Rechtspraak
Uitspraakdatum
11-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:57
Zaaknummer
26-058/DB/OB
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij deels gegrond. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij in strijd heeft gehandeld met de gedragsregels 21 lid 3 en 25, doordat zij een niet voor haar of haar cliënt bestemde e-mail van 8 oktober 2024 aan haar cliënt heeft doorgestuurd en doordat zij in rechte feiten heeft gesteld, waarvan zij de onjuistheid kende. Daarmee staat vast dat verweerster in een en dezelfde zaak meerdere tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen heeft gepleegd. Dat verontrust de raad want hierdoor ontstaat de indruk dat verweerster structureel onvoldoende alertheid betoont bij het naleven van de gedragsregels. Omdat verweerster ter zitting op overtuigende wijze reflectie heeft getoond, aan klaagster haar verontschuldigingen heeft aangeboden, de gedragsrechtelijke misstappen van verweerster van relatieve ernst zijn en geen schade bij klaagster hebben veroorzaakt, zal de raad echter volstaan met oplegging van een waarschuwing. Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij deels gegrond. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij in strijd heeft gehandeld met de gedragsregels 21 lid 3 en 25, doordat zij een niet voor haar of haar cliënt bestemde e-mail van 8 oktober 2024 aan haar cliënt heeft doorgestuurd en doordat zij in rechte feiten heeft gesteld, waarvan zij de onjuistheid kende. Daarmee staat vast dat verweerster in een en dezelfde zaak meerdere tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen heeft gepleegd. Dat verontrust de raad want hierdoor ontstaat de indruk dat verweerster structureel onvoldoende alertheid betoont bij het naleven van de gedragsregels. Omdat verweerster ter zitting op overtuigende wijze reflectie heeft getoond, aan klaagster haar verontschuldigingen heeft aangeboden, de gedragsrechtelijke misstappen van verweerster van relatieve ernst zijn en geen schade bij klaagster hebben veroorzaakt, zal de raad echter volstaan met oplegging van een waarschuwing.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 11 mei 2026
in de zaak 26-058/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 1 juni 2025 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: “de deken”).
1.2 Op 22 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|25|089K van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 30 maart 2026. Verschenen zijn klaagster en verweerster. Klaagster heeft ter zitting van de raad een pleitnota voorgedragen. Voor zover klaagster daarin nieuwe klachten heeft geuit, worden die in de onderhavige beslissing buiten beschouwing gelaten. De raad geeft namelijk enkel een tuchtrechtelijk oordeel over klachten die reeds door de deken zijn onderzocht.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de volgende nagekomen stukken:
- de e-mail met bijlagen van klaagster van 13 maart 2026;
- de e-mail met bijlage van verweerder van 16 maart 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Tussen klaagster (en haar echtgenoot) enerzijds en de heer D anderzijds is sprake (geweest) van een langlopend geschil over de door D van klaagster (en haar echtgenoot) gehuurde woning. Het geschil had onder meer betrekking op de beëindiging van de huurovereenkomst en op door D gestelde gebreken aan het gehuurde. Het geschil heeft geleid tot meerdere gerechtelijke procedures.
2.3 De heer D heeft zich voor rechtsbijstand gewend tot verweerster. Klaagster is in alle procedures bijgestaan door mr. V, advocaat.
2.4 Verweerster heeft D bijgestaan in een door klaagster aanhangig gemaakte kort geding procedure. D is vervolgens door een andere advocaat bijgestaan in de daarop volgende bodemprocedure in eerste aanleg en een tweede kort geding procedure. Vanaf 30 januari 2024 heeft verweerster D bijgestaan in een appelprocedure. De met verweersters rechtsbijstand samenhangende kosten werden vergoed door de rechtsbijstandsverzekeraar van D.
2.5 Verweerster heeft namens D een memorie van grieven ingediend. Als productie 40 was aan deze memorie van grieven gehecht een door D opgesteld schriftelijk stuk waarin werd gesteld:
“Alleen al per 2024 zijn de advocaatkosten opgelopen tot € 34.000. Dit is een extra belasting, boven op de huur van ruim € 24.000 per jaar.”
en
“Juridische kosten, alleen al in 2024, 34.000,- euro aan advocaatkosten. Welke ik genoodzaakt ben te maken om een dak boven het hoofd te houden bovenop een normale huur van 24.000 per jaar.”
2.6 Op 8 oktober 2024 heeft mr. V een aan klaagster gerichte e-mail over de aanpak van de zaak, die niet voor verweerster, maar voor klaagster bestemd was, abusievelijk aan verweerster gestuurd. Verweerster heeft deze e-mail doorgestuurd aan haar cliënt. Op 9 oktober 2024 heeft mr. V verweerster verzocht om de e-mail niet door te sturen aan haar cliënt. Verweerster heeft daarop – onder meer - geantwoord dat zij de e-mail al aan haar cliënt had doorgestuurd.
2.7 Op 9 januari 2025 heeft de mondelinge behandeling in appel plaatsgevonden. Het Hof heeft bepaald dat op 25 februari 2025 arrest zou worden gewezen en dat partijen, indien zij een minnelijke regeling zouden treffen, dit voor of uiterlijk op 23 januari 2025 aan het Hof konden laten weten. Bij e-mail van 22 januari 2025 heeft verweerster zonder voorafgaand overleg met mr. V aan het Hof verzocht om de termijn waarbinnen aan het Hof kon worden bericht dat partijen een minnelijke regeling tot stand hadden gebracht, te verlengen met een week. Nadat mr. V verweerster bij e-mail van 23 januari 2025 erop had gewezen dat zij in strijd met de gedragsregels had gehandeld en haar had verzocht om het bericht van het Hof in te trekken heeft verweerster dat diezelfde dag gedaan en aan mr. V haar excuses aangeboden.
2.8 Verweerster heeft in appel namens D een verzoek tot wraking ingediend en D bijgestaan in de daarop volgende wrakingsprocedure. Ook de hiermee samenhangende kosten werden vergoed door de rechtsbijstandsverzekeraar van D. Het verzoek tot wraking is niet gehonoreerd.
2.9 Bij arrest van het Hof van maart 2025 is de huurovereenkomst ontbonden en is D veroordeeld tot ontruiming en tot betaling van achterstallige huur.
2.10 Bij e-mail van 3 april 2025 heeft verweerster rechtsreeks aan klaagster medegedeeld dat vanwege het verkregen arrest aan haar rechtsbijstand een einde was gekomen, zodat zij klaagster verzocht om niet meer in verdere correspondentie te worden betrokken.
2.11 Op 1 juni 2025 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
1. Verweerster is enkel uit geweest op persoonlijk (financieel) gewin;
2. Verweerster heeft klaagster met uitstelverzoeken, vertragingen en een wrakingsverzoek op hoge en onnodige kosten gejaagd;
3. Verweerster heeft haar cliënt in de procedure bijgestaan terwijl zij wist dat in een eerdere procedure was vastgesteld dat klaagster correct en tijdig de huurovereenkomst had opgezegd en dat de vorderingen op grond van ernstige gebreken tot twee keer toe waren afgewezen;
4. Verweerster heeft met haar handelen diverse gedrags- en procesregels overtreden en heeft misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid gemaakt.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Beoordeling
Klachtonderdeel 1
Klaagster verwijt verweerster dat zij enkel uit is geweest op persoonlijk (financieel) gewin. Verweerster heeft dit klachtonderdeel uitdrukkelijk weersproken en heeft daartoe gesteld dat zij zich in haar optreden enkel heeft laten leiden door het belang van haar cliënt. De raad is van oordeel dat klaagster dit klachtonderdeel onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. De raad heeft in de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht geen enkel aanknopingspunt kunnen vinden voor de juistheid van het verwijt dat verweerster zich in de wijze waarop zij haar cliënt heeft bijgestaan enkel heeft laten leiden door persoonlijk (financieel) gewin. De raad zal klachtonderdeel 1 bij gebreke van feitelijke grondslag ongegrond verklaren. 5.3 Klachtonderdeel 2
Klaagster verwijt verweerster dat zij klaagster met uitstelverzoeken, vertragingen en een wrakingsverzoek op hoge en onnodige kosten heeft gejaagd. Ook dit klachtonderdeel is uitdrukkelijk door verweerster weersproken. De raad overweegt als volgt. Het moge zo zijn dat de wijze waarop verweerster haar cliënt in de procedures heeft bijgestaan klaagster onwelgevallig was, maar dat betekent niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het was nu eenmaal de taak van verweerster om de belangen van haar cliënt te behartigen. In dat verband stond het verweerster vrij om in overleg met haar cliënt de aanpak van de zaak en de strategie te bepalen en om in de procedures datgene te doen wat haar gelet op de behartiging van de belangen van haar cliënt goeddunkte. Dat klaagster de uitstelverzoeken, het wrakingsverzoek en de daardoor veroorzaakte vertraging als onprettig heeft ervaren, is begrijpelijk, maar de raad is geenszins gebleken dat verweerster daarmee klaagsters belangen onnodig of op een ontoelaatbare manier heeft geschaad. Tegenover het gemotiveerde verweer van verweerster heeft klaagster dit onderdeel van de klacht naar het oordeel van de raad onvoldoende onderbouwd. De raad zal klachtonderdeel 2 op grond van het voorgaande ongegrond verklaren.
5.4 Klachtonderdeel 3
Klaagster verwijt verweerster dat zij haar cliënt in de procedure heeft bijgestaan terwijl zij wist dat in een eerdere procedure was vastgesteld dat klaagster correct en tijdig de huurovereenkomst had opgezegd en dat de vorderingen op grond van ernstige gebreken tot twee keer toe waren afgewezen. Verweerster heeft betwist tuchtrechtelijk verwijtbaar te hebben gehandeld. Verweerster heeft in dat verband naar voren gebracht dat haar cliënt een gerechtvaardigd belang had bij het instellen van hoger beroep om beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning te voorkomen en om een herbeoordeling van het geschil te verkrijgen ten aanzien van onder andere de gebreken aan het gehuurde en de daaraan gekoppelde huurvermindering. De raad overweegt als volgt.
5.5 Dit klachtonderdeel heeft betrekking op verweersters bijstand in de appelprocedure. Dat de cliënt in eerste aanleg op een of meerdere punten in het ongelijk is gesteld, betekent niet dat het een advocaat niet vrijstaat om in hoger beroep nogmaals de standpunten van de cliënt naar voren te brengen. Verweerster heeft dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door haar cliënt in hoger beroep bij te staan en in die procedure de standpunten van haar cliënt naar voren te brengen. Het stond verweerster eveneens vrij om in die appelprocedure namens haar cliënt stellingen te poneren die afweken van de in de voorafgaande procedures geponeerde stellingen. De appelprocedure biedt de mogelijkheid nu eenmaal. Omdat de raad op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet is gebleken dat verweerster op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, zal de raad ook klachtonderdeel 3 ongegrond verklaren.
5.6 Klachtonderdeel 4
Klaagster verwijt verweerster dat zij met haar handelen diverse gedrags- en procesregels heeft overtreden en misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt. Verweerster heeft ook dit klachtonderdeel gemotiveerd weersproken. De raad overweegt als volgt.
5.7 Vast staat dat verweerster klaagster bij e-mail van 3 april 2025 rechtstreeks heeft aangeschreven, terwijl verweerster wist dat klaagster werd bijgestaan door mr. V, advocaat. Gedragsregel 25 bepaalt dat de advocaat zich met een partij betreffende een aangelegenheid, waarin deze naar hij weet door een advocaat wordt bijgestaan, niet anders in verbinding stelt dan door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze laatste hem toestemming geeft rechtstreeks met die partij in verbinding te treden. Deze regel geldt onverminderd wanneer de bedoelde partij zich tot de advocaat wendt (lid 1). In afwijking van het bepaalde in lid 1 mag de advocaat die een aanzegging met rechtsgevolg doet, dat rechtstreeks aan een partij doen, mits met gelijktijdige verzending van een afschrift aan diens advocaat en op voorwaarde dat de mededeling aan een partij beperkt blijft tot deze aanzegging met rechtsgevolg. Indien de advocaat het beoogde rechtsgevolg ook kan bereiken door zijn brief alleen aan de advocaat van een partij te zenden, geldt voormelde uitzondering niet (lid 2).
5.8 Omdat gesteld noch gebleken is dat in de onderhavige zaak aan de in gedragsregel 25 lid 2 genoemde voorwaarden is voldaan, stond het verweerster niet vrij om klaagster rechtstreeks aan te schrijven. Door dit wel te doen heeft verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. In zoverre is klachtonderdeel 4 gegrond.
5.9 Verder staat vast dat verweerster bij e-mail 22 januari 2025 het gerechtshof heeft benaderd met een uitvoerig onderbouwd verzoek om uitstel. Op dat moment stond de zaak voor arrest en van vooraf verkregen toestemming van mr. V was geen sprake. Het is de advocaat op grond van gedragsregel 21 lid 3 echter niet toegestaan om zich, nadat uitspraak is bepaald, zonder toestemming van de wederpartij tot de rechter te wenden. Dat verweerster de e-mail op eerste verzoek van mr. V heeft ingetrokken en haar verontschuldigingen aan mr. V heeft aangeboden, ontneemt naar het oordeel van de raad aan verweersters handelen niet het tuchtrechtelijk verwijtbare karakter. In zoverre is klachtonderdeel 4 gegrond.
5.10 Ook het doorsturen van de niet voor verweerster bestemde e-mail van mr. V d.d. 8 oktober 2024 acht de raad tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerster heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zij de e-mail niet helemaal heeft gelezen voordat zij deze doorstuurde aan haar cliënt. De raad acht dit onzorgvuldig. Het had op de weg gelegen van verweerster om de e-mail voorafgaand aan doorzending te lezen. Had zij dat gedaan, dan had zij gezien dat verzending van de e-mail berustte op een vergissing en dan had zij daarover contact kunnen zoeken met mr. V. Verweerster heeft dit alles nagelaten en daarmee onvoldoende oog gehad voor de belangen van de wederpartij van haar cliënt. Ook in zoverre is klachtonderdeel 4 gegrond.
5.11 De raad acht verder tuchtrechtelijk verwijtbaar het als productie 40 (bij de memorie van grieven) in het geding brengen van een door D opgesteld schriftelijk stuk, waarin melding wordt gemaakt van een bedrag van € 34.000,00 aan gemaakte advocaatkosten. Immers, door dit stuk zonder nadere toelichting of nuancering in het geding te brengen, heeft verweerster in de door haar ingediende memorie van grieven de indruk gewekt dat de genoemde advocaatkosten van € 34.000,00 door D zelf werden gedragen, terwijl verweerster wist dat dit niet het geval was, nu de kosten van rechtsbijstand volledig werden vergoed door de rechtsbijstandsverzekeraar. Het moge zo zijn dat niet verweerster, maar haar cliënt, het als productie 40 in het geding gebrachte stuk had vervaardigd, maar verweerster is als advocaat verantwoordelijk voor de inhoud van de processtukken, waartoe ook de producties moeten worden gerekend. Aldus heeft verweerster in rechte een feit gesteld, althans is onder verweersters verantwoordelijkheid in rechte een feit gesteld, waarvan zij de onjuistheid kende. In zoverre is klachtonderdeel 4 dan ook gegrond.
5.12 Klaagster heeft verder gesteld dat de gehele appelprocedure, de verzoeken om uitstel en het wrakingsverzoek als misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid moeten worden gekwalificeerd. De raad volgt klaagster daarin niet. De raad verwijst in dit verband naar hetgeen is overwogen onder 5.3. In het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënt stond het verweerster vrij om overleg met haar cliënt de aanpak van de zaak en de strategie te bepalen en om in de gerechtelijke procedure datgene te doen wat haar gelet op de behartiging van de belangen van haar cliënt goeddunkte. Van misbruik van recht of misbruik van bevoegdheid is de raad niet gebleken. In zoverre is klachtonderdeel 4 ongegrond.
5.13 Voor zover klaagster verweerster verwijt dat zij bewust onjuiste of misleidende informatie heeft verstrekt, heeft te gelden dat het de taak van verweerster was om de belangen van haar cliënt te behartigen. In dat verband stond het verweerster vrij om op basis van de van haar cliënt verkregen informatie de standpunten van haar cliënt naar voren te brengen. Ook stond het verweerster vrij om namens haar cliënt de processtukken in te richten op een wijze die haar, met het oog op de door haar te behartigen belangen, juist voor kwam. Dat klaagster zich niet in de door verweerster naar voren gebrachte standpunten kan vinden, betekent nog niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Indien en voor zover klaagster het met de door verweerster naar voren gebrachte standpunten niet eens was, konden zij en haar advocaat zich daartegen in de civiele procedure verweren. De raad overweegt voorts dat het tuchtrecht niet is bedoeld voor het voeren van een discussie over de juistheid van de standpunten van partijen in een civielrechtelijk geschil. Het is aan de civiele rechter, en niet aan de tuchtrechter, om daarover een oordeel te geven. Naar het oordeel van de raad is, met uitzondering van hetgeen onder 5.11 aan de orde is gesteld, niet gebleken dat verweerster feiten heeft geponeerd waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen. In zoverre is klachtonderdeel 4 dan ook ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij in strijd heeft gehandeld met de gedragsregels 21 lid 3 en 25, doordat zij een niet voor haar of haar cliënt bestemde e-mail van 8 oktober 2024 aan haar cliënt heeft doorgestuurd en doordat zij in rechte feiten heeft gesteld, waarvan zij de onjuistheid kende. Daarmee staat vast dat verweerster in een en dezelfde zaak meerdere tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen heeft gepleegd. Dat verontrust de raad want hierdoor ontstaat de indruk dat verweerster structureel onvoldoende alertheid betoont bij het naleven van de gedragsregels. Omdat verweerster ter zitting op overtuigende wijze reflectie heeft getoond, aan klaagster haar verontschuldigingen heeft aangeboden, de gedragsrechtelijke misstappen van verweerster van relatieve ernst zijn en geen schade bij klaagster hebben veroorzaakt, zal de raad echter volstaan met oplegging van een waarschuwing.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht deels gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klaagster;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klachtonderdelen 1, 2 en 3 ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel 4 gegrond, voor zover dit klachtonderdeel erop ziet dat verweerster de gedragsregels 21 lid 3 en 25 heeft overtreden, dat zij een niet voor haar of haar cliënt bestemde e-mail van 8 oktober 2024 aan haar cliënt heeft doorgestuurd en dat zij in rechte feiten heeft gesteld, waarvan zij de onjuistheid kende, en voor het overige ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems, W.L.H. Aerts, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 11 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 11 mei 2026
