Rechtspraak
Uitspraakdatum
04-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:141
Zaaknummer
250274
Inhoudsindicatie
Verweerder heeft de opdracht tot het bijstaan van klager in een cassatieprocedure aanvaard. In de opdrachtbevestiging die aan klager is gestuurd, zijn de argumenten die de gemachtigde van klager naar voren gebracht wilde zien, niet opgenomen. Verweerder heeft vervolgens zonder overleg met klager of zijn gemachtigde een cassatieschriftuur ingediend bij de Hoge Raad. Ook daarin zijn de door gemachtigde van klager voorgestane argumenten niet opgenomen. Verweerder heeft verklaard dat hij dit telefonisch met klager heeft afgestemd, echter een schriftelijke bevestiging hiervan ontbreekt. Het hof is van oordeel dat het van essentieel belang is dat een advocaat belangrijke afspraken met de client schriftelijk vastlegt. In de -zeer korte- opdrachtbevestiging staan geen afspraken over de aanpak van de zaak. Indien verweerder de argumenten die klager, bij monde van zijn gemachtigde, niet aan de Hoge Raad had willen voorleggen, dan past dat enerzijds bij de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt, maar geldt anderzijds dat verweerder daarover bij aanvaarding van de opdracht of nadien duidelijk had moeten zijn. Verweerder heeft op geen enkel moment, tijdens de aanvaarding van de opdracht noch daarna toen hij er achter kwam dat hij de argumenten die gemachtigde van klager niet wilde gebruiken, gecommuniceerd dat hij niet bereid was om deze argumenten in rechte naar voren te brengen. Verweerder heeft evenmin gevraagd of klager dan nog wel wilde dat hij in de cassatieprocedure voor hem zou optreden. Als verweerder telefonisch met klager heeft besproken dat hij de argumenten van de gemachtigde van klager niet zou opnemen, dan had verweerder dit schriftelijk moeten vastleggen. Dat heeft verweerder niet gedaan. Het verwijt van klager dat verweerder zijn werkzaamheden heeft verricht zónder acht te slaan op de specifieke wensen van klager, wordt versterkt doordat verweerder de cassatieschriftuur heeft ingediend zonder het concept aan klager voor te leggen. Als hij dat had gedaan, dan had klager -of zijn gemachtigde- gezien dat daarin niet stond wat de gemachtigde namens klager had gevraagd. Het argument van verweerder dat hij dominus litis is, maakt niet dat hij zonder meer zonder overleg met zijn client mag handelen. Als verweerder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid als advocaat bepaalde argumenten niet naar voren had willen brengen, dan had hij dit moeten communiceren en in het meest verstrekkende geval de opdracht terug moeten geven. Verweerder heeft niet juist gehandeld door de opdracht aan te nemen en vervolgens -zonder communicatie met de client- zijn eigen gang te gaan bij de uitvoering van die opdracht. Hij heeft hierbij de wensen die namens zijn waren geuit genegeerd. Dat is een taakopvatting die niet bij de advocatuur past. Gezien de aard en de ernst van de in hoger beroep gegrond verklaarde klachtonderdelen, ziet het hof aanleiding de maatregel te verzwaren en over te gaan tot de oplegging van een berisping.
Uitspraak
Beslissing van 4 mei 2026 in de zaak 250274
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Het betreft een klacht van klager tegen zijn eigen advocaat die hem heeft bijgestaan in een cassatieprocedure. De klacht ziet op de kwaliteit van de dienstverlening in deze procedure en betreft onder andere de inhoud van de ingediende cassatieschriftuur, de communicatie met de gemachtigde van klager en de wijze van opdrachtuitvoering. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft de klacht op één onderdeel gedeeltelijk gegrond verklaard. Door de cassatieschriftuur in te dienen zonder dit vooraf aan klager voor te leggen, heeft verweerder volgens de raad niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een behoorlijk advocaat mag worden verwacht. De raad heeft aan verweerder de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Klager kan zich hier niet in vinden en heeft beroep ingesteld.
1.2 Het Hof van Discipline (hierna: het hof) zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-098/A/A) een beslissing gewezen op 7 juli 2025. In deze beslissing is de klacht van klager gedeeltelijk gegrond verklaard (klachtonderdeel d) en zijn de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:116 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 6 augustus 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van verweerder. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 9 maart 2026. Daar zijn klager, bijgestaan door zijn gemachtigde M. van Tongeren, en verweerder verschenen. Klager heeft zijn standpunt doen toelichten aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2 Klager had een website waarop uitlatingen stonden die ertoe hebben geleid dat tegen klager strafrechtelijk aangifte is gedaan.
3.3 Bij vonnis van 15 mei 2019 heeft de rechtbank Amsterdam klager veroordeeld voor het plegen van de uitingsdelicten neergelegd in de artikelen 137c en d van het Wetboek van Strafrecht. Klager heeft op 26 oktober 2022 tegen de veroordeling hoger beroep ingesteld.
3.4 Bij arrest van 4 juli 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, wegens het te laat instellen van het hoger beroep. Diezelfde dag heeft klager tegen dit arrest cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
3.5 In juli 2023 heeft de gemachtigde van klager telefonisch contact gehad met verweerder over het verlenen van bijstand aan klager in de cassatieprocedure.
3.6 Bij e-mail van 27 juli 2023 heeft de gemachtigde van klager verweerder, voor zover relevant, het volgende bericht:
“Eerder deze week sprak ik telefonisch over het cassatieberoep dat was ingesteld (…) door: Verdachte [klager] (…) om hem bij te staan op toevoegingsbasis. Het is de uitdrukkelijke wens van [klager] dat hij zo weinig mogelijk tijd wenst te besteden aan deze procedure, daarom sta ik hem bij. (…) De klachten die bestaan vallen uiteen in schending van de openbaarheid en schending van internationaalrechtelijke verplichtingen. [toelichting] Graag verneem ik of u bereid bent om deze zaak aan te nemen en om daarbij over de schending van de openbaarheid en schending van internationaalrechtelijke verplichtingen te klagen. Uiteraard wordt uw deskundigheid en het aanvoeren van meer en/of betere klachten (op basis van het dossier) zeer gewaardeerd.”
3.7 Bij e-mail van 8 augustus 2023 heeft verweerder aan klager een opdrachtbevestiging gestuurd. Hierin schrijft hij, onder meer, het volgende:
“Geachte [klager], Hierdoor bevestig ik uw verzoek om bijstand in uw cassatieprocedure bij de Hoge Raad. Ik heb mij gesteld als uw advocaat en een toevoeging aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand. De processtukken zijn nog niet bij de Hoge Raad binnengekomen. Zodra dat het geval is en mij een termijn is gesteld voor het indienen van een cassatieschriftuur, zal ik bezien of ik cassatieklachten kan formuleren en u van mijn bevindingen op de hoogte stellen. Als ik meen dat het gerechtshof Amsterdam in zijn uitspraak vormen heeft verzuimd of het recht onjuist heeft toegepast, zal ik daarover in een cassatieschriftuur klagen.
Indien u vragen heeft dan kunt u mij mailen of bellen.”
3.8 Bij e-mail van 13 augustus 2023 heeft klager aan verweerder meegedeeld:
“Dank dat u deze zaak wilt oppakken. Ik heb bericht gehad van Raad voor Rechtsbijstand. Zij hebben positief gereageerd op de aanvraag. Ik moet nu 159 euro aan u betalen. Wanneer zal ik dat doen?”
3.9 Bij e-mail van 14 augustus 2023 heeft verweerder aan klager bericht:
“Dank voor uw bericht. Ik zal u na mijn vakantie (t/m 27-08) een factuur sturen voor het voldoen van de eigen bijdrage.”
3.10 Bij e-mail van 19 september 2023 heeft klager aan verweerder gevraagd of hij al met zijn zaak was begonnen.
3.11 Bij e-mail van 9 oktober 2023 heeft verweerder aan klager geantwoord:
“Bijgaand zend ik u de factuur ter voldoening van de eigen bijdrage. De stukken zijn nog niet binnengekomen bij de Hoge Raad. Ik bericht u zodra dit het geval is.”
3.12 Op 30 november 2023 heeft klager verweerder een brief ter kennis gebracht. In antwoord op de brief heeft verweerder diezelfde dag aan klager geschreven:
“Dank voor uw bericht. De brief houdt in dat er binnen een termijn van 60 dagen na betekening (ik maak uit uw bericht op: vandaag) daarvan cassatiemiddelen moeten worden ingediend. Na een korte bestudering van de stukken heb ik in elk geval één cassatiemiddel gevonden. Een tweede cassatieklacht vergt nog nadere studie. Ik zal u te zijner tijd een kopie sturen van de door mij ingediende cassatieschriftuur.”
3.13 Op 24 januari 2024 heeft verweerder namens klager een cassatieschriftuur bij de Hoge Raad ingediend.
3.14 Bij e-mail van eveneens 24 januari 2024 heeft verweerder aan klager de ingediende cassatieschriftuur toegezonden en hem daarbij als volgt bericht:
“Bijgaand zend ik u de cassatieschriftuur die ik vandaag indiende bij de Hoge Raad. Van de inzending ontving ik ook een ontvangstbevestiging, waarvan u bijgaand een kopie aantreft. Alvorens de Hoge Raad zich buigt over de afdoening van de zaak, zal de advocaat-generaal bij de Hoge Raad de zaak beoordelen en daarover een conclusie opstellen. Daarvan krijg ik te zijner tijd afschrift, dat ik aan u zal doorsturen. Ik houd u overigens op de hoogte van de ontwikkelingen”
3.15 Bij e-mail van 29 januari 2024 om 08:18 uur heeft de gemachtigde van klager aan verweerder geschreven, voor zover relevant:
“Via [klager] heb ik kennis genomen van uw schriftuur van 24-01-2024 en van de communicatie die u, buiten mij om, met hem heeft gehad.
Telefonisch hebben wij besproken dat (1) de uitdrukkelijke wens bestond om twee middelen van cassatie in te dienen (2) u het dossier zou opvragen bij de Hoge Raad en dan een terugkoppeling zou geven ten aanzien van de twee middelen van cassatie (3) u eventueel de gelegenheid zou bieden voor een “second opinion” - uw eigen bewoordingen - indien de middelen van cassatie die u wilde indienen niet overeenkomen met de uitdrukkelijke voorkeuren van [klager]. Ook (4) is gesteld dat ik [klager] - die immers geen jurist is - ter behartiging van zijn belangen zou bijstaan. Mijn e-mail van 27-07-2023 geeft reflectie van deze gang van zaken. Deze e-mail heeft als voorlaatste volzin:
“Graag verneem ik of u bereid bent om deze zaak aan te nemen en om daarbij over de schending van de openbaarheid en schending van internationaalrechtelijke verplichtingen te klagen.”
U heeft, buiten mij om, op 09-10-2023 aan [klager] per e-mail bericht:
“De stukken zijn nog niet binnengekomen bij de Hoge Raad. Ik bericht u zodra dit het geval is.”
Vervolgens heeft u, tegen de gemaakte afspraken en gedane toezeggingen in, geen bericht gegeven dat de stukken zijn binnengekomen bij de Hoge Raad en heeft u op 24-01-2024 een schriftuur ingediend zonder dat daarbij over de schending van de openbaarheid en schending van internationaalrechtelijke verplichtingen is geklaagd! (…) Nu u zonder enige communicatie van de opdracht en werkwijze bent afgewezen kan uw schriftuur, met de weggelaten middelen, uiteraard niet door [klager] worden aanvaard. Bij dezen geef ik u namens [klager] de SPOEDOPDRACHT om: a. al uw andere werkzaamheden zo veel mogelijk stil te leggen; b. per ommegaande een eerste korte reactie te sturen op deze e-mail en om aan te geven wat u nog kan doen met inbegrip van eventuele termijnen en vormen voor een (aanvullend) schriftuur; c. de stukken die van de Hoge Raad zijn ontvangen alsnog toe te zenden; d. zo spoedig en zo tijdig mogelijk alsnog een concept-schriftuur op te stellen waarin u klaagt over schending van de internationaalrechtelijke verplichtingen en de schending van de openbaarheid van de zitting en de uitspraak, dit concept-schriftuur zo veel mogelijk voor feedback voor te leggen; e. het (aanvullende) schriftuur in te dienen op een wijze die de acceptatie daarvan door de Hoge Raad maximaliseert. In het geval dat u meent dat het indienen van nadere cassatiemiddelen niet (meer) mogelijk is, kan alsdan direct worden betwist dat u zich bepaaldelijk gevolmachtigd heeft mogen stellen voor de indiening van uw schriftuur van 24-01-2024. Alsdan wordt graag en met spoed vernomen hoe u het nadeel voor [klager] zo veel mogelijk zal beperken, met inbegrip van de mogelijkheid dat u de Hoge Raad bericht dat u zich ten onrechte bepaaldelijk gevolmachtigd heeft gesteld en/of dat u bewerkstelligt dat er voor [klager] alsnog een andere cassatieadvocaat kan worden gezocht die tijdig een schriftuur kan indienen. In geen geval mag u zich onttrekken op een wijze waarbij [klager] peremptoir komt te staan, vraagt u daarom altijd eerst om uitdrukkelijke toestemming indien u overweegt om een dergelijke proceshandeling te verrichten. Indien u daarom verzoekt is het mogelijk dat ik u vandaag zal opbellen.”
3.16 Op 30 januari 2024 hebben verweerder en de gemachtigde van klager naar aanleiding van de e-mail van 29 januari 2024 telefonisch contact gehad.
3.17 Bij e-mail van 2 februari 2024 om 7:46 uur heeft klager het volgende aan verweerder bericht:
“Ten aanzien van mijn zaak bij de Hoge Raad (23/02615) bevestig ik dat [naam gemachtigde van klager] volledig gemachtigd was en is om namens mij alle handelingen te verrichten die hij noodzakelijk acht. In ieder geval was en is [naam gemachtigde van klager] gemachtigd om namens mij een cassatieadvocaat te vinden en om aan hem opdracht te geven, daarbij voorwaarden te stellen, aanwijzingen te geven ten aanzien van het aanvoeren van middelen van cassatie en andere proceshandelingen en om de overeenkomst met de cassatieadvocaat te beëindigen.
Ook is [naam gemachtigde van klager] gemachtigd om namens mij bij u schade te eisen, onderhandelingen met u te voeren, dossierstukken bij u op te vragen, een vaststellingsovereenkomst te sluiten en om tuchtklachten tegen u in te dienen; alsook alle daarmee verband houdende handelingen te verrichten die hij noodzakelijk acht.
Graag ontvang ik, met cc naar [naam gemachtigde van klager], per ommegaande de bevestiging dat u deze kennisgeving van volmacht in goede orde heeft ontvangen en dat u deze accepteert.”
3.18 Bij e-mail van 2 februari 2024 om 15:31 uur heeft verweerder aan klager geantwoord:
“Helaas kan ik onderstaande niet bevestigen. Ik wens ook niet verder met [naam gemachtigde van klager] te communiceren over uw cassatieprocedure en zeker geen opdrachten of instructies van hem aan te nemen.
U heeft mij nooit eerder laten weten dat dit uw wens was en ik heb de stellige indruk dat het [naam gemachtigde van klager] is die via u en mij zijn juridische vondsten bij de Hoge Raad ingang wil doen vinden. Ik heb hem (geheel onverplicht) proberen uit te leggen dat ik zelf de argumenten selecteer die de kans op een geslaagde cassatie zo groot mogelijk maken, en dat ik overleg met een niet in cassatierecht gespecialiseerde betrokkene zinledig acht.
Als u zelf ontevreden bent over de door mij geleverde bijstand, dan geef ik u in overweging een andere advocaat te zoeken die de bijstand in cassatie kan voortzetten. Ik verwijs u hierbij naar de ledenlijst van de Vereniging van Cassatieadvocaten in Strafzaken (VCAS). Lidmaatschap van deze vereniging is overigens niet verplicht om als gemachtigde bij de Hoge Raad op te treden.
https://www.vcas.nl/index.php/leden/
Ik zal uiteraard welwillend reageren op een eventueel overnameverzoek door een opvolgend advocaat.”
3.19 Bij e-mail van 5 februari 2024 heeft de gemachtigde van klager aan verweerder meegedeeld, voor zover relevant:
“Uw e-mailbericht van 02-02-2024 dat u, ondanks dat [klager] u nadrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij uw bericht "met cc naar [naam gemachtigde van klager]" wenst te ontvangen, alléén aan [klager] heeft gericht is niet op rechtsgevolgen gericht. (…)
Uw wens om niet met de ondergetekende te communiceren is kennelijk niet op rechtsgevolgen gericht en wordt ter kennisgeving aangenomen. U wordt bij dezen verzocht om zo veel mogelijk niet meer u rechtstreeks tot [klager] te richten en om in plaats daarvan zo veel mogelijk en uitsluitend met de ondergetekende te communiceren aangaande de rechtsbetrekkingen waarin u met [klager] betrokken bent.
lnzageverzoek
Namens [klager] verzoek ik om inzage, zo veel mogelijk door middel van het verstrekken van afschrift, van het volledige dossier in de zaak [naam klager] (23/02615). Hieronder vallen ten minste, doch geenszins beperkt tot, de volgende stukken en bescheiden, zoveel mogelijk gespecificeerd: (…)”
3.20 Bij e-mail van 7 maart 2024 heeft de gemachtigde van klager aan verweerder bericht:
“U heeft niet binnen de in artikel 12, derde lid, van de AVG (Verordening EU/2016/679) bedoelde termijn op het inzageverzoek van [klager] van 05-02-2024 gereageerd. [Klager] stelt u hierom in gebreke; indien u niet zo spoedig mogelijk op zijn inzageverzoek zult reageren dient u er op bedacht te zijn dat [klager], zonder nader bericht, u voor de bevoegde rechter zal dagen om inwilliging van het inzageverzoek te verkrijgen en/of dat hij vanwege het niet inwilligen van zijn inzageverzoek tegen u een tuchtklacht bij de deken zal indienen.
Het inwilligen van het inzageverzoek is niet alleen in het belang van [klager] en van u, maar tevens in het belang van de deken en van de raad van discipline. Immers, indien u [klager] geen inzage toestaat zal hij op basis van een 'hypothetische feitelijke grondslag' zijn klachten moeten indienen waarbij u alsdan éérst aan de deken en aan de raad van discipline inzage in het dossier zult geven. [Klager] benadrukt met klem dat het beter is om onnodig gecompliceerde klachtenprocedures te voorkomen.
Indien u persisteert in uw sinds 02-02-2024 gevormde attitude - "Ik wens ook niet verder met [de gemachtigde van klager] te communiceren over uw cassatieprocedure en zeker geen opdrachten of instructies van hem aan te nemen" - dan moet tevens het doorlopen van een interne kantoorklachtenregeling zinledig worden geacht. In dat geval zal [klager] zonder nader bericht een tuchtklacht indienen bij de deken. [Klager] verneemt daarom graag per ommegaande of u persisteert in de sinds 02-02-2024 gevormde attitude.”
3.21 Op 8 april 2024 heeft de gemachtigde van klager vervolgens aan verweerder geschreven, voor zover relevant:
“Inmiddels heeft u twee maanden niet gereageerd op het inzageverzoek van [klager] van 05- 02-2024. Evenmin reageert u nog op andere berichten. (…)”
3.22 Op 2 juli 2024 heeft verweerder het volgende aan klager meegedeeld:
“Bijgaand treft u een bericht van de administratie van de Hoge Raad, waarin staat vermeld dat de advocaat-generaal (A-G) op 8 oktober 2024 zijn conclusie zal indienen. Een conclusie van de A-G is een rechtsgeleerd advies aan de Hoge Raad over de afdoening van de zaak.
De datum waarop de A-G conclusie indient, kan nog worden gewijzigd. Ik zal u daarvan op de hoogte stellen als daarvan sprake is.”
3.23 Op 2 juli 2024 heeft de gemachtigde van klager namens klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend.
3.24 Bij arrest van 10 december 2024 heeft de Hoge Raad de door verweerder geformuleerde klachten gegrond verklaard, het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en de zaak van klager teruggewezen naar dit hof om de zaak opnieuw te behandelen en arrest te wijzen.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover van toepassing, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:
a) verweerder heeft een cassatieschriftuur ingediend waarin niet is geklaagd over schendingen van de openbaarheid en schendingen van internationaalrechtelijke verplichtingen, terwijl de opdracht tot het instellen van cassatie onder die voorwaarde aan verweerder was verstrekt, waardoor verweerder zich ten onrechte bepaaldelijk gevolmachtigd heeft gesteld;
b) (..)
c) verweerder heeft niet tijdig laten weten dat hij niet (langer) bereid was te klagen over schendingen van de openbaarheid en schendingen van de internationaalrechtelijke verplichtingen;
d) verweerder heeft een appelschriftuur ingediend terwijl klager en zijn gemachtigde niet akkoord waren met de inhoud daarvan;
e) verweerder heeft een appelschriftuur van lage kwaliteit en slagingskans ingediend;
f) verweerder heeft niet gereageerd op het inzageverzoek, het klaagschrift, de aanzegging en de ingebrekestelling van klager;
g) verweerder heeft de in juli 2023 telefonisch gemaakte afspraken niet schriftelijk vastgelegd;
h) verweerder had meegedeeld dat de termijn voor het indienen of aanvullen van de cassatieschriftuur op 28 januari 2024 was verlopen, terwijl dat nergens uit blijkt; i) verweerder heeft niets gedaan om met spoed een tijdige overdracht van het dossier naar een andere advocaat mogelijk te maken.
5 BEOORDELING RAAD
Klachtonderdeel d)
5.1 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij de cassatieschriftuur heeft ingediend terwijl klager en zijn gemachtigde niet akkoord waren met de inhoud daarvan. Pas nadat verweerder een afschrift van zijn ingediende cassatieschriftuur had doorgestuurd, kwam klager erachter dat verweerder niet had geklaagd over de schendingen van de openbaarheid en schendingen van de internationaalrechtelijke verplichtingen.
5.2 De raad heeft klachtonderdeel d) gedeeltelijk gegrond verklaard. De raad heeft hiertoe overwogen dat ook in een specialistische procedure als cassatie, waarbij de inhoudelijke bijdrage van de cliënt doorgaans beperkt is, een advocaat niet zonder enige vorm van overleg of afstemming processtukken mag indienen. Door dit na te laten heeft verweerder niet voldoende zorgvuldig en in strijd met hetgeen van een behoorlijk advocaat mag worden verwacht, gehandeld. Naar het oordeel van de raad had verweerder de cassatieschriftuur niet mogen indienen zonder dit vooraf in concept aan klager voor te leggen of op z’n minst genomen de door verweerder geformuleerde middelen vooraf met klager te bespreken. Verweerder heeft betoogd dat uit zijn e-mail van 30 november 2023, waarin verweerder aan klager schrijft dat hij hem te zijner tijd een kopie van de door hem ingediende cassatieschriftuur zou sturen, blijkt dat hij de cassatieschriftuur niet vooraf zou voorleggen. De raad volgt verweerder niet in dit betoog. Uit deze enkele mededeling had klager niet hoeven begrijpen dat de inhoud van de cassatieschriftuur niet vooraf aan hem zou worden voorgelegd. Voor zover verweerder heeft aangevoerd dat hij cassatieschrifturen nooit vooraf aan zijn cliënten voorlegt, omdat dit vanwege het specialistische karakter ervan, geen zin heeft, geldt het volgende. Het moge zo zijn dat de inhoudelijke bijdrage van de gemiddelde cliënt in een cassatieprocedure minimaal is, dit betekent echter niet dat een advocaat zijn processtukken dan zonder enkele vorm van overleg of afstemming met zijn cliënt mag indienen. Verweerder heeft bovendien met zijn werkwijze klager de mogelijkheid onthouden om te kunnen zeggen dat hij hechtte aan de mening van zijn gemachtigde. De werkwijze van verweerder is onzorgvuldig en strookt op dit punt niet met hetgeen van een behoorlijk advocaat mag worden verwacht. Daarmee is klachtonderdeel d) in zoverre gegrond.
Klachtonderdelen a), b), c), d) (gedeeltelijk) en e)
5.3 De raad heeft deze klachtonderdelen ongegrond verklaard. Verweerder heeft naar het oordeel van de raad toereikend aangevoerd dat hij de gemachtigde van klager slechts zag als verwijzer en dat hij aan klager de gang van zaken in een cassatieprocedure en zijn werkwijze heeft uitgelegd. De raad heeft geen aanleiding om te twijfelen dat dit gesprek heeft plaatsgevonden. De enkele ontkenning hiervan door (de gemachtigde van) klager is hiervoor onvoldoende. Op 8 augustus 2023 heeft verweerder aan klager een opdrachtbevestiging gestuurd, waarop klager heeft gereageerd. Nadien heeft klager meerdere malen gecorrespondeerd met verweerder zonder daarbij zijn gemachtigde te betrekken en zonder kenbaar te maken dat de klachten over de schendingen - zoals benoemd in de e-mail van zijn gemachtigde 27 juli 2023 - het onderwerp van het cassatieschriftuur moesten zijn. Verweerder heeft daarmee terecht de wensen, zoals door de gemachtigde van klager verwoord in diens e-mail van 27 juli 2023, niet opgevat als de wensen van klager zelf en ook niet als zodanig hoeven opvatten. Daarmee hoefde verweerder evenmin uit te spreken of vast te leggen dat hij de in deze e-mail geuite wensen niet zou opvolgen. Verweerder heeft immers geen opdracht geaccepteerd op grond van de door de gemachtigde van klager geformuleerde wensen.
5.4 Ook als dat laatste wel was gebeurd, dan was verweerder nog niet verplicht om de klachten zoals door de gemachtigde van klager verwoord in zijn cassatieschriftuur op te nemen. Verweerder is dominus litis, wat inhoudt dat hij de vrijheid heeft een zaak te behandelen op een wijze die hem goeddunkt en hij niet verplicht is gevolg te geven aan verzoeken van zijn cliënt die hij kansloos acht of waarvan hij meent dat deze de zaak niet ten goede komen. Dat verweerder onvoldoende kansrijke cassatiemiddelen heeft ingediend en daarmee de slagingskansen in cassatie ernstig heeft geschaad, is de raad niet gebleken. De cassatieprocedure is blijkens klachtdossier succesvol verlopen en van verwijtbaar handelen is niet gebleken.
5.5 Met betrekking tot klachtonderdeel b) heeft de raad erop gewezen dat verweerder op 8 augustus 2023 aan klager een opdrachtbevestiging heeft verstuurd, waarmee tussen klager en verweerder een advocaat-cliëntrelatie tot stand is gekomen. Hoewel het beter was geweest als verweerder schriftelijk had vastgelegd dat hij geen gehoor zou geven aan de wensen van de gemachtigde van klager, zoals verwoord in zijn e-mail van 27 juli 2023, was hij hiertoe niet verplicht. Deze e-mail lag immers niet ten grondslag aan de opdracht zoals door verweerder aan klager was bevestigd. Evenmin was verweerder verplicht om nog een reactie te sturen aan de gemachtigde van klager, nu verweerder rechtstreeks met klager over de cassatieprocedure communiceerde. Dat dit gebeurde tegen de uitdrukkelijke wens van klager blijkt onvoldoende uit het klachtdossier. Pas maanden later, op 2 februari 2024, heeft klager verweerder voor het eerst laten weten dat hij wilde dat de communicatie over de zaak met zijn gemachtigde plaatsvond, waarop verweerder diezelfde dag heeft laten weten dat hij over klagers cassatieprocedure niet met zijn gemachtigde wenste te communiceren of instructies van hem wenste aan te nemen. Van verwijtbaar handelen is geen sprake en de raad heeft klachtonderdeel b) dan ook ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel f)
5.6 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij niet heeft gereageerd op het inzageverzoek, het klaagschrift, de aanzegging en de ingebrekestelling van de gemachtigde van klager. Op 5 februari 2024 heeft de gemachtigde van klager aan verweerder verzocht om volledige inzage in zijn dossier. De raad heeft geoordeeld dat dit klachtonderdeel niet slaagt. De e-mails van 5 februari 2024 en 7 maart 2024 zijn afkomstig van de gemachtigde van klager. Verweerder had eerder al in zijn e-mail van 2 februari 2024 uitdrukkelijk aan klager kenbaar gemaakt dat hij correspondentie afkomstig van de gemachtigde van klager niet langer zou beantwoorden. Verweerder was dan ook niet verplicht om te reageren op de verzoeken van de gemachtigde van klager. Berichten van klager zelf heeft verweerder wel steeds beantwoord. Van klachtwaardig handelen is geen sprake. Daarmee is klachtonderdeel f) ongegrond.
Klachtonderdeel g)
5.7 De raad ziet niet op welke gedragsrechtelijke grond verweerder de in het gesprek in juli 2023 met de gemachtigde van klager gemaakte afspraken had moeten vastleggen. Verweerder heeft zich naar aanleiding van dit gesprek rechtstreeks tot klager gewend en is met hem een opdrachtovereenkomst aangegaan, die verweerder schriftelijk aan klager heeft bevestigd. Er was geen reden of verplichting om ook het gesprek met de gemachtigde van klager van daarvoor vast te leggen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. Klachtonderdeel g) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel h)
5.8 Het is de raad niet (voldoende) duidelijk wat klager verweerder precies verwijt. Verweerder heeft genoegzaam aangevoerd dat de termijn voor het indienen van de schriftuur volgde uit de overgelegde correspondentie en dat de mededeling ex artikel 435 lid 1 Sv (met daarin de termijn) aan klager is betekend. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is de raad niet gebleken. Klachtonderdeel h) is daarmee ongegrond. Klachtonderdeel i)
5.9 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij niets heeft gedaan om met spoed een tijdige overdracht van het dossier naar een andere advocaat mogelijk te maken. Ook dit klachtonderdeel acht de raad ongegrond, reeds vanwege het feit dat niet gebleken is dat er een concreet overnameverzoek van een andere advocaat lag.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Klager heeft aangevoerd dat de raad uitgaat van onjuiste feiten. In het bijzonder heeft verweerder doelbewust gelogen over een telefoongesprek dat zou hebben plaatsgevonden tussen hem en klager over de cassatieprocedure. Klager heeft uitdrukkelijk betwist dat dit telefoongesprek ooit heeft plaatsgevonden. Klager stelt dat verweerder dit telefoongesprek heeft verzonnen om de ernst en de omvang van zijn tuchtrechtelijk verwijtbare gedragingen te maskeren en af te zwakken. Klager heeft zijn gemachtigde verzocht om een cassatieadvocaat te zoeken om hem bij te staan in zijn strafzaak. Daarbij zou alle inhoudelijke en strategische communicatie tussen de gemachtigde en de cassatieadvocaat plaatsvinden, niet tussen de cassatieadvocaat en klager (die immers niet juridisch geschoold is). Dit heeft de gemachtigde van klager uitdrukkelijk telefonisch te kennen gegeven (waarvan verweerder geen gespreksaantekeningen heeft gemaakt) en tevens per e-mail; dit heeft klager ook later expliciet bevestigd.
6.2 Klager stelt dat verweerder het bewijs had moeten leveren dat het vermeende telefoongesprek waarin verweerder zijn werkwijze zou hebben toegelicht, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dat klager akkoord is gegaan met de werkwijze. Volgens klager ligt de bewijslast dat een dergelijk telefoongesprek heeft plaatsgevonden bij verweerder. De raad heeft onvoldoende doorgevraagd naar de gang van zaken.
6.3 Met betrekking tot klachtonderdelen a) en c) heeft klager aangevoerd dat uit geen enkele handeling of verklaring blijkt dat verweerder gerechtigd was tot indiening van de cassatieschriftuur. Klager stelt dat verweerder de cassatieopdracht heeft aanvaard terwijl hij wist dan wel voorzag dat hij niet bereid was klachten in te dienen over schendingen van internationaalrechtelijke verplichtingen en de openbaarheidsvereisten. Klager stelt dat verweerder door list en bedrog de zaak heeft aangenomen en onder zich gehouden tot de termijn voor indiening van de cassatieschriftuur was verstreken en vervanging zinloos was. Klager betwist de overweging van de raad dat verweerder dominus litis was.
6.4 Met betrekking tot klachtonderdeel d) heeft klager gesteld dat verweerder in cassatie geen klachten heeft ingediend over de schending van de responsieplicht door het gerechtshof of over de internationaalrechtelijke verplichtingen. Verweerder heeft bij de raad verklaard dat hij vreesde dat dergelijke klachten zijn reputatie bij de Hoge Raad zouden schaden. Klager stelt dat het gedrag van verweerder slechts kan worden verklaard door persoonlijke politiek ideologische vooringenomenheid.
6.5 Met betrekking tot klachtonderdeel f) heeft klager aangevoerd dat de e-mail van verweerder van 2 februari 2024, dat hij niet langer met de gemachtigde van klager wilde corresponderen, niet op rechtsgevolg was gericht. Klager is autonoom in het rechtsverkeer, het staat hem geheel vrij om zich te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde die namens hem rechtshandelingen verricht. Het staat verweerder als tegenpartij niet vrij om geheel naar eigen inzicht, zonder enig gerechtvaardigd belang te stellen, de gemachtigde van klager te weigeren.
6.6 Met betrekking tot klachtonderdelen h) en i) heeft klager aangevoerd dat de raad deze klachtonderdelen niet heeft onderzocht. Of er nog tijd was voor het indienen van een (aanvullend) schriftuur, al dan niet door een andere advocaat, is nooit onderzocht. De raad heeft geen deugdelijk toezicht gehouden.
Verweer verweerder
6.7 De raad heeft bij beslissing van 7 juli 2025 klachtonderdeel d) gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder stelt dat hij bij de raad het standpunt heeft ingenomen dat hij in dit specifieke geval niet gehouden was een concept-cassatieschriftuur aan klager voor te leggen nu hij zijn werkwijze, inhoudende dat hij dit in een cassatieprocedure niet gewoon was te doen, voldoende aan cliënt zou hebben duidelijk gemaakt. Verweerder heeft erkend dat hij de gehanteerde werkwijze onvoldoende duidelijk richting cliënt heeft gecommuniceerd. Een expliciete schriftelijke vastlegging van die werkwijze ontbrak immers. En hoewel de raad aanneemt dat de werkwijze wel is uitgelegd in het door klager betwiste telefoongesprek, had verweerder volgens de raad desondanks een concept aan cliënt moeten voorleggen en overeenstemming met cliënt moeten bereiken over diens instemming met de inhoud.
6.8 Verweerder is van mening dat gelet op het feit dat de fout al voor de procedure is erkend, de raad had kunnen volstaan met een enkele constatering van een beroepsfout. Verweerder heeft zich neergelegd bij de beslissing van de raad. Hij heeft wel opgemerkt dat de proceskostenveroordeling van € 1.500,- niet getuigt van solidariteit met beroepsgenoten met een vrijwel volledige toevoegingspraktijk. Verweerder heeft dit beschouwd als leergeld en heeft zijn werkwijze op dit punt aangepast. Voortaan legt hij concept-schrifturen voor aan cliënten.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Overwegingen hof
Klachtonderdelen a), c), d), (gedeeltelijk), e) en g)
7.3 Het hof stelt vast dat verweerder de opdracht tot het bijstaan van klager in de cassatieprocedure heeft aanvaard. Dat was naar aanleiding van de e-mail van de gemachtigde van klager van 27 juli 2023. In deze e-mail heeft de gemachtigde de wensen voor de cassatiegronden aan verweerder kenbaar gemaakt. Verweerder heeft vervolgens een opdrachtbevestiging aan klager gestuurd. Daarin zijn de argumenten die de gemachtigde van klager naar voren gebracht wilde zien, niet opgenomen. Verweerder heeft vervolgens zonder overleg met klager of zijn gemachtigde een cassatieschriftuur ingediend bij de Hoge Raad. Ook daarin zijn de door gemachtigde van klager voorgestane argumenten niet opgenomen. Verweerder heeft verklaard dat hij dit telefonisch met klager heeft afgestemd, echter een schriftelijke bevestiging hiervan ontbreekt.
7.4 Het hof is van oordeel dat het van essentieel belang is dat een advocaat belangrijke afspraken met de client schriftelijk vastlegt. In de -zeer korte- opdrachtbevestiging staan geen afspraken over de aanpak van de zaak. Indien verweerder de argumenten die klager, bij monde van zijn gemachtigde, in de e-mail van 27 juli 2023 naar voren heeft gebracht, niet aan de Hoge Raad had willen voorleggen, dan past dat enerzijds bij de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt, maar geldt anderzijds dat verweerder daarover bij aanvaarding van de opdracht of nadien duidelijk had moeten zijn. Verweerder heeft op geen enkel moment, tijdens de aanvaarding van de opdracht noch daarna toen hij er achter kwam dat hij de argumenten die gemachtigde van klager niet wilde gebruiken, gecommuniceerd dat hij niet bereid was om deze argumenten in rechte naar voren te brengen. Verweerder heeft evenmin gevraagd of klager dan nog wel wilde dat hij in de cassatieprocedure voor hem zou optreden. Als verweerder telefonisch met klager heeft besproken dat hij de argumenten van de gemachtigde van klager niet zou opnemen, dan had verweerder dit schriftelijk moeten vastleggen. Dat heeft hij niet gedaan.
7.5 Het verwijt van klager dat verweerder zijn werkzaamheden heeft verricht zónder acht te slaan op de specifieke wensen van klager, wordt versterkt doordat verweerder de cassatieschriftuur heeft ingediend zonder het concept aan klager voor te leggen. Als hij dat had gedaan, dan had klager -of zijn gemachtigde- gezien dat daarin niet stond wat de gemachtigde namens klager had gevraagd. Het argument van verweerder dat hij dominus litis is, maakt niet dat hij zonder meer zonder overleg met zijn client mag handelen. Als verweerder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid als advocaat bepaalde argumenten niet naar voren had willen brengen, dan had hij dit moeten communiceren en in het meest verstrekkende geval de opdracht terug moeten geven.
7.6 Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de klachtonderdelen a), c), d) (gedeeltelijk), e) en g) gegrond zijn. Verweerder heeft niet juist gehandeld door de opdracht aan te nemen en vervolgens -zonder communicatie met de client- zijn eigen gang te gaan bij de uitvoering van die opdracht. Hij heeft hierbij de wensen die namens zijn waren geuit genegeerd. Dat is een taakopvatting die niet bij de advocatuur past.
Klachtonderdeel f)
7.7 Het hof acht dit klachtonderdeel ongegrond. In aanvulling op hetgeen de raad heeft overwogen ten aanzien van de verzoeken die de gemachtigde ná 2 februari 2024 aan verweerder richtte, welke motivering het hof onderschrijft en overneemt, stelt het hof ten aanzien van de periode voorafgaand aan 2 februari 2024 het volgende vast. Verweerder heeft zijn opdrachtbevestiging van 8 augustus 2023 aan klager gericht (3.7) en de correspondentie liep vervolgens (3.8-3.12, 3.14) ook tussen verweerder en klager. Eerst op 29 januari 2024 liet de gemachtigde in de onder 3.15 aangehaalde brief aan verweerder weten door verweerder geïnformeerd te willen worden. Hierop hebben verweerder en de gemachtigde telefonisch contact gehad (3.16) en heeft verweerder vervolgens in een e-mail van 2 februari 2024 aan gemachtigde meegedeeld (3.18) hem niet als zijn gesprekspartner te zien of willen accepteren. Het hof concludeert hieruit dat verweerder tot 29 januari 2024 op goede gronden ervan kon uitgaan dat zijn aanspreekpunt klager was en dat hij, zodra hem op laatstgenoemde datum duidelijk werd dat gemachtigde en in diens kielzog klager wensten dat dit gemachtigde zou zijn, direct kenbaar heeft gemaakt klager op die basis niet (langer) te willen bijstaan. Verweerder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door aan verzoeken van de gemachtigde geen gehoor te geven.
Klachtonderdelen h) en i)
7.8 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad heeft gedaan. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over.
Slotsom
7.9 Het beroep slaagt deels. De slotsom is dat de beslissing van de raad zal worden vernietigd op de klachtonderdelen a), c), d) (gedeeltelijk), e) en g) en dat die klachtonderdelen gegrond worden verklaard. De beslissing van de raad wordt bekrachtigd op de klachtonderdelen f), h) en i).
8 MAATREGEL
De gegrond bevonden klachtonderdelen raken aan de kernwaarde integriteit. Verweerder heeft niet overeenkomstig die kernwaarde gehandeld door zonder overleg met zijn client de door deze voorgestane cassatiegronden te negeren, de cassatieschriftuur zonder deze gronden op te stellen en de schriftuur, zonder dat zijn cliënt de inhoud ervan kende, in te dienen. Dat acht het hof laakbaar en reden voor oplegging van een maatregel. De maatregel die de raad oplegde was gebaseerd op een minder vergaand tuchtrechtelijk verwijt. Gezien de aard en de ernst van de thans gegrond verklaarde klachtonderdelen ziet het hof aanleiding de maatregel te verzwaren en over te gaan tot de oplegging van een berisping.
9 PROCESKOSTEN
a. Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021: a) € 50,- kosten van klager (forfaitair); b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; c) € 1.000,- kosten van de Staat.
b. Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
c. Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 vernietigt de beslissing van 7 juli 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 25-098/A/A, voor zover het betreft de ongegrondverklaring van klachtonderdelen a), c), d) (gedeeltelijk), e) en g) en de oplegging van de maatregel van waarschuwing ;
en doet opnieuw recht:
10.2 verklaart klachtonderdelen a), c), d) (gedeeltelijk), e) en g) gegrond;
10.3 bekrachtigt de voormelde beslissing van de Raad van Discipline voor het overige;
10.4 legt aan verweerder de maatregel van berisping op.
10.5 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
10.6 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. A.R. Sturhoofd en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 4 mei 2026.
