Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

11-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2026:56

Zaaknummer

26-019/DB/LI

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Niet gebleken dat verweerder de afwikkeling van de nalatenschap fors heeft vertraagd en gefrustreerd, noch dat hij, zonder voorafgaand onderzoek en zonder feitelijke onderbouwing, onjuiste stellingen heeft herhaald. Ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 11 mei 2026

in de zaak 26-019/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

verweerder

 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 10 juli 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).

1.2    Op 9 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-072 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 30 maart 2026. Verschenen zijn klager en verweerder.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de volgende nagekomen stukken: -    de e-mail met bijlage van verweerder van 19 januari 2026, -    de e-mail met bijlagen van verweerder van 25 februari 2026, -    de e-mail met bijlagen van klager van 8 maart 2026, -    de e-mail met bijlagen van verweerder van 9 maart 2026.

 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Op 26 november 2023 is klagers vader, de heer G, hierna: “vader”, overleden. In het op 22 november 2023 verleden testament is klager benoemd tot enig erfgenaam en executeur testamentair. Klager heeft een broer (de heer PG) en een zus (mevrouw SBG, hierna: “S”).

2.3    Tot de nalatenschap behoort onder meer een onroerende zaak. Op enig moment is ter zake deze onroerende zaak bij de gemeente een aanvraag tot toekenning van een tweede huisnummer ingediend en vervolgens weer ingetrokken. 

2.4    Klager heeft de tot de nalatenschap behorende onroerende zaak laten taxeren, resulterend in een taxatierapport van S Vastgoed van 30 januari 2024.

2.5    Tussen klager enerzijds en zijn broer en S anderzijds is een geschil ontstaan over de rechtsgeldigheid van het testament en over de afwikkeling van de nalatenschap. In dat verband is een door notaris mr. V (hierna: “de notaris”) opgestelde concept vaststellingsovereenkomst, waarin de legitieme portie van S werd vastgesteld op een bedrag van € 25.759,67, aan S voorgelegd.  S heeft zich voor rechtsbijstand gewend tot verweerder.  

2.6    Bij e-mail van 6 december 2024 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat S zich tot hem had gewend voor rechtsbijstand en heeft hij klager verzocht om hem de boedelbeschrijving te doen toekomen. Bij e-mail van 23 december 2024 heeft verweerder aan de notaris medegedeeld dat S niet kon instemmen met de concept vaststellingsovereenkomst. Ook heeft verweerder aan de notaris medegedeeld dat S niet kon instemmen met het in klagers opdracht opgestelde taxatierapport van 30 januari 2024, omdat in dat rapport geen rekening was gehouden met het aangevraagde tweede huisnummer. Verweerder heeft voorgesteld dat partijen gezamenlijk een onafhankelijk NVM-makelaar zouden benoemen voor de taxatie van de onroerende zaak. Bij e-mail van 23 december 2025 heeft de notaris verweerder bericht dat zij verweerders e-mail zou doorgeleiden aan klager. 

2.7    Klager heeft zich voor rechtsbijstand gewend tot zijn rechtsbijstandsverzekeraar. Klagers zaak is in behandeling genomen door mr. B. Bij e-mail van 12 maart 2025 heeft mr. B namens klager aan verweerder gevraagd of S bereid was tot ondertekening van de eerder voorgelegde vaststellingsovereenkomst. Bij e-mail van 26 maart 2025 heeft mr. B een rappel aan verweerder gestuurd. 

2.8    Bij e-mail van 27 maart 2025 heeft verweerder namens S gereageerd dat S het niet eens was met de taxatie, dat nader onderzoek werd verricht en dat hij op de kwestie zou terugkomen. 

2.9    Bij e-mail van 9 april 2025 heeft verweerder mr. B verzocht om de boedelbeschrijving aan hem te doen toekomen en aan mr. B laten weten dat S de rechtsgeldigheid van het testament in twijfel trok. Bij e-mail van 16 april 2025 heeft mr. B aan verweerder bericht dat de notaris de legitieme portie reeds had berekend en dat eventueel ontbrekende gegevens bij de notaris konden worden opgevraagd. Ook heeft mr. B aan verweerder verzocht om, indien de rechtsgeldigheid van het testament werd betwist, binnen een maand een gerechtelijke procedure aanhangig te maken. 

2.10    Bij e-mail van 1 mei 2025 heeft mr. B aan verweerder een rappel gestuurd. Bij e-mail van 5 mei 2025 heeft verweerder aan mr. B bericht dat hij in afwachting was van informatie van de notaris. 

2.11    Bij e-mail van 22 mei 2025 heeft mr. B verweerder verzocht om binnen twee weken eventuele bezwaren tegen de berekening van de legitieme portie kenbaar te maken. Bij e-mail van 22 mei 2025 heeft verweerder herhaald dat hij in afwachting was van informatie van de notaris en dat S het niet eens was met de taxatie, zodat de onroerende zaak opnieuw getaxeerd moest worden. Bij e-mail van 23 mei 2025 heeft de notaris gereageerd op verweerders e-mail van 5 mei 2025. 

2.12    Bij e-mail van 28 mei 2025 heeft mr. B namens klager betwist dat er sprake was van een tweede huisnummer. 

2.13    In de maanden juni en juli hebben mr. B en verweerder verder gecorrespondeerd over de omvang van de legitieme portie, de taxatie en de kwestie rondom de aanvraag van  een tweede huisnummer. 

2.14    Op 10 juli 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

 

3    KLACHT

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

1.    Verweerder heeft de afwikkeling van de nalatenschap fors vertraagd en gefrustreerd; 2.    Verweerder heeft, zonder voorafgaand onderzoek en zonder feitelijke onderbouwing, onjuiste stellingen herhaald.

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

5.1    Toetsingskader

Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.2    Beoordeling

Klachtonderdelen 1 en 2 

De klachtonderdelen 1 en 2 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Klager verwijt verweerder dat hij de afwikkeling van de nalatenschap fors heeft vertraagd en gefrustreerd (klachtonderdeel 1) en dat hij onjuiste stellingen heeft herhaald (klachtonderdeel 2). Verweerder heeft beide verwijten uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken. De raad overweegt als volgt.  

5.3    Het was de taak van verweerder om in het kader van het behartigen van de belangen van zijn cliënte de standpunten van zijn cliënte naar voren te brengen. Verweerder heeft daarbij gebruik gemaakt van het feitenmateriaal dat zijn cliënte hem had verschaft. Op basis van de overgelegde stukken is niet gebleken dat het hier ging om informatie waarvan verweerder wist of had moeten weten dat deze onjuist was. Indien en voor zover klager het met de door verweerder naar voren gebrachte standpunten niet eens was of deze naar de mening van klager feitelijke onjuistheden bevatten, kon hij (dan wel zijn rechtsbijstandsverlener) daarop in correspondentie reageren. Duidelijk is dat klager en verweerders cliënte van mening verschilden over diverse zaken, waaronder de taxatie, de vraag of er een tweede huisnummer was aangevraagd en of (de notaris namens) klager aan verweerder voldoende informatie had verstrekt. Het is echter niet aan de tuchtrechter om te oordelen over de geschilpunten die partijen in een civielrechtelijk geschil verdeeld houden. Dat verweerder bewust onjuiste stellingen heeft geponeerd en is blijven herhalen, blijkt niet uit de overgelegde stukken. 

5.4    Klager verwijt verweerder verder dat hij de afwikkeling van de nalatenschap fors heeft vertraagd en gefrustreerd door klagers e-mails niet binnen een redelijke termijn te beantwoorden. Ook dit verwijt is naar het oordeel van de raad onterecht. Het was aan verweerder om in overleg met zijn cliënte de strategie te bepalen en om in dat kader te bepalen op welke wijze over de kwestie werd gecorrespondeerd. Dat verweerder daarbij de zaak nodeloos heeft vertraagd of anderszins de belangen van klager nodeloos of onevenredig heeft geschaad is de raad niet gebleken. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is hier geen sprake. 

5.5  De raad komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. De klacht moet derhalve in beide onderdelen ongegrond worden verklaard. 

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht in beide onderdelen ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems, W.L.H. Aerts, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 11 mei 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 11 mei 2026