Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:140

Zaaknummer

250283

Inhoudsindicatie

Het hof onderschrijft het oordeel van de raad dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat hij in een familierechterlijk geschil onjuiste en schadelijke informatie over klager heeft verspreid. Verweerder heeft in de door hem ingediende processtukken in de procedure tussen zijn cliënte en klager over een omgangsregeling diverse zeer negatieve uitlatingen en beschuldigingen over klager gedaan, onder meer over het drugsgebruik van klager. Het hof is van oordeel dat verweerder, op basis van (een gebrek aan) de informatie die  verweerder op het moment van deze uitlatingen had, niet deze sterk negatieve uitspraken en beschuldigingen aan het adres van klager had mogen doen. Verweerder heeft hiermee de belangen van klager in het familierechtelijk geschil onnodig geschaad. .  

Uitspraak

Beslissing van 4 mei 2026 in de zaak 250283

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klager

 

 

1    INLEIDING

1.1    Het betreft een klacht van klager tegen de advocaat van de wederpartij. Verweerder stond de ex-partner van klager bij in een familierechtelijk geschil. Verweerder heeft de in zijn processtukken opgenomen uitlatingen over klager onvoldoende geverifieerd. Gelet op de ernst van deze uitlatingen en de context van het familierechtelijk geschil waarbinnen deze door verweerder zijn gedaan, had verweerder deze uitlatingen niet zomaar mogen doen en dit valt hem tuchtrechtelijk te verwijten. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft aan verweerder een maatregel in de vorm van een waarschuwing opgelegd. Verweerder is in beroep gekomen. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) bekrachtigt de beslissing van de raad.

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-145/A/A) een beslissing gewezen op 14 juli 2025. In deze beslissing is de klacht van klager gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:127 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 13 augustus 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van klager; -    op 2 maart 2026 heeft klager nog stukken ingediend.    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 9 maart 2026. Daar zijn partijen verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Klager is met zijn ex-partner (hierna: de vrouw) verwikkeld in verschillende familierechtelijke procedures over hun dochter (hierna: de dochter).

3.3    Verweerder staat in deze procedures de vrouw bij.

3.4    Klager werd in de procedures bijgestaan door mr. H.

3.5    De vrouw heeft op 10 november 2023 aangifte bij de politie gedaan van stalking door klager.

3.6    Verweerder heeft in een dagvaarding van 10 november 2023 geschreven: 

“5. (…) hij smeekte de vrouw om hem nog een kans te geven waarbij hij aangaf veranderd te zijn en hij graag een gezin wilde vormen met de vrouw en de belofte was dat er geen drugs meer gebruikt zou worden of agressie. Die belofte kwam hij niet na en er ontstond wederom een breuk.   

6. Immers, de man gebruikte nog altijd drugs (…)” 

3.7  Op 21 december 2023 heeft verweerder in een e-mail aan mr. H geschreven, voor zover relevant: 

“Cliënte kan uw cliënt niet deblokkeren want dat is een advies van de politie waarover ik verder niet in detail kan treden.” 

3.8    Op 6 januari 2024 heeft verweerder in een e-mail aan de advocaat van klager geschreven, voor zover relevant:   

   “(…) Cliënte mag uw cliënt niet deblokkeren van de politie.” 

3.9    Verweerder heeft in een conclusie van antwoord van 9 februari 2024 geschreven, voor zover relevant: 

    “(…)

    6. Een belangrijke voorwaarde voor de poging tot herstel van de relatie was dat [klager] zou stoppen met wiet roken (…)[Klager] bleek nog steeds aan drugs te doen en zijn poging om te stoppen te hebben opgegeven (…)”

    7. In de periode dat partijen probeerden hun relatie te herstellen bleef [klager] wel eens bij de vrouw slapen in het weekend en bleek hij drug te gebruiken. (…) Ook de buren zagen de man op vreemde tijdstippen wiet roken (Productie 4). (…) 

    26. (…) een vader die wordt onderzocht door justitie in verband met de vrouw, drugs gebruikt, geweld en agressie niet schuwt en zint op eerwraak (…) 

    28. [Klager] is een fervent drugsgebruiker en dat baart de vrouw grote zorgen. Uit getuigenverklaringen blijkt dat [klager] aan de drugs is (Productie 24). (…) 

    39. [Klager] is agressief en gebruikt drugs     (…)” 

3.10  Op 20 juli 2024 heeft klager een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken. 

3.11   Bij beschikking van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) van 5 september 2024 heeft het Hof onder 3.16 overwogen, voor zover relevant: 

“(…) Het hof stelt voorop dat er geen grond is om te veronderstellen dat de veiligheid van [de     dochter] en/of [de vrouw] bij de vaststelling van een omgangsregeling tussen [klager} en [de     dochter] in het geding is of dat [klager] ongeschikt zou zijn om onbegeleide omgang met [de     dochter] te hebben. Hetgeen [de vrouw] in haar beroepschrift over [klager] naar voren heeft  gebracht wat betreft vermeend strafrechtelijk handelen, agressief gedrag en/of drugsgebruik is op geen enkele wijze komen vast te staan en blijkt evenmin uit de door [de vrouw] overgelegde brief van Veilig Thuis van 24 juni 2024. Veilig Thuis is betrokken geraakt door de aangifte van  [de vrouw] en concludeert in voornoemde brief dat er weliswaar sprake is van een complexe scheidingssituatie, maar dat er geen directe zorgen over de veiligheid van [de dochter] en [de     vrouw] zijn. Het wordt door Veilig Thuis juist zorgelijk geacht dat er al langere tijd geen contact is tussen [de dochter] en [klager]. (…)”

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij onjuiste en schadelijke informatie over klager heeft verspreid. 

 

5    BEOORDELING RAAD

5.1    Klager verwijt verweerder dat hij in zijn stukken ten onrechte heeft gesteld dat klager zou worden gezocht door politie en justitie en dat bij hem sprake zou zijn van een drugsverslaving. Ondanks dat klager bewijsstukken heeft overgelegd die de aantijgingen ontkrachten, blijft verweerder de beschuldigingen gebruiken in gerechtelijke procedures. Het gerechtshof heeft in het arrest van 5 september 2024 geoordeeld dat er geen bewijs is voor deze aantijgingen en dat er ook geen reden is om aan te nemen dat de omgang tussen klager en zijn dochter een gevaar zou vormen voor haar of haar moeder. Dit is volgens klager wederom een bevestiging dat er anderhalf jaar lang onwaarheden door verweerder en zijn cliënte zijn verspreid in gerechtelijke procedures.

5.2    De raad heeft overwogen dat advocaten in het algemeen mogen afgaan op de juistheid van mededelingen en het feitenmateriaal dat cliënten hen verschaffen. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid hiervan te verifiëren. De raad heeft echter ook vastgesteld dat in dit geval sprake is van een familierechtelijk geschil met een gecompliceerde echtscheidings-situatie tussen klager en zijn ex-partner, waarbij met name ook de omgangsregeling tussen de vader (klager) en zijn dochter een belangrijk punt van geschil is. In deze gevoelige situatie, waarbij een bepaalde mate van terughoudendheid van verweerder mocht worden verwacht, heeft verweerder in zijn processtukken diverse zeer negatieve uitlatingen over klager gedaan.

5.3    De raad heeft gewezen op wat verweerder in zijn conclusie van antwoord van 9 februari 2024 onder de randnummers 26, 28 en 39 heeft geschreven, te weten “(…) een vader [klager dus, raad] die wordt onderzocht door justitie in verband met de vrouw, drugs gebruikt, geweld en agressie niet schuwt en zint op eerwraak (…)”. “ [Klager] is een fervent drugsgebruiker en dat baart de vrouw grote zorgen. Uit getuigenverklaringen blijkt dat [klager] aan de drugs is (…).” “ [Klager] is agressief en gebruikt drugs.” Naar het oordeel van de raad zijn deze uitlatingen van een zodanige ernst en bestonden er zodanige contra-indicaties voor de juistheid daarvan, dat het op de weg van verweerder had gelegen om de juistheid van deze uitlatingen te verifiëren. Blijkens het arrest van het Hof van 5 september 2024 bestond voor de uitlatingen onvoldoende feitelijke basis, waarbij het Hof is uitgegaan van de informatie die door partijen in die procedure is aangevoerd. Het in de procedure door verweerder overgelegde bewijsmateriaal in de vorm van onder meer getuigenverklaringen van buren en een enkele aangifte tegen klager door de vrouw, kon de hiervoor geciteerde uitlatingen niet dragen. Verweerder had de vergaande uitlatingen over klager, gelet op het voorgaande, volgens de raad niet zonder meer in zijn processtukken mogen opnemen. Gelet hierop heeft de raad de klacht gegrond verklaard en aan verweerder een maatregen in de vorm van een waarschuwing opgelegd. 

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder 

Beroepsgrond 1 uitlatingen

6.1    Verweerder heeft erop gewezen dat sprake was van een zeer moeizame -islamitische- scheiding waarbij de man voortdurend de scheiding en de omgangsregeling met de dochter bleef tegenwerken.

6.2    Over de e-mail van 6 februari 2024 zegt verweerder dat dit bericht onderdeel is van een lange reeks pogingen om te komen tot oplossingen voor de betrokken partijen zodat de omgang op een ordentelijke wijze zou kunnen verlopen. In die zin is de conclusie van de raad dat sprake is van escalatie niet op zijn plaats. Verweerder licht toe dat sprake was van een ingewikkelde en voor zijn cliënte traumatische situatie. Volgens verweerder is van belang dat in deze e-mail niet is gezegd waarom zijn cliënte geen contact mocht hebben met klager en valt dus ook niet in te zien waarom dit grievend is. Klager heeft gesteld, noch aangetoond dat de vrouw dit advies niet zou hebben gehad van de politie. Volgens verweerder is geen sprake van iets dat hem tuchtrechtelijk verweten kan worden. Van belang is dat het hier ging om een mailwisseling met de advocaat van de wederpartij waaraan die advocaat nog duiding en toelichting kan geven richting klager en niet om een processtuk.

6.3    Over de conclusie van antwoord van 9 februari 2024 heeft verweerder aangevoerd dat daarin wordt verwezen naar het drugsverleden van klager waarover reeds is toegelicht dat dat aannemelijk was. Het was een van de redenen van de relatiebreuk. Deze stelling was onderbouwd met in ieder geval drie getuigenverklaringen en een consistent verhaal van zijn cliënte. Dit zijn geen standpunten die nog  onderzoek behoefden door verweerder en hiervoor was ook geen contra-indicatie nodig. 

Beroepsgrond 2 maatregel

6.4    Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien waarom een waarschuwing aan de orde is bij een advocaat die geen tuchtrechtelijk verleden heeft. Verweerder stelt dat hij niet zo ver is gegaan dat hij absoluut had moeten weten dat hier tuchtrechtelijke grenzen zouden worden overschreden. De raad had volgens hem goed kunnen volstaan met een gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel.

6.5    Verweerder heeft erop gewezen dat hij tijd heeft besteed aan het verrichten van peer review en intervisie. Op de zitting van het hof heeft verweerder daarop een toelichting gegeven. 

Beroepsgrond 3 proceskosten

6.6    Verweerder meent dat er geen reden is om aan hem een proceskostenveroordeling op te leggen aangezien hij altijd volledig heeft meegewerkt en verantwoordelijkheid heeft genomen. Verweerder heeft verzocht om geen proceskostenveroordeling op te leggen, of deze te beperken tot € 1000,-

Verweer klager

6.7    Klager stelt dat het hoger beroep ongegrond is. De ernst van het handelen van verweerder rechtvaardigt volgens klager een zwaardere tuchtrechtelijke maatregel dan een waarschuwing. De kern van deze zaak ligt in door verweerder in juridische procedures geponeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van klager waaronder drugsmisbruik, geweld, agressie en zelfs “eerwraak” zonder deugdelijk feitenonderzoek. Deze beschuldigingen zijn door meerdere onafhankelijke instanties en gerechtelijke uitspraken ondubbelzinnig verworpen. Desondanks zijn ze door verweerder herhaaldelijk als feiten in procedures ingebracht, hetgeen klager grote reputatieschade en emotionele schade heeft toegebracht.

 

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

7.2    In familierechtelijke kwesties zal een advocaat er bovendien voor moeten waken, zeker als er belangen van kinderen in het spel zijn, dat de verhoudingen tussen partijen escaleren. Dan mag van een advocaat zekere (verdergaande) terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die naar objectieve maatstaven als kwetsend kunnen worden ervaren. Daarbij geldt dat een advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden; van hem mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedures een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen. Die terughoudendheid heeft zowel betrekking op het doen van uitlatingen over de wederpartij, die deze naar redelijke verwachting als kwetsend zal ervaren, als op het entameren van procedures. De advocaat moet daarbij van geval tot geval afwegen: –           het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure en wat daarin zal worden                  aangevoerd, –             het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen van deze procedure, –           het verloop van het geschil tot dan toe, –           en de kans op succes van een procedure. Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.

Overwegingen hof

7.3    Klager heeft op 2 maart 2026 nog stukken aan het hof gestuurd. Ter zitting heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het toevoegen van deze stukken aan het dossier. Omdat de stukken te laat -minder dan tien dagen voor de zitting- zijn ingediend, heeft het hof besloten dat deze stukken niet aan het dossier worden toegevoegd.

7.4    Met betrekking tot de klacht is het hof, evenals de raad, van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door in de door hem ingediende processtukken in de procedure tussen zijn cliënte en klager over de omgangsregeling tussen klager en de dochter diverse zeer negatieve uitlatingen en beschuldigingen over klager te doen.

7.5     Verweerder heeft in de processtukken diverse grievende uitlatingen over klager gedaan. De raad heeft in dit verband terecht gewezen op wat verweerder in de conclusie van antwoord van 9 februari 2024 heeft vermeld over het drugsgebruik van klager. Het hof is van oordeel dat verweerder op basis van (een gebrek aan) de informatie die  hij op het moment van de indiening van de conclusie van antwoord had, niet deze sterk negatieve uitspraken en beschuldigingen aan het adres van klager had mogen doen. Verweerder heeft hiermee de belangen van klager in het familierechtelijk geschil onnodig geschaad. Het hof onderschrijft daarom het oordeel van de raad dat verweerder onnodig grievend is geweest. Beroepsgrond 1 faalt derhalve. 

7.6    Verweerder heeft op de zitting bij het hof wel enig inzicht getoond in zijn handelen. Hij heeft toegelicht dat het hem duidelijk is dat als een advocaat dergelijke stevige stellingen poneert, dit indringend overkomt bij de wederpartij. In de toekomst zal hij het niet meer op deze wijze doen. Hij zal het dan aan zijn client overlaten om bijvoorbeeld op een zitting zelf een toelichting te geven. Het hof waardeert de reflectie van verweerder op datgene dat hem is verweten, maar het maakt  het handelen van verweerder in deze zaak niet minder verwijtbaar. Terecht heeft de raad overwogen dat de oplegging van de maatregel van een waarschuwing passend is. Dit betekent dat ook beroepsgrond 2 geen doel treft. 

7.7    De grief van verweerder met betrekking tot de proceskostenveroordeling moet eveneens worden afgewezen. Proceskostenveroordelingen zijn gegrond op de omstandigheid dat de kosten van een tuchtprocedure (moeten) worden gedragen door de beroepsgroep en dat – bij een gegrondverklaring van een klacht – het redelijk is van de verweerder een bijdrage te verlangen en niet de beroepsgroep voor de volledige kosten te laten opdraaien. De spreekwoordelijke vervuiler betaalt, is in de parlementaire geschiedenis opgemerkt (amendement Van der Steur, 32 382 kamerstuk 16, 13 september 2013). Beroepsgrond 3 treft daarom hetzelfde lot als de andere beroepsgronden. 

Slotsom

7.8    Het vorenstaande leidt het hof tot de conclusie dat de beslissing van de raad moet worden bekrachtigd. Het hof acht, gelet op de ernst van de door verweerder gedane uitlatingen over klager, de door de raad opgelegde maatregel van een waarschuwing passend.

 

8    PROCESKOSTEN

8.1     Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                    a) € 50,- kosten  van klager (forfaitair);  c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; d) € 1.000,- kosten van de Staat.

8.2     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

8.3     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

 

9    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

9.1    bekrachtigt de beslissing van 14 juli 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 25-145/A/A;

9.2     veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

9.3    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. A.R. Sturhoofd en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 4 mei 2026.