Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:112

Zaaknummer

26-212/AL/MN

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijk geschil Verweerster mocht uitgaan van de juistheid van de informatie die zij van haar cliënte kreeg. Niet gebleken dat er onjuiste informatie is opgenomen. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 4 mei 2026 in de zaak 26-212/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over

 

verweerster

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 12 maart 2026 met kenmerk Z 2493717/MK/SD.

 

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Verweerster staat de ex-vrouw van klager bij in een echtscheidingsprocedure. Op 4 mei 2025 heeft verweerster een verzoekschrift voorlopige voorzieningen ingediend namens de vrouw van klager, om uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te verkrijgen voor de ex-vrouw. In het verzoekschrift maakt verweerster melding van een incident in januari 2025, waarbij klager de ex-partner en hun dochter uit huis zou hebben gezet en de boeken van de ex-partner zou hebben verscheurd. Ook wordt melding gemaakt van een incident in maart 2025, waarbij klager verbaal agressief zou zijn geweest tegen de ex-partner. De politie zou aldus het verzoekschrift tijdens beide incidenten ter plaatse zijn gekomen. 

1.2 Op 19 mei 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

 

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door informatie te verstrekken waarvan zij wist, althans behoorde te weten, dat deze onjuist was.

 

3 VERWEER

3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: – het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, – het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, – het verloop van het geschil tot dan toe en – de kans op succes van de procedure.

Beoordeling

4.3 Verweerster mocht uitgaan van de juistheid van de informatie die zij van haar cliënte kreeg. Volgens klager bestaat het volledige verzoekschrift uit leugens en hebben de incidenten niet plaatsgevonden, maar hij heeft dat niet verder onderbouwd of geconcretiseerd met stukken. Het is de voorzitter dan ook niet gebleken dat verweerster in haar verzoekschrift informatie heeft opgenomen waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist was. De klacht is kennelijk ongegrond.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.

Griffier                     Voorzitter

 

Verzonden op : 4 mei 2026