Jaren later, in november 2022, heeft klager weer contact met verweerder opgenomen met het verzoek hem verder bij te staan bij deze kwestie, nu deze nog steeds niet was afgerond. Verweerder was toen niet meer werkzaam voor [P].

2.3 Op 2 december 2022 hebben verweerder en klager de kwestie besproken.

2.4 Klager heeft vervolgens per e-mail, WhatsApp en telefoon vele malen contact opgenomen met verweerder. In die berichten heeft klager om informatie verzocht, stukken gestuurd en aan verweerder gevraagd om de zaak verder op te pakken.

2.5 In een e-mail van 11 mei 2023 heeft verweerder aan klager geschreven dat hij nog geen ondertekende opdrachtbevestiging had en dat hij formeel nog niet zijn advocaat was. Op 17 mei 2023 heeft klager daarop gereageerd en geschreven dat er wel degelijk een mondelinge overeenkomst van opdracht was en dat indien verweerder een ondertekende opdrachtbevestiging verlangde, hij hem een te ondertekenen exemplaar had moeten sturen. In deze mail geeft heeft klager nogmaals aangegeven dat hij wil dat verweerder doorgaat met de zaak.

2.6 Op 7 juli 2023 heeft de secretaresse van verweerder in een e-mail de schadestukken met betrekking tot de letselschadezaak aan klager gestuurd en aangegeven dat verweerder na zijn verlof de zaak van klager verder zou behandelen. Op 30 augustus 2023 heeft klager aan verweerder aangegeven dat hij hiermee akkoord is.

2.7 Op 24 oktober 2023 heeft verweerder namens klager per e-mail contact opgenomen met [Y]. In dit e-mailbericht heeft hij aangegeven dat hij klager bijstond en verzocht hij om telefonisch overleg. Verweerder heeft ook overleg gehad met [X]. Naar aanleiding van dit overleg boden beide verzekeraars aan om een bedrag van elk € 10.000,- aan klager uit te betalen. Verweerder heeft klager hiervan in kennis gesteld en klager is op dit aanbod niet ingegaan. Ook in deze periode heeft klager meerdere e-mails aan verweerder gestuurd.

2.8 Op 3 februari 2024 heeft klager een klacht ingediend bij verweerder.

2.9 Op 15 februari 2024 heeft verweerder aan klager gemaild dat zij het er niet over eens waren hoe de zaak verder moest en heeft hij klager aangeraden om andere belangenbehartiging te zoeken.

2.10 Op 11 april 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2.11 Na het onderzoek van de klacht door de deken heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met klager en heeft hij zijn excuses aangeboden voor het gebeuren en aangeboden om de zaak weer op te pakken. Voor klager was dit de reden om de klacht in te trekken.

2.12 Op 6 augustus 2025 verzoekt klager om het klachtdossier te heropenen, omdat verweerder de zaak na 8 maanden nog steeds niet heeft opgepakt.

 

3 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

de zaak inhoudelijk niet adequaat en voortvarend heeft behandeld; voor klager niet bereikbaar was en niet reageerde.

 

4 VERWEER

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5 BEOORDELING

Maatstaf

5.1 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.2 De tuchtrechter toetst bij de beoordeling van een aan de advocaat verweten handelen of nalaten eveneens aan de in art. 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 

5.3 Bij deze klacht is (onder meer) gedragsregel 16 van belang. Uit die gedragsregel 16 volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. En ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. 

Klachtonderdelen a) en b)

5.4 Gelet op de onderbouwing van de klachtonderdelen begrijpt de raad dat deze beide zien op de communicatie door verweerder, in het bijzonder in de richting van klager. Voor zover klager ook heeft geklaagd over de inhoudelijke aanpak van de zaak door verweerder, is de raad van oordeel dat dit verwijt onvoldoende vast is komen te staan.

5.5 De raad overweegt hierover als volgt. Klager heeft verweerder eind 2022 benaderd om hem bij te staan in de – kort gezegd – afhandeling van een verkeersongeval, in welke kwestie verweerder klager jaren eerder ook al had bijgestaan. De afspraken die klager en verweerder op dat moment hebben gemaakt, zijn niet helemaal duidelijk. Wel staat naar het oordeel van de raad vast dat klager en verweerder in december 2022 de zaak inhoudelijke hebben besproken. Daarna heeft klager per e-mail, WhatsApp en telefoon meermaals contact opgenomen met (het kantoor van) verweerder en hem vragen gesteld, stukken gestuurd en gevraagd naar de stand van zaken. Verweerder heeft hierop soms niet en soms summier gereageerd.

5.6 Verweerder heeft bij de deken aangevoerd dat hij klager niet als advocaat heeft bijgestaan omdat er geen getekende overeenkomst van opdracht tussen klager en verweerder was gesloten. Op de zitting van de raad is namens verweerder betoogd dat verweerder klager wel heeft bijgestaan, maar slechts gedurende een beperkte periode vanaf augustus 2023. De raad is hierover van oordeel dat, gelet op het gesprek dat tussen klager en verweerder over de zaak heeft plaatsgevonden en omdat verweerder daarna – ondanks de vele berichten die klager over de zaak aan verweerder heeft gestuurd – nooit aan klager heeft laten weten dat hij hem niet bijstond, er vanaf eind 2022 tussen klager en verweerder een cliënt-advocaat-relatie bestond, althans dat bij klager het gerechtvaardigde vertrouwen is ontstaan dat die relatie er was. De omstandigheid dat er geen opdrachtbevestiging is opgemaakt, maakt dat niet anders. Het was aan verweerder om hierover duidelijkheid te verschaffen. Verweerder heeft dat nagelaten. Bij de beoordeling van de klacht gaat de raad er daarom vanuit verweerder vanaf december 2022 als advocaat voor klager heeft opgetreden.

5.7 De raad stelt vast dat uit het klachtdossier niet blijkt dat verweerder de procedure, de strategie, de verwachtingen, de kansen en de (financiële) risico’s met klager heeft besproken. Verweerder heeft daarover in ieder geval niets schriftelijk vastgelegd, terwijl hij dat op grond van gedragsregel 16 wel had behoren te doen, ook gelet op de persoon van klager en de aard van de zaak. Doordat deze schriftelijke vastlegging ontbreekt, gaat de raad er vanuit dat verweerder klager over deze genoemde punten niet, dan wel onvoldoende, heeft geïnformeerd. Ook heeft verweerder onvoldoende adequaat en voortvarend op berichten van klager gereageerd. Ook in de periode waarover verweerder heeft aangegeven dat hij wel als advocaat voor klager heeft opgetreden, was deze communicatie ondermaats. Een voorbeeld daarvan is de brief van 15 februari 2024. Verweerder heeft hierover gesteld dat hij met deze brief de opdracht had beëindigd, terwijl hij in die brief slechts heeft geschreven dat klager en hij het niet eens zijn over de wijze waarop de zaak verder moet en hij klager aanraadt om andere belangenbehartiging te zoeken. Ook op dat moment is verweerder niet duidelijk in zijn communicatie. De raad neemt het verweerder ten slotte nog kwalijk dat hij - nadat klager de klacht had ingetrokken omdat verweerder zijn excuses had gemaakt en had aangeboden om de zaak weer op te pakken  - wederom een langere periode niet voortvarend heeft gehandeld en onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd.

5.8 De raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 46 Advocatenwet, zoals in het bijzonder is uitgewerkt in gedragsregel 16. De klacht wordt daarom gegrond verklaard.

 

6 MAATREGEL

De raad heeft geoordeeld dat verweerder op verschillende momenten niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht en onvoldoende duidelijk met klager, zijn cliënt, heeft gecommuniceerd. Gelet op de ernst van dit handelen en omdat verweerder al eerder door de raad is veroordeeld, wordt aan verweerder een berisping opgelegd.

 

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

€ 50,- aan forfaitaire reiskosten van klager, € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en € 500,- kosten van de Staat.

7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing [zijn/haar] rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

 

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. G.N. Paanakker en H.J. Voors, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.

 

Griffier                                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 4 mei 2026