Rechtspraak
Uitspraakdatum
08-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:145
Zaaknummer
250269
Inhoudsindicatie
Verweerster was de advocaat van de wederpartij van klaagster in een arbeidsrechtelijk geschil. Verweerster heeft namens haar cliënt de rechtsgeldigheid betwist van een aantal in de arbeidsovereenkomst van haar cliënt opgenomen bedingen. Daarnaast heeft verweerster uitleg gegeven over waarom haar cliënt na zijn uitdiensttreding bij klaagster gebruik is blijven maken van het handelsgegevenssysteem van klaagster. Daarbij heeft verweerster zich volgens klaagster onnodig grievend over klaagster uitgelaten (klachtonderdeel a) en onjuiste informatie aan de rechter verstrekt (klachtonderdeel b). De Raad van Discipline in het ressort Den Haag heeft beide klachtonderdelen ongegrond verklaard. Klaagster is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het Hof van Discipline bekrachtigt de beslissing van de raad.
Uitspraak
Beslissing van 8 mei 2026
in de zaak 250269
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
gemachtigde: [naam gemachtigde]
tegen:
verweerster
1 INLEIDING
1.1 Verweerster was de advocaat van de wederpartij van klaagster in een arbeidsrechtelijk geschil. Verweerster heeft namens haar cliënt de rechtsgeldigheid betwist van een aantal in de arbeidsovereenkomst van haar cliënt opgenomen bedingen. Daarnaast heeft verweerster uitleg gegeven over waarom haar cliënt na zijn uitdiensttreding bij klaagster gebruik is blijven maken van het handelsgegevenssysteem van klaagster. Daarbij heeft verweerster zich volgens klaagster onnodig grievend over klaagster uitgelaten (klachtonderdeel a) en onjuiste informatie aan de rechter verstrekt (klachtonderdeel b). De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft beide klachtonderdelen ongegrond verklaard. Klaagster is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) bekrachtigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in hoger beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerster (met zaaknummer: 24-876/DH/DH) een beslissing genomen op 7 juli 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:135 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 6 augustus 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
de stukken van de raad; het verweerschrift van verweerster.2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 13 maart 2026. Daar zijn namens klaagster verschenen [gemachtigde], bijgestaan door […], en verweerster is verschenen. De gemachtigde van klaagster heeft het standpunt van klaagster toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.
3.2 Per 20 maart 2017 is de heer K (hierna: K) in dienst getreden bij klaagster. Op 15 maart 2019 heeft klaagster een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd getekend. Per 1 januari 2023 is K in dienst getreden bij een concurrent van klaagster.
3.3 Op 15 juni 2023 heeft klaagster K aangeschreven over het overtreden van het in zijn contract met klaagster opgenomen geheimhoudings-, nevenwerkzaamheden-, concurrentie-, relatie, anti-ronsel- en teruggavebeding. Ook is een geschil ontstaan over het door K gebruikmaken van het handelsgegevenssysteem van klaagster nadat K reeds uit dienst was getreden en werkzaam was bij de concurrent.
3.4 Op 28 juni 2023 heeft verweerster namens K gereageerd op de brief van 15 juni 2023. In de brief aan de advocaat van klaagster heeft verweerster onder meer geschreven:
“Op mijn verzoek heeft u de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd toegestuurd: onder deze arbeidsovereenkomst staan de handtekeningen van uw cliënte en cliënt. Daarmee zou in beginsel vaststaan dat de daarin overeengekomen bedingen rechtsgeldig zijn overeengekomen.
De reden dat ik u heb verzocht de arbeidsovereenkomst toe te sturen was gelegen in het feit dat cliënt niet beschikt over een door hem getekend exemplaar van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Cliënt heeft mij namelijk geïnformeerd over het feit dat op het moment dat sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met uw cliënte hij duidelijk heeft aangegeven niet gebonden te willen zijn aan o.a. een concurrentiebeding. Naar zijn weten is de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (met alle daarin genoemde bedingen) nimmer door hem ondertekend. Zoals gezegd beschikt(e) cliënt niet over een door hem getekend exemplaar.
Het verbaasde cliënt dan ook, toen hij het door beide partijen ondertekende exemplaar ontving.
Gelet op de overtuiging van cliënt deze arbeidsovereenkomst nimmer te hebben ondertekend én het feit dat de paraaf/handtekening in de arbeidsovereenkomst op essentiële punten afwijkt van zijn gebruikelijke handtekening betwist hij dan ook dat de handtekening in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zijn handtekening is en de bedingen derhalve rechtsgeldig zijn overeengekomen. Ter zake behoudt cliënt zich dan ook alle rechten voor.
(…)
Ondanks het feit dat cliënt in de veronderstelling verkeerde (en thans nog steeds verkeert) dat hij niet gebonden was aan enige beperkende bedingen heeft hij volledigheidshalve en om geen verwarring te laten ontstaan, met [de eigenaar van klaagster] besproken of het akkoord was dat hij alle klanten die cliënt in zijn functie bij uw cliënte zelf had binnen gehaald en bediende, mee mocht nemen naar c.q. mocht benaderen in zijn nieuwe functie bij [nieuwe werkgever].
[De eigenaar van klaagster] heeft hierop geantwoord dat dit geen probleem was, zolang het maar geen klanten van hem waren. Ter informatie: [de eigenaar van klaagster] bediende klanten die handelen in reverse en aardappelen. Er is aangegeven dat uw cliënte direct zou stoppen met verschepingen naar de Verenigde Staten en Canada. (…)”
3.5 Op 27 juli 2023 schrijft verweerster de advocaat van klaagster opnieuw aan waarbij zij haar in de brief van 28 juni 2023 ingenomen standpunt herhaalt en aanvult met een aantal punten waarover zij door haar cliënt is geïnformeerd.
3.6 Over het gebruik maken van het handelsgegevenssysteem heeft verweerster aan klaagster op enig moment geschreven:
“Cliënt erkent dat hij na zijn uitdiensttreding bij uw cliënte gebruik is blijven maken van [het handelsgegevenssysteem]. Cliënt kan daar kort over zijn: hij ziet (achteraf) in dat zijn handelen zacht gezegd niet handig is geweest, maar benadrukt dat hij een en ander niet heeft gedaan om uw cliënte op welke wijze dan ook te benadelen.
Het betreurt cliënt dan ook dat uw cliënt -nadat uw cliënte op de hoogte is geraakt van het gebruik door cliënt- niet met cliënt in contact is getreden en heeft geïnformeerd naar het gebruik en verzocht daarmee te stoppen. Cliënt had dat direct gedaan en was graag bereid op dit punt in overleg te treden.”
3.7 Klaagster heeft op enig moment een dagvaarding laten uitbrengen jegens K en zijn nieuwe werkgever. Bij conclusie van antwoord heeft verweerster geschreven:
“31. [K] ontkent met klem dat de parafen/handtekening onder de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd d.d. 15 maart 2019 door hem zelf zijn geplaatst. [Klaagster] is de partij die zich beroept op het schriftelijk overeenkomen van het relatiebeding in deze overeenkomst en derhalve op de parafen/handtekening van [K] en [klaagster] dient derhalve te bewijzen dat de parafen/handtekening van [K] zijn. [K] wenst hier en nu wel alvast op aan te merken dat de parafen onder de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd d.d. 15 maart 2019 (productie 2 bij dagvaarding) wezenlijk anders zijn dan de paraaf die [K] normaal zet/gebruikt. Ter vergelijking wordt verwezen naar de parafen onder de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd uit 2017 en 2018 (productie 8). Deze parafen zijn alle gelijk (de initialen van [K] met daaronder een streep en een punt). De parafen onder de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd d.d. 15 maart 2019 lijken geenszins op de parafen uit de hiervoor genoemde arbeidsovereenkomsten.
32. Zoals onder de feiten weergegeven heeft [K] nimmer een getekend exemplaar van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd retour ontvangen. Uit de e-mailberichten overgelegd in producties 2 en 3 volgt echter dat indien en voor zover [K] de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd d.d. 15 maart 2019 met daarin een concurrentie- en relatiebeding opgenomen wel c.q. al zou hebben ondertekend (hetgeen [K] uitdrukkelijk betwist), uit de overlegde e-mailwisseling volgt dat er nadien overeenstemming is bereikt tussen [klaagster] en [K] het concurrentie- en relatiebeding achterwege te laten en derhalve niet overeen te komen.
33. Van de e-mailberichten overgelegd in producties 2 en 3 heeft [K] foto’s moeten maken, omdat hij de door hem ondertekende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (zonder concurrentie- en relatiebeding) na herhaaldelijk verzoek daartoe niet retour ontving en [K] een en ander niet vertrouwde. Helaas blijkt het gevoel van [K] achteraf te kloppen. Dat geldt ook voor de e-mailberichten overgelegd in productie 4.
34. De enige logische conclusie die uit de overgelegde e-mailcorrespondentie in producties 2, 3 en 4 volgt is dat [de heer K] en [klaagster] geen concurrentie- en relatiebeding zijn overeengekomen. Uit niets blijkt waarom [K] ná deze e-mailcorrespondentie er tóch voor zou hebben gekozen in te stemmen met een concurrentie- en relatiebeding en daar stelt [klaagster] ook niets over. Ook is niet uit te leggen waarom [K] bij het aanbieden van het nieuwe bedrijfsreglement om uitleg zou vragen over een daarin opgenomen concurrentiebeding beding, indien hij toch al een concurrentie (- en relatiebeding) zou zijn overeengekomen.
(…)
36. Tot slot wenst [K] wat betreft het primaire verweer te benadrukken dat indien en voor zover vastgesteld zou worden dat de parafen/handtekening onder de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd d.d. 15 maart 2019 van hem zouden zijn, het duidelijk moge zijn dat hij door [klaagster] om de tuin is geleid. Gelet op de in productie 2 en 3 overlegde e-mailcorrespondentie en het uitblijven van een plausibele verklaring van [klaagster] waarom [K] ineens wel zou instemmen met een concurrentie- en relatiebeding kan het niet anders dan dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met (weer) het concurrentie- en relatiebeding daarin opgenomen is voorgehouden aan [K] op kantoor en dat hij deze – in de veronderstelling dat de arbeidsovereenkomst was aangepast naar een exemplaar zonder concurrentie- en relatiebeding - heeft ondertekend. In dat geval kan van instemming geen sprake zijn.
(…)
40. Per abuis 3 relaties naar voren gekomen van [klaagster] die niet zagen op het vaargebied van de Verenigde Staten en Canada.
(…)
“Na zijn uitdiensttreding is [K] gebruik blijven maken van de licentie van [het handelsgegevenssysteem]. [K] heeft daar op dat moment geen bezwaren in gezien, gelet op het feit dat [klaagster] geen gebruik meer zou maken van het programma [naam], omdat het was aangeschaft voor de werkzaamheden die [K] verrichte bij [klaagster].”
3.8 Op 9 november 2023heeft klaagster aangifte gedaan tegen K wegens computervredebreuk. De aangifte is geseponeerd, waarna klaagster op 4 maart 2024 een artikel 12 Sv-procedure is gestart.
3.9 K heeft op 20 februari 2025 een zienswijze ingediend in de artikel 12 Sv-procedure, zonder bijstand van verweerster, waarin hij onder meer heeft geschreven:
“(…) Uit de metadata behorende bij het in het civiele proces ingebrachte arbeidsovereenkomst, blijkt echter volgens mijn advocaat in het civiele proces, dat het document pas in 2023 is aangemaakt. Dit zou op manipulatie van bewijsmateriaal kunnen wijzen. Daarnaast is het gemakkelijk te zien dat de parafen en handtekening op dit document niet van mij zijn. Voor mij is het volkomen duidelijk, dat deze documenten niet alleen onjuist, maar ook doelbewust gemanipuleerd zijn. (…)”
3.10 Op 9 april 2025 heeft het gerechtshof het artikel 12 Sv-beklag in raadkamer behandeld. K is daarin bijgestaan door verweerster. Bij beschikking van 12 mei 2025 heeft het gerechtshof bevolen tot vervolging van K.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende.
Verweerster heeft zich onnodig grievend uitgelaten over klaagster, waarmee zij in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 7;Toelichting: klaagster wijst erop dat verweerster haar ten onrechte en bij herhaling heeft beschuldigd van het vervalsen van een arbeidsovereenkomst, misleiding en onbetrouwbaarheid. Verweerster had ook moeten constateren dat het verhaal van haar cliënt niet klopte en had de juistheid daarvan moeten verifiëren. Ook had zij moeten navragen hoe K aan foto’s van e-mails kwam die nimmer voor hem bestemd waren.
Verweerster heeft in haar verweer over het illegale gebruik van het handelsgegevenssysteem feitelijkheden genoemd waarvan zij wist, althans behoorde te weten, dat die onjuist waren, waarmee zij in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 8.Toelichting: klaagster wijst erop dat K niet per abuis de drie relaties zou kunnen aanschrijven, omdat deze relaties niet in het vaargebied Verenigde Staten en Canada actief zijn. Zo is de hoofdstad van een Afrikaans land in de onderwerpregel van een e-mail genoemd en heeft K ook een relatie meerdere keren aangeschreven. Verweerster heeft volgens klaagster daarom een smoes verzonnen waarom K de relaties heeft benaderd. Ook is haar redenering waarom K gebruik dacht te kunnen maken van het handelsgegevenssysteem vreemd. Klaagster vraagt zich af of verweerster überhaupt wel nadenkt over wat zij opschrijft.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft over de ongegrondverklaring van de klacht het volgende overwogen.
5.2 De cliënt van verweerster heeft gezegd dat hij de arbeidsovereenkomst met klaagster, waarin een concurrentie- en relatiebeding is opgenomen, nooit heeft getekend; dat hij twijfelt aan de echtheid van de handtekening en de parafen op het door klaagster aan verweerster gestuurde exemplaar van de arbeidsovereenkomst en dat hij het een en ander niet vertrouwde. Verweerster heeft het standpunt van haar cliënt vervolgens naar voren gebracht. De door verweerster in haar brief en conclusie van antwoord gekozen bewoordingen zijn niet te kwalificeren als grievende uitlatingen en verweerster heeft hiermee dus ook niet onbetamelijk gehandeld. De termen ‘vervalsing’, ‘misleiding’ en ‘onbetrouwbaarheid’ zijn door verweerster niet gebruikt, maar die koppelt klaagster daar zelf aan. Het woord ‘manipulatie’ is door de cliënt van verweerster gebruikt en kan niet aan verweerster worden aangerekend.
5.3 Ook ziet de raad niet dat verweerster bewust feitelijke onjuistheden heeft verkondigd. Klaagster meent dat de uitleg die verweerster namens haar cliënt geeft niet klopt en dat verweerster dat had moeten inzien, maar de raad oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat verweerster feitelijke informatie in de procedure heeft ingebracht waarvan zij wist dat deze onjuist was. Verweerster heeft standpunten van haar cliënt vertaald in de processtukken. Dat stond haar vrij als partijdig advocaat. Klaagster kon deze standpunten (en het inbrengen van bepaalde stukken) in de civiele procedure bestrijden waarna de civiele rechter over deze verweren van klaagster kon oordelen. Er is geen sprake van onbetamelijk handelen van verweerster.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
6.1 Klaagster stelt zich op het standpunt dat verweerster zorgvuldiger had behoren na te gaan en te controleren hoe haar cliënt K in het bezit is gekomen van de foto’s van e-mailberichten die verweerster als producties 2, 3 en 4 bij de conclusie van antwoord in het arbeidsrechtelijke geschil heeft overgelegd, aangezien K daarover vier verschillende verklaringen heeft afgelegd. Hoewel klaagster beseft dat een advocaat afhankelijk is van de informatie die door de cliënt wordt verstrekt, had verweerster hier naar de mening van klaagster een nadere onderzoekplicht, vanwege de verschillen tussen de vier verklaringen. Dit had volgens klaagster voor verweerster aanleiding moeten zijn de nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de door K verstrekte informatie te onderzoeken en die informatie niet klakkeloos over te nemen. Klaagster stelt dat sprake is van een ernstige tekortkoming aan de zijde van verweerster door dit na te laten. Het standpunt van klaagster is dat de raad hieraan in de bestreden beslissing onvoldoende aandacht heeft besteed. Klaagster verzoekt het hof dit alsnog te doen en de klacht alsnog gegrond te verklaren.
Verweer verweerster
6.2 Ten aanzien van het hoger beroep heeft verweerster betwist dat K over de foto's van e-mailberichten vier verschillende verklaringen heeft afgelegd en dat er, aan haar zijde, sprake zou zijn van een ernstige tekortkoming in de naleving van een onderzoekplicht. Daarbij wijst verweerster erop dat het aan de civiele rechter in de hoofdprocedure is om betrouwbaarheid van bewijsmateriaal te beoordelen. Voor het overige heeft verweerster gepersisteerd bij haar eerdere schriftelijke reacties in de klachtprocedure.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
Ten aanzien van dit hoger beroep
7.2 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden, die aansluiten bij de in eerste aanleg door klaagster ingenomen standpunten, en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de beide klachtonderdelen te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over.
Conclusie
7.3 De conclusie die uit het voorgaande volgt is dat het hof het hoger beroep van klaagster verwerpt en de beslissing van de raad bekrachtigt.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt de beslissing van 7 juli 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, genomen onder nummer 24-876/DH/DH.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en J.E. Soeharno, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 8 mei 2026 .
