Rechtspraak
Uitspraakdatum
11-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:58
Zaaknummer
26-051/DB/LI
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Het verwijt, dat verweerder ondanks een belangenconflict tegen klager heeft opgetreden is ongegrond. Naar het oordeel van de raad is niet gebleken dat klager tijdens het gesprek met mr. H informatie heeft verstrekt die verweerder moest beletten om tegen klager op te treden. Van (de schijn van) belangenverstrengeling, zoals genoemd in het toetsingskader onder 5.3, is naar het oordeel van de raad geen sprake. Evenmin is gebleken dat verweerder heeft geweigerd inhoudelijke antwoorden gegeven en zich obstructief heeft opgesteld, noch dat hij een misleidend schikkingsvoorstel heeft gedaan, zonder dit te onderbouwen. Ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 11 mei 2026
in de zaak 26-051/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 15 juli 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).
1.2 Op 21 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-073 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 30 maart 2026. Verschenen is verweerder. Klager is niet verschenen.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en de volgende nagekomen stukken: - de e-mail met bijlagen van klager van 23 januari 2026; - de e-mail van klager van 9 maart 2026; - de e-mail met bijlagen van verweerder van 10 maart 2026; - de e-mail met bijlagen van klager van 10 maart 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 30 april 2025 heeft klager een gesprek gevoerd met verweerders kantoorgenoot mr. H, advocaat. Dit gesprek vond plaats op verweerders kantoor, had betrekking op een arbeidsconflict met klagers werkgever, M B.V., en nam plusminus 15 tot 20 minuten in beslag. Klager had tijdens het gesprek met mr. H een klapper met stukken bij zich. Klager heeft geen opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand aan mr. H verstrekt en heeft de klapper met stukken weer mee naar huis genomen.
2.3 In juli 2025 is verweerder M B.V. gaan bijstaan in het arbeidsconflict met klager. In dat verband heeft verweerder op 4 juli 2025 een e-mail aan klager gestuurd. Klager heeft bij e-mails van 5 en 6 juli 2025 op verweerders e-mailbericht gereageerd. Klager heeft onder meer aan verweerder medegedeeld dat het verweerder niet vrij staat om tegen klager op te treden.
2.4 Bij e-mail van 8 juli 2025 heeft verweerder als volgt gereageerd:
“Ik heb kennisgenomen van uw uitvoerige mails. Ik ga daar niet uitvoerig op reageren namens cliënte. Cliënte blijft bij haar standpunt. Ik heb cliënte wel bereid gevonden om een voorstel te doen om een procedure te vermijden inhoudende een betaling van een bedrag van € 2.500,00 bruto. Dit enkel om proceseconomische redenen. Dit is op geen enkele wijze een erkenning van uw standpunten maar puur zoals gezegd om proceseconomische, praktische redenen. Dit voorstel vervalt als het niet voor het einde van de week is geaccepteerd. Verder reageer ik ook kort op uw standpunt dat het mi niet zou vrij staan om [M B.V.] te vertegenwoordigen. Die mening deel ik niet. U heeft geen opdracht aan ons kantoor gegeven. Er is geen overeenkomst van opdracht getekend. U heeft enkel een vrijblijvend gesprek gehad met één van mijn kantoorgenoten. Ik heb overigens niet met hem over deze zaak gesproken en zal dat ook niet doen. Daarom acht ik mij vrij om [M B.V.] te vertegenwoordigen. (…)”
2.5 Bij e-mail van 9 juli 2025 heeft klager het schikkingsvoorstel afgewezen, een tegenvoorstel gedaan en aan verweerder kenbaar gemaakt dat er naar zijn mening wel sprake was van een belangenconflict.
2.6 Bij e-mail van 10 juli 2025 heeft verweerder klager bericht dat klagers voorstel niet werd geaccepteerd en dat klager niet anders restte dan ofwel het eerdere voorstel van verweerders cliënte te accepteren ofwel een procedure te starten. Bij e-mail van 14 juli 2025 heeft klager diverse inhoudelijke vragen over de arbeidskwestie aan verweerder gesteld. Bij e-mail van 14 juli 2025 heeft verweerder klager bericht dat zijn cliënte niets had toe te voegen aan de eerdere correspondentie en dat zij ervoor had gekozen om de discussie te beëindigen.
2.7 Op 15 juli 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
2.8 Op 2 maart 2026 heeft mr. H een schriftelijke verklaring afgelegd, luidend als volgt:
“[Klager] heeft telefonisch contact opgenomen met ons kantoor en als gevolg daarvan is een afspraak ingepland op kantoor. [Klager] had tijdens de afspraak een klapper meegenomen met daarin loonstroken en Excelsheets (althans cijfers ingevuld in tabellen). Volgens [klager] zou dit gaan over te weinig ontvangen salaris. [Klager] liet mij deze stukken zien en ik heb tijdens de bespreking deze stukken vluchtig gescand (door de klapper gebladerd). Ik kon daaruit geen conclusies trekken met betrekking tot ene eventuele loonvordering. Het betrof een dikke klapper met veel stukken. Ik heb aangegeven dat ik de stukken zou moeten bestuderen om een conclusie te kunnen trekken en om [klager] te kunnen adviseren. Er is vervolgens geen opdracht in het kader van rechtsbijstand met [klager] tot stand gekomen. Inhoudelijk zijn door mij geen stukken bestudeerd en naast bovenstaande stukken is – voor zover bij mij bekend is – geen vertrouwelijke informatie met mij gedeeld.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft ondanks een belangenconflict tegen klager opgetreden; 2. Verweerder heeft geweigerd inhoudelijke antwoorden gegeven en zich obstructief opgesteld; 3. Verweerder heeft een misleidend schikkingsvoorstel gedaan, zonder dit te onderbouwen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING 5.1 Toetsingskader Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2 BeoordelingKlachtonderdeel 1 Klager verwijt verweerder in de eerste plaats dat hij ondanks een belangenconflict tegen klager heeft opgetreden. Aldus heeft verweerder volgens klager gehandeld in strijd met de gedragsregels en de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden. Verweerder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Verweerder heeft daartoe gesteld dat klager nimmer een opdracht tot rechtsbijstandsverlening aan mr. H heeft verstrekt en tijdens het gesprek met mr. H, dat slechts 15 à 20 minuten heeft geduurd, ook geen vertrouwelijke informatie heeft gedeeld. De raad overweegt als volgt.
5.3 Als uitgangspunt geldt dat een advocaat in het algemeen niet mag optreden tegen een voormalig cliënt van hem of van een kantoorgenoot. Deze norm is verwoord in gedragsregel 15. De advocaat mag zich immers niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt in een belangenconflict te geraken. Daarnaast moet de cliënt ten volle erop kunnen vertrouwen dat gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die de cliënt aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Dat vloeit reeds voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat. Wanneer aan de in gedragsregel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden a, b en c is voldaan (niet dezelfde zaak, geen vertrouwelijke informatie, geen redelijke bezwaren) behoeft een advocaat aan zijn vroegere cliënt geen voorafgaande instemming als bedoeld in lid 4 te vragen.
5.4 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.5 Vast staat dat klager tijdens of na het gesprek met verweerders kantoorgenoot mr. H geen opdracht tot rechtsbijstandsverlening aan mr. H heeft verstrekt. Strikt genomen is klager dan ook geen cliënt van verweerders kantoorgenoot mr. H geweest. Echter, ook wanneer formeel geen advocaat-cliënt relatie is tot standgekomen, kan de norm van gedragsregel 15 eraan in de weg staan dat tegen de persoon met wie de (kantoorgenoot van de) advocaat contact heeft gehad wordt opgetreden, indien in de contacten tussen die persoon en de (kantoorgenoot van de) advocaat vertrouwelijke informatie is gedeeld, waarvan de advocaat bij de behandeling van de zaak tegen die persoon voordeel heeft of kan hebben.
5.6 Dat tijdens het door klager en mr. H gevoerde gesprek - dat volgens verweerder slechts 15 à 20 minuten heeft geduurd - vertrouwelijke informatie over de zaak van klager is gedeeld, waarvan verweerder hierna in zijn bijstand aan M B.V. voordeel heeft gehad, is door verweerder betwist en klager heeft dit punt niet nader onderbouwd. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn verweer een verklaring van mr. H overgelegd. Mr. H heeft verklaard dat hij tijdens het gesprek met klager vluchtig door klagers klapper met stukken heeft gebladerd. Naar het oordeel van de raad is dat onvoldoende om aan te nemen dat vertrouwelijke informatie is gedeeld. Klager is niet ter zitting van de raad verschenen en heeft de raad dus ook niet ter zitting van nadere informatie over de gang van zaken tijdens het gesprek voorzien. Aanknopingspunten dat het gesprek anders is verlopen dan door mr. H geschetst heeft de raad dan ook niet.
5.7 Naar het oordeel van de raad is kortom niet gebleken dat klager tijdens het gesprek met mr. H informatie heeft verstrekt die verweerder moest beletten om tegen klager op te treden. Van (de schijn van) belangenverstrengeling, zoals genoemd in het toetsingskader onder 5.3, is naar het oordeel van de raad geen sprake. Klachtonderdeel 1 is op grond van het voorgaande ongegrond.
5.8 Klachtonderdelen 2 en 3
De klachtonderdelen 2 en 3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Klager verwijt verweerder dat hij heeft geweigerd om inhoudelijke antwoorden te geven, dat hij zich obstructief heeft opgesteld en dat hij een misleidend, niet onderbouwd, schikkingsvoorstel heeft gedaan. Verweerder heeft ook deze klachtonderdelen gemotiveerd weersproken. De raad overweegt als volgt.
5.9 Het was de taak van verweerder om de belangen van zijn cliënte te behartigen en om in dat verband, in overleg met zijn cliënte, de te voeren strategie te bepalen. Het stond verweerder dan ook vrij om namens zijn cliënte de standpunten van zijn cliënte aan klager kenbaar te maken en om proceseconomische redenen aan klager een schikkingsvoorstel te doen. Verweerder mocht dit schikkingsvoorstel onderbouwen op de wijze die hem, met het oog op de behartiging van de belangen van zijn cliënte, goeddunkte. Ook stond het verweerder vrij om uit kostenoverwegingen niet inhoudelijk op de uitvoerige e-mails en vragen van klager te reageren. Van obstructief of anderszins ontoelaatbaar gedrag is de raad op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet gebleken.
5.10 Dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden, is kortom niet gebleken. De klachtonderdelen 2 en 3 zijn dan ook ongegrond.
5.11 De raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de klacht in alle onderdelen ongegrond moet worden verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems, W.L.H. Aerts, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 11 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 11 mei 2026
