Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:113

Zaaknummer

25-075/AL/OV

Inhoudsindicatie

Na een gegrond verzet heeft de raad de klacht inhoudelijk als volgt beoordeeld. Verweerder wist van zijn cliënte dat klager in een andere procedure tegen zijn cliënte een verklaring van mevrouw M had overgelegd. Volgens zijn cliënte had mevrouw M met die verklaring haar geheimhoudingsbeding als ex-werknemer van cliënte geschonden. Naar het oordeel van de raad mocht verweerder - als niet betrokken advocaat - op verzoek van zijn cliënte rechtstreeks aan mevrouw M vragen naar de echtheid van die verklaring en had hij haar daarbij ook mogen wijzen op de mogelijke schending van het geheimhoudingsbeding. Dat laatste heeft verweerder echter niet in zijn brief van 1 maart 2024 aan mevrouw M genoemd. In plaats daarvan heeft hij mevrouw M gewezen op de onjuistheid van haar verklaring, haar aansprakelijk gesteld voor mogelijke schade voor zijn cliënte en daarbij ook mogelijke serieuze strafrechtelijke gevolgen genoemd. Een advocaat kan zich niet verschuilen achter een van zijn cliënt verkregen opdracht. Verweerder had ook rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van klager bij die verklaring en de belangen van mevrouw M. Met de toonzetting van zijn brief, die onnodig door de deurwaarder aan mevrouw M is betekend, is verweerder de grenzen van het betamelijke te buiten gegaan. Ook al was verweerder niet als advocaat bij die andere procedure betrokken, had hij gelet op de strekking van gedragsregel 22, die mogelijke getuige niet op deze wijze mogen benaderen. Dat is geen gedrag dat een advocaat betaamt. Het verwijt dat verweerder zich meermaals aan belangenverstrengeling schuldig heeft gemaakt, is de raad uit de stukken niet gebleken. Niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een advocaat-cliënt relatie of dat verweerder de grenzen van het betamelijke hierin heeft overschreden. Waarschuwing.

Inhoudsindicatie

 

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 4 mei 2026

in de zaak 25-075/AL/OV

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over

 

 

 

verweerder

 

1 VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij tussenbeslissing van 1 december 2025 heeft de raad het op 27 maart 2025 door klager ingestelde verzet tegen de beslissing van de voorzitter van 24 maart 2025 gegrond verklaard voor zover de verzetgronden zien op de te beperkte klachtomschrijving door de voorzitter. Omdat klager niet aanwezig was bij de verzetzitting van 3 oktober 2025 en niet kon worden bevraagd door de raad over - of een nadere toelichting geven op - het inhoudelijk deel van de klacht, is bepaald dat een nieuwe zitting moet volgen om de volledige klacht van klager te beoordelen.

1.2 De klacht is daarna behandeld op de zitting van deze raad van 20 maart 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.3 De raad heeft kennisgenomen van de tussenbeslissing en van de daarin genoemde stukken.   

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Klager en de heer G en/of hun bedrijven zijn na jarenlange samenwerking verwikkeld geraakt in diverse gerechtelijke procedures.

2.2 Mevrouw M is de ex-partner van de heer G en oud-werknemer van diens bedrijf [naam bedrijf] (hierna verder: N B.V.) Als werknemer bij N B.V. heeft mevrouw M een geheimhoudingsbeding ondertekend waarin is bepaald dat de werknemer volledige geheimhouding dient te betrachten ten aanzien van al hetgeen de werknemer ter kennis is gekomen betreffende de werkzaamheden, de organisatie en de in- en externe contacten van de werkgever. Op overtreding van dit beding is een boete gesteld. Verweerder heeft N B.V. bijgestaan in een arbeidsrechtelijk geschil met mevrouw M.

2.3 In de procedure tussen [W] B.V. (een van de bedrijven van klager; hierna: W B.V) en N B.V. heeft klager een op 14 juli 2023 getekende verklaring in het geding gebracht die afkomstig zou zijn van mevrouw M. In deze verklaring is onder meer verklaard over haar negatieve ervaringen met de heer G en heeft zij haar steun voor klager betuigd in zijn geschil met de heer G. Verweerder is bij deze procedure niet betrokken geweest.

2.4 In een andere procedure tussen N B.V. en W B.V. heeft verweerder zich als advocaat van N B.V. gesteld. Na verzoeken daartoe van de advocaat van W B.V. heeft verweerder besloten om zich op 3 november 2023 als advocaat uit die procedure te onttrekken.

2.5 In de aanhef van de brief van verweerder van 1 maart 2024 staat dat zijn brief per deurwaardersexploot wordt gestuurd aan mevrouw M en ‘Adres afgeschermd’. Als dossiernaam staat vermeld ‘N B.V./ W B.V.’. Verweerder heeft aan mevrouw M onder meer geschreven:

In bovengenoemde zaak heeft zich tot mij gewend de heer [G], namens hem privé maar ook namens de besloten vennootschap [N B.V.] (…) ter zake het navolgende.

Cliënten zijn betrokken in verschillende procedures tussen hen enerzijds en [klager] (…) en de besloten vennootschap [W B.V.] anderzijds. Bij één van deze procedures is door de wederpartij bijgaande verklaring overgelegd, met de uitleg dat u deze verklaring hebt opgesteld en ondertekend. Dit met de bedoeling de rechtbank zo ver te krijgen om de vorderingen van cliënt af te wijzen (hetgeen niet is gelukt). Daarnaast zijn cliënten genoodzaakt geweest om op deze stellingen in te gaan, hetgeen niet alleen voor een langere doorloop van de procedure heeft zorggedragen, maar ook voor extra kosten.

Cliënten zijn van mening dat de inhoud van deze verklaring strijdig is met de werkelijkheid. Nu de verklaring ten doel heeft gehad om deze aan anderen kenbaar te maken (anders had deze niet afgelegd hoeven te worden) zou derhalve sprake kunnen zijn van laster, hetgeen een feit is met een maximale gevangenisstraf van 2 jaar.

Cliënten kunnen echter niet aantonen dat de verklaring daadwerkelijk door u is opgesteld en ondertekend, zoals door [W B.V.] is gesteld. Behoudens andersluidend tegenbericht, zal daarvan echter uitgegaan dienen te worden. Namens cliënten stel ik u alsdan aansprakelijk voor de schade die zij hebben geleden door deze onjuiste verklaring en de schade die zij mogelijk nog zullen lijden. Graag verneem ik derhalve van u of u de verklaring hebt opgesteld en ondertekend en zo ja, of u de aansprakelijkheid voor de schade die deze verklaring tot gevolg heeft gehad, aanvaardt. (…)

De brief is op 12 maart 2024 bij deurwaardersexploot aan mevrouw M betekend. Mevrouw M is gesommeerd om binnen een week te reageren en er zijn bij niet tijdige reactie rechtsmaatregelen aangekondigd. Mevrouw M heeft niet gereageerd.

2.6 In de onder 2.3 genoemde procedure is namens W B.V. op 1 september 2024 een nieuwe verklaring van mevrouw M in het geding gebracht. Dit betrof een op 28 augustus 2024 door een notaris gelegaliseerde verklaring van mevrouw M.

2.7 Op 23 september 2024 heeft verweerder het namens N B.V. ingediende verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van mevrouw M ingetrokken.

2.8 In opdracht van N B.V. heeft verweerder mevrouw M gedagvaard wegens haar vermeende overtreding van de in de arbeidsovereenkomst overeengekomen geheimhouding door de inhoud van haar verklaring van 28 augustus 2024. Tijdens een mondelinge behandeling is tussen N B.V. en mevrouw M een minnelijke regeling bereikt. Mevrouw M heeft haar verklaring van 28 augustus 2024 ingetrokken in de procedure van W B.V. en N B.V. heeft geen aanspraak gemaakt op verbeurde boetes.

 

3 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) te proberen een getuige te beïnvloeden door het schrijven en laten betekenen van een brief gedateerd 1 maart 2024 en door daarin aan te geven dat op laster een gevangenisstraf van 2 jaar staat en daardoor de belangen van klager onevenredig te schaden;

b) zich meermaals schuldig te maken aan belangenverstrengeling;

c) de huidige advocaat van klager te intimideren.

 

4 VERWEER

De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5 VERDERE BEOORDELING

Maatstaf

5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.

5.2 Gedragsregel 15, die onder meer bepaalt dat het een advocaat in beginsel niet is toegestaan tegen een (voormalige) cliënt op te treden, kan een nadere invulling geven aan de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet. Deze regel strekt ertoe de cliënt te beschermen tegen de advocaat die beschikt over vertrouwelijke informatie van de cliënt, ten aanzien waarvan de advocaat verplicht is tot geheimhouding. De vertrouwensband tussen de advocaat en zijn cliënt, en daarmee het vertrouwen in de advocatuur in het algemeen, zou geschaad kunnen worden als de advocaat later tegen die cliënt zou kunnen gaan optreden met gebruikmaking van vertrouwelijke informatie uit die eerdere zaak. Of in een concrete situatie tuchtrechtelijk verwijtbaar wordt gehandeld moet worden beoordeeld aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval. Dat kan met zich meebrengen dat een situatie die (net) buiten de reikwijdte van het verbod van gedragsregel 15 valt, toch tuchtrechtelijk verwijtbaar is (HvD 13 juni 2013, ECLI:NL:TAHVD:2013:106).

5.3 In dit verband verwijst de raad tevens naar de kernwaarde partijdigheid. Deze kernwaarde brengt voor een advocaat mee dat de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt bepalend zijn bij de uitvoering van een opdracht en dat de advocaat uitsluitend instructies ontvangt van zijn cliënt. Dat betekent niet dat hij zonder meer gehouden is om al hetgeen te doen dat hem door zijn cliënt wordt opgedragen. De advocaat behoort zich, gelet op het vereiste van onafhankelijkheid, niet met zijn cliënt te vereenzelvigen. De op grond van artikel 3, tweede lid, van de Advocatenwet afgelegde eed of belofte stelt duidelijke grenzen aan de uitvoering van opdrachten van een cliënt. Een partijdige belangenbehartiging brengt bovendien niet mee dat de advocaat bewust onwaarheden zou mogen spreken of in strijd met een goede procesorde of rechtsbedeling zou mogen handelen. Belangenbehartiging van cliënten mag alleen met rechtmatige middelen worden nagestreefd. De advocaat behoudt zijn eigen verantwoordelijkheden ten aanzien van het handelen overeenkomstig de wet en het recht.

5.4 De raad zal de klachtonderdelen aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

Klachtonderdeel a)

te proberen een getuige te beïnvloeden door het schrijven en laten betekenen van een brief gedateerd 1 maart 2024 en door daarin aan te geven dat op laster een gevangenisstraf van 2 jaar staat en daardoor de belangen van klager onevenredig te schaden;

Toelichting van klager

5.5 Nadat mevrouw M een voor klager relevante schriftelijke verklaring had afgelegd in de lopende procedure tussen klager en N B.V. heeft verweerder mevrouw M rechtstreeks benaderd met zijn brief van 1 maart 2024. In die brief heeft hij mevrouw M beschuldigd van lasterlijke uitlatingen in haar verklaring en haar gewezen op de strafrechtelijke gevolgen daarvan. Verweerder heeft zijn brief ook nog per deurwaardersexploot aan mevrouw M laten bezorgen. Volgens klager moet een advocaat zich onthouden van dergelijke intimiderende gedragingen omdat dit de bereidheid van de verklaringgever kan beïnvloeden. Met zijn gekozen aanpak is verweerder veel verder gegaan dan noodzakelijk was voor zijn belangenbehartiging. Verweerder had kunnen volstaan met het stellen van de enkele vraag aan mevrouw M of zij die verklaring daadwerkelijk had afgegeven. Volgens klager heeft verweerder hiermee zijn belangen onnodig geschaad.

Verweer van verweerder

5.6 Volgens verweerder kon zijn cliënte vanwege de inhoud en het taalgebruik niet geloven dat mevrouw M de betreffende verklaring had opgesteld en op 14 juli 2023 had getekend.

5.7 Om te voorkomen dat N B.V. ten onrechte aanspraak zou maken op de contractuele boete en ten onrechte de beschuldiging zou uiten dat mevrouw M in genoemde verklaring in strijd met de waarheid had verklaard, en zich daarmee schuldig zou maken aan laster, heeft de heer G hem namens N B.V. verzocht om bij mevrouw M na te vragen of zij de verklaring had opgesteld en/of ondertekend. Volgens verweerder heeft hij mevrouw M in zijn brief van 1 maart 2024 niet verzocht om op een gegeven verklaring terug te komen of haar anderszins beïnvloed, maar heeft hij daarin alleen gevraagd of de verklaring daadwerkelijk door haar was afgelegd. Het stond haar volledig vrij om hier “ja” of “nee” op te antwoorden. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder toegelicht dat hij in overleg met zijn cliënte stevige bewoordingen heeft gebruikt en bewust de kaarten tegen de borst heeft gehouden over de mogelijke schending door mevrouw M van haar geheimhoudingsbeding. Dit alles om een reactie bij haar uit te lokken.

5.8 Mevrouw M heeft niet op zijn brief gereageerd, zoals verwacht, waarna verweerder een verzoek voorlopig getuigenverhoor heeft ingediend. Toen duidelijk werd dat de verklaring inderdaad van mevrouw M was, heeft verweerder dat verzoek ingetrokken en mevrouw M namens N B.V. gedagvaard wegens overtreding van het geheimhoudingsbeding in haar arbeidsovereenkomst. Voor die procedure en de daaraan voorafgaande werkzaamheden had de cliënte van verweerder een gerechtvaardigd belang. Daarmee had ook verweerder een gerechtvaardigd belang om te handelen zoals hij heeft gedaan.

Oordeel van de raad

5.9 Weliswaar was verweerder niet als advocaat betrokken bij de procedure tussen N B.V. en W B.V. maar hij wist van de bestuurder van zijn cliënte dat in die procedure een verklaring van de ex-partner en ex-medewerkster mevrouw M was overgelegd. Naar het oordeel van de raad mocht verweerder - als niet betrokken advocaat - op verzoek van zijn cliënte rechtstreeks aan mevrouw M vragen naar de echtheid van die verklaring en had hij haar daarbij ook mogen wijzen op de mogelijke schending van het geheimhoudingsbeding. Dat laatste heeft verweerder echter niet in zijn brief van 1 maart 2024 aan mevrouw M genoemd. In plaats daarvan heeft hij mevrouw M gewezen op de onjuistheid van haar verklaring, haar aansprakelijk gesteld voor mogelijke schade voor zijn cliënte en daarbij ook mogelijke serieuze strafrechtelijke gevolgen genoemd.

5.10 Zoals in de maatstaf onder 5.3 hierboven genoemd, kan een advocaat zich niet verschuilen achter een opdracht van zijn cliënt maar houdt deze daarin ook een eigen verantwoordelijkheid. Als partijdige belangenbehartiger moet een advocaat bovendien ook rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van bij een kwestie betrokken derden, waaronder in dit geval klager en mevrouw M. Verweerder is met de inhoud en toonzetting van de brief van 1 maart 2024 aan mevrouw M de grenzen van het betamelijke te buiten gegaan. Dat hij die brief bovendien per deurwaardersexploot aan mevrouw M heeft laten betekenen, rekent de raad verweerder wèl aan. Die werkwijze zal niet alleen als extra indringend door mevrouw M zijn ervaren, maar lijkt, gelet op de adressering in het exploot, ook helemaal niet nodig te zijn geweest. Verweerder wist dat mevrouw M een mogelijke getuige was in een juridische procedure waarbij hij niet betrokken was. Dat hij niet als advocaat in die procedure optrad, ontslaat hem echter niet van de verantwoordelijkheid om mevrouw M als getuige in de zin van gedragsregel 22 te behandelen omdat hij wist dat zij een mogelijke getuige in die andere procedure zou zijn. De advocaat die de betreffende procedure behandelde zou haar niet op deze wijze mogen benaderen en dus mag een andere advocaat, die van de betreffende procedure op de hoogte is, dat niet alsnog gaan doen. Daarmee zou die advocaat de werking van gedragsregel 22 omzeilen, hetgeen geen gedrag is dat een advocaat betaamt.Verweerder heeft dan ook naar het oordeel van de raad onvoldoende oog gehad voor de belangen van klager bij die verklaring van mevrouw M. Dat wordt hem tuchtrechtelijk verweten. De raad zal dan ook klachtonderdeel a) gegrond verklaren.

Klachtonderdeel b)

zich meermaals schuldig te maken aan belangenverstrengeling;

Toelichting van klager

5.11 Verweerder, althans zijn kantoor, hebben eerder opgetreden voor verschillende bedrijven van klager en voor klager privé. Verweerder had om die reden niet als advocaat voor N B.V. mogen optreden in een procedure tegen W B.V.. Daarop gewezen door de advocaat van klager heeft verweerder zich ook meteen op 3 november 2023 als advocaat van N B.V. teruggetrokken. Verweerder is daarna gaan opgetreden namens N B.V. in een procedure tegen mevrouw M in een kwestie waarbij klager direct betrokken was omdat zij een kroongetuige was in zijn geschil tegen N B.V. Ook in de procedure tegen mevrouw M heeft verweerder zich op 23 september 2024 formeel teruggetrokken. Door deze formele onttrekkingen heeft verweerder erkend dat hij niet langer als advocaat in zaken kon optreden vanwege zijn betrokkenheid in eerdere conflicten waarbij klager cliënt was. Verweerder heeft zich meermaals teruggetrokken wegens belangenverstrengeling maar alsnog hetzelfde conflict met klager en W B.V. via een indirecte route voortgezet door mevrouw M te dagvaarden. Deze juridische aanval op getuige mevrouw M was gericht op ondermijning van de bewijspositie van klager.

Verweer van verweerder

5.12 Verweerder bevestigt dat een kantoorgenoot de belangen van enkele bedrijven van klager en van klager privé in het verleden heeft behartigd. De belangen van het bedrijf W B.V. van klager zijn nooit door zijn kantoor behartigd. In geen van de zaken die zijn kantoorgenoot voor de bedrijven van klager heeft behartigd was N B.V. noch haar bestuurder de wederpartij. Verweerder heeft zich als opvolgend advocaat op enig moment namens N B.V. gesteld in een procedure tegen W B.V.. Kort daarna werd hij aangeschreven door de advocaat van W B.V. over vermeende belangenverstrengeling. Verweerder betwist dat daar sprake van was maar heeft zich, om discussies te voorkomen, op 3 november 2023 als advocaat in die zaak onttrokken. In die procedure heeft hij geen enkele processuele handeling verricht of iets inhoudelijks gedaan, aldus verweerder.

5.13 Verweerder betwist dat hij zich daarna nogmaals heeft onttrokken of dat daaruit een vermeend belangenconflict kan worden afgeleid. Omdat mevrouw M niet op zijn brief van 1 maart 2024 heeft gereageerd, heeft hij namens zijn cliënte een verzoek voorlopig getuigenverhoor ingediend. Dat verzoek heeft hij op 23 september 2024 ingetrokken omdat daar toen geen noodzaak meer voor was. Doordat W B.V. op 1 september 2024 de nieuwe gelegaliseerde verklaring van mevrouw M in het geding heeft gebracht, stond voor zijn cliënte vast dat die verklaring inderdaad afkomstig was van mevrouw M. Daarop heeft verweerder mevrouw M namens N B.V. gedagvaard wegens schending van het geheimhoudings- en boetebeding door de inhoud van haar verklaring. Tijdens de zitting in die procedure is met mevrouw M een schikking bereikt. Ook is toen duidelijk geworden dat haar verklaring door klager was opgesteld, waarmee het vermoeden van N B.V. werd bevestigd.

Oordeel van de raad

5.14 Om te bepalen welke maatstaf van toepassing is, moet de raad eerst vaststellen of klager kan worden aangemerkt als een (oud) cliënt van (het kantoor van) verweerder. Vast staat dat een kantoorgenoot van verweerder klager privé en een aantal van zijn bedrijven in het verleden heeft bijgestaan. Verweerder stelt dat het bedrijf W B.V. van klager geen cliënt van zijn kantoor is geweest zodat het hem vrij stond om namens N B.V. op te treden in een procedure tegen W B.V. Klager heeft tegenover deze gemotiveerde betwisting door verweerder niet concreet met stukken aangetoond dat óók W B.V. cliënt van (het kantoor van) verweerder is geweest. Anders dan klager betoogt, is het enkele feit dat verweerder zich na een daartoe strekkend verzoek van de advocaat van klager op 3 november 2023 heeft onttrokken nog geen erkenning van verweerder dat hij, of zijn kantoor, W B.V. wel als cliënt hebben bijgestaan.

5.15 Gelet hierop is gedragsregel 15 naar het oordeel van de raad niet van toepassing omdat niet is komen vast te staan dat sprake is (geweest) van een advocaat-cliënt relatie tussen W B.V. en verweerder.

5.16 Zoals hierboven in de maatstaf onder 5.2 genoemd, kan een situatie die (net) buiten de reikwijdte van het verbod van gedragsregel 15 valt, toch tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. Daarvan is de raad uit de stukken niet gebleken. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat hij in de procedure tegen W B.V. tot aan zijn onttrekking in november 2023 inhoudelijk geen werkzaamheden heeft gedaan en W B.V. en klager daardoor niet in enig belang kan zijn geschaad. Uit de omstandigheid dat verweerder op 23 september 2024 het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van mevrouw M heeft ingetrokken, kan nog worden afgeleid dat verweerder daarmee richting klager alsnog een belangenconflict heeft erkend. Verweerder heeft voor de intrekking van dat verzoek ook een duidelijke verklaring gegeven en in het partijdig belang van zijn cliënte gehandeld. Dat mevrouw M uiteindelijk in het kader van een schikking met N B.V. haar verklaring van 28 augustus 2024 heeft ingetrokken, kan verweerder niet worden aangerekend.

5.17 Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerder in deze niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel b) wordt ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel c)

de huidige advocaat van klager te intimideren;

Toelichting van klager

5.18 Volgens klager heeft verweerder zijn advocaat via e-mail geïntimideerd, althans heeft de heer G van N B.V. dat gedaan en heeft verweerder dat gesteund en gefaciliteerd.

Verweer van verweerder

5.19 Verweerder betwist dat hij of zijn cliënte de advocaat van klager hebben geïntimideerd.

Oordeel van de raad

5.20 Klager heeft dit verwijt niet concreet met stukken onderbouwd. Nu een feitelijke grondslag voor een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder ontbreekt, wordt klachtonderdeel c) ongegrond verklaard.

 

6 MAATREGEL

6.1 Naar het oordeel van de raad is verweerder te nauw betrokken geraakt bij de emotioneel beladen kwesties tussen de bestuurder van zijn cliënte en diens ex-partner en ex-medewerkster, mevrouw M, en de voormalig zakenpartner van zijn cliënte, klager. Verweerder heeft mogelijk daardoor teveel naar de opdrachten van zijn cliënte geluisterd zonder zich daarbij ook rekenschap te geven van zijn eigen verantwoordelijkheid daarin en van de gevolgen van de door hem gekozen aanpak voor de betrokken derden, waaronder ook klager.

6.2 De raad is van oordeel dat een maatregel van waarschuwing in deze situatie voor verweerder, die geen tuchtrechtelijk verleden heeft, passend en geboden is.

 

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klager,

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a) gegrond;

-    verklaart de klachtonderdelen b) en c) ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

 

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. P. Rijnsburger en L.S. Wachters, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn] als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 4 mei 2026