Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

08-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:144

Zaaknummer

250334

Inhoudsindicatie

Voorvragen over de ontvankelijkheid en omvang van het hoger beroep. Appelverbod. Verder geldt op grond van artikel 57 lid 4 Advocatenwet dat het hof onderzoek doet op grondslag van de beslissing van de raad. Dat betekent dat de klacht niet kan worden uitgebreid in hoger beroep. Hoger beroep ontvankelijk ten aanzien van één van de in totaal vijf klachtonderdelen. Verweerder was de wederpartij van klager in een procedure met betrekking tot de onderbewindstelling van een cliënte van klager. Verweerder was de advocaat van de bewindvoerder /mentor. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat klager zijn cliënte (financieel) heeft benadeeld en is in dat verband een procedure bij de Geschillencommissie Advocatuur gestart. Klagers verwijten verweerder dat hij in die procedure standpunten heeft aangevoerd waarvan hij wist, of behoorde te weten, dat deze onjuist zijn, dan wel zaken heeft weggelaten of onjuist heeft weergegeven. De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft de klacht ongegrond verklaard. Klagers zijn het met die beslissing niet eens en zijn in hoger beroep gekomen. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) bekrachtigt de beslissing van de raad. 

Uitspraak

Beslissing van 8 mei 2026

in de zaak 250334

naar aanleiding van het hoger beroep van:

1. mr. […] (klaagster)

2. mr. […] (klager)

klagers

tegen:

verweerder

 

1 INLEIDING

1.1 Verweerder was de wederpartij van klager in een procedure met betrekking tot de onderbewindstelling van een cliënte van klager. Verweerder was de advocaat van de bewindvoerder /mentor. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat klager zijn cliënte (financieel) heeft benadeeld en is in dat verband een procedure bij de Geschillencommissie Advocatuur gestart. Klagers verwijten verweerder dat hij in die procedure standpunten heeft aangevoerd waarvan hij wist, of behoorde te weten, dat deze onjuist zijn, dan wel zaken heeft weggelaten of onjuist heeft weergegeven. De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft de klacht ongegrond verklaard. Klagers zijn het met die beslissing niet eens en zijn in hoger beroep gekomen. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) bekrachtigt de beslissing van de raad.  

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klagers in hoger beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad

2.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 7 mei 2025 van de voorzitter van de raad. In deze beslissing (met zaaknummer 25-179/DH/DH) is de klacht van klagers, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:95 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

2.2 klagers hebben tegen deze beslissing verzet ingesteld. Bij beslissing van 1 september 2025 (hierna: de beslissing op verzet) heeft de raad het verzet van klagers met betrekking tot klachtonderdeel c) gegrond verklaard, en klachtonderdeel c) vervolgens inhoudelijk ongegrond verklaard. Het verzet van klagers is tevens ongegrond verklaard voor zover zich dat ook richt tegen de verdere beoordeling door de voorzitter. De beslissing op verzet is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:182 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof

2.3 Het beroepschrift van klagers tegen de beslissing op verzet is op 1 oktober 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad; het verweerschrift van verweerder van 2 november 2025.

2.5       Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 13 maart 2026. Daar is verschenen verweerder en klager, bijgestaan door mr. O.D. Nijenhuis. Mr. Nijenhuis heeft tevens waargenomen voor klaagster. Het standpunt van klagers is door mr. Nijenhuis toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.2 Aan deze klacht is een geschil rondom de bijstand aan mevrouw […] (hierna: P), geboren in [geboortejaar], alleenstaand en wonende te [woonplaats], voorafgegaan. Klager heeft opgetreden voor P in de procedures waarbij zij onder bewind is gesteld. Verweerder heeft opgetreden voor de bewindvoerder/mentor van P.

3.3 In oktober 2021 heeft een zorginstelling/casemanager dementie bij de kantonrechter een verzoek ingediend tot onderbewindstelling van en mentorschap over P. Grond van het verzoek was dat P met dementie was gediagnostiseerd.

3.4 Op 9 november 2021 heeft klager zijn opdracht tot bijstand aan P in de procedure bij de kantonrechter bevestigd teneinde verweer te kunnen voeren tegen het verzoek tot bewind/mentorschap.

3.5 Op 29 november 2021 heeft klager namens P schriftelijk verweer gevoerd tegen de verzoeken. De zitting bij de kantonrechter heeft op 30 november 2021 (vanwege corona telefonisch) plaatsgevonden.

3.6 Met twee beslissingen van 8 december 2021 heeft de kantonrechter bewind en mentorschap uitgesproken over P. OpRecht Leiden B.V. is tot bewindvoerder en mentor benoemd (hierna: de bewindvoerder). Het bewind is op 8 december 2021 ingeschreven in het curatele- en bewindsregister.

3.7 Bij brief van 26 januari 2022 aan P heeft klager zijn opdracht voor het instellen van hoger beroep aan P bevestigd.

3.8 Op 28 januari 2022 heeft klager, namens P, aan de kantonrechter vervangende toestemming gevraagd om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing waarbij P onder bewind is gesteld en in dit verband verzocht om budget voor de rechtsbijstand.

3.9 De kantonrechter heeft, na een tussenbeslissing van 2 februari 2022 waarin klager is opgedragen een begroting in te dienen, op 2 maart 2022 de vervangende toestemming verleend en bepaald dat klager tegen een tarief van € 300,-, exclusief kantoorkosten, btw en reiskosten, en voor maximaal 23,5 uren beroep mag instellen voor P.

3.10 Op 8 maart 2022 heeft klager hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen waarbij bewind en mentorschap over P is uitgesproken. Verweerder heeft de bewindvoerder bijstand verleend in de beroepsprocedure.

3.11 In zijn brief van 12 juli 2022 heeft verweerder aan klager uiteengezet dat, zakelijk weergegeven, klager P (financieel) heeft benadeeld. Volgens verweerder was duidelijk dat P dementerend was en daarom haar wil niet kon bepalen. Volgens verweerder heeft klager daarnaast excessief gedeclareerd voor zijn werkzaamheden. Verweerder heeft verder geschreven dat klager op 26 januari 2022 een overeenkomst heeft gesloten voor het instellen van hoger beroep, terwijl P toen al onder bewind stond. Verweerder deelt verder mee dat hij de overeenkomsten van 9 november 2021 en 26 januari 2022 via deze brief buitengerechtelijk vernietigt en verzoekt klager zijn werkzaamheden in de hoger beroepszaak te staken.

3.12 Op 14 juli 2022 heeft verweerder aan het gerechtshof geschreven dat, zakelijk weergegeven, de overeenkomst tussen P en klager niet rechtsgeldig is. Verweerder heeft het gerechtshof gevraagd om klager als advocaat te onttrekken aan de beroepsprocedure.

3.13 Op 5 augustus 2022 heeft klager afwijzend gereageerd op verweerders vernietiging van de overeenkomsten met P en verweerder bericht dat hij geen gehoor zal geven aan diens sommatie om zich te onttrekken als advocaat.

3.14 Op 21 december 2022 is het hoger beroep mondeling behandeld bij het gerechtshof. P is ter zitting bijgestaan door klager en de bewindvoerder is bijgestaan door verweerder.

3.15 Bij beschikking van 8 februari 2023 heeft het gerechtshof de onderbewindstelling van P bekrachtigd. De benoeming van de bewindvoerder is gehandhaafd.

3.16 Op 20 november 2023 heeft verweerder namens Oprecht Leiden B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder van P bij de Geschillencommissie Advocatuur (hierna: de geschillencommissie) een klacht ingediend tegen klager en het kantoor van klagers. De klacht houdt in dat excessief is gedeclareerd bij P. In de klacht is door verweerder onder meer opgenomen:

“5. (…) Intussen nemen [H] en [klager] verdere stappen om niet [X], die zich dan al niet meer bereid heeft verklaard om op te treden als bewindvoerder, maar [H] als bewindvoerder aan te stellen. [H] stelt daartoe op 27 november 2021 een bereidverklaring op (…)

Productie 14: bereidverklaring [H] (…)

12. Vanwege het niet in aanmerking komen voor een toevoeging is een uurtarief ‘overeengekomen’ van maar liefst € 300,- per uur exclusief 6% kantoorkosten, 21% btw en exclusief eventuele reiskosten à € 0,45 per gereden kilometer. Het door [klager] in rekening gebrachte uurtarief is (bijzonder) hoog, gezien het soort zaak en het te dienen belang. Normaliter wordt voor dit soort zaken, als iemand niet in aanmerking komt voor een toevoeging, gerekend met een tarief rond de € 200,- per uur. (…)

14. (…) Deze factuur is bijzonder hoog, zeker vergeleken met de vergoeding van € 1.444,74 inclusief btw die [klager] zou hebben ontvangen in het geval hij rechtsbijstand op basis van een toevoeging zou hebben verleend.”

3.17 Op 14 mei 2024 heeft klaagster namens klager verweer ingediend bij de geschillencommissie.

3.18 Op 15 mei 2024 heeft verweerder een reactie op het verweerschrift ingediend, inhoudende een reactie betreffende de (niet-)ontvankelijkheid en de door klagers ingestelde tegenvordering.

3.19 Op 4 juni 2024 heeft klaagster namens klager een nadere reactie ingediend bij de geschillencommissie.

3.20 Op 29 juli 2024 hebben klagers bij de deken de onderhavige klacht ingediend over verweerder.

3.21 Op 30 juli 2024 heeft verweerder aan de geschillencommissie onder meer bericht:

“De advocaat van beklaagde heeft mij erop gewezen dat ik in randnummer 5 van het klachtschrift een fout heb gemaakt. Ik heb daar, met verwijzing naar Productie 14, geschreven:

“Intussen nemen [H] en [klager] verdere stappen om niet [X], die zich dan al niet meer bereid heeft verklaard om op te treden als bewindvoerder, maar [H] als bewindvoerder aan te stellen.”

Dit betreft een kennelijke verschrijving. Bedoeld is te schrijven.

Intussen nemen [H] en [klager] verdere [H] als mentor aan te stellen.

In dit kader verwijs ik naar Productie 14, houdende een bereidverklaring van [H] om als mentor op te treden.”

3.22 Bij tussenbeslissing van 20 augustus 2024 heeft de geschillencommissie P ontvankelijk verklaard in de klacht tegen het kantoor van klagers. De geschillencommissie heeft hiertoe overwogen:

“De advocaat heeft bij eerste gelegenheid - namelijk in het verweerschrift – verzocht de cliënte niet ontvankelijk te verklaren in haar klacht (…)

De commissie stelt voorop dat op het vragenformulier de kantoornaam en ook de naam van de betreffende advocaat zijn ingevuld. Hiermee is derhalve juiste wederpartij aangeschreven en verwerpt de commissie dit verweer.

Voorts blijkt uit de in deze ingebrachte stukken dat de behandelende advocaat zelf in een e-mail van 21 juli 2023 heeft aangeboden om de zaak inhoudelijk te laten behandelen door de commissie op welk aanbod is ingegaan. De commissie acht het dan ook niet redelijk om vervolgens een dergelijk inhoudelijke behandeling te frustreren door een beroep op de niet-ontvankelijkheid te doen. (…)”

3.23 Bij eindbeslissing van 5 maart 2025 heeft de geschillencommissie een bindend advies gegeven. Volgens het advies is niet gebleken dat de bijstand van klager aan P van onvoldoende kwaliteit was en ook niet dat er iets mis was met de door klager bij P in rekening gebrachte kosten.

 

4 ONTVANKELIJKHEID EN OMVANG VAN HET HOGER BEROEP

4.1 Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 46h Advocatenwet maakt verzet mogelijk tegen beslissingen als bedoeld in artikel 46g, eerste lid, aanhef en onder a Advocatenwet. Het gaat daarbij om voorzittersbeslissingen, waarbij de voorzitter tot aan de behandeling van de klacht ter zitting kan besluiten dat: a) de raad kennelijk onbevoegd is, b) de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is, c) de klacht kennelijk ongegrond is, of d) de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is. Op grond van lid 7 van artikel 46h Advocatenwet staat tegen de beslissing op verzet geen rechtsmiddel open. Dat betekent dat geen hoger beroep mogelijk is tegen een beslissing van de raad waarbij het verzet ongegrond is verklaard. Er geldt een appelverbod. Daarop kan alleen een uitzondering worden gemaakt als de procedure bij de raad geen eerlijk proces betrof, doordat bij de behandeling van het verzet door de raad een fundamenteel rechtsbeginsel (zoals het recht op hoor en wederhoor) is geschonden.

4.2 Het hof constateert dat klagers in het beroepschrift niet aanvoeren dat de raad bij de behandeling van het verzet een fundamenteel rechtsbeginsel heeft geschonden, waardoor de procedure bij de raad geen eerlijk proces is geweest. Ook daarbuiten is het hof niet gebleken dat klagers bij de raad geen eerlijk proces hebben gehad. Het hof stelt gelet hierop vast dat het hoger beroep van klagers uitsluitend ontvankelijk is voor zover dat betrekking heeft op klachtonderdeel c).

4.3 Verder geldt op grond van artikel 57 lid 4 Advocatenwet, dat het hof onderzoek doet op grondslag van de beslissing van de raad. Dat betekent dat de klacht niet kan worden uitgebreid in hoger beroep: er kunnen niet voor het eerst nieuwe klachten aan het hof kunnen worden voorgelegd en reeds bij de raad ingediende klachten kunnen ook niet met nieuwe feiten en omstandigheden worden onderbouwd als gevolg waarvan de klacht wordt uitgebreid. Het hof verwijst in dat verband naar wat klagers in het beroepschrift onder de randnummers 2, 3 en 4 naar voren hebben gebracht over het ontslag van OpRecht Leiden B.V. bij vonnis van de kantonrechter van 14 juli 2025 in alle zaken waarin zij was aangesteld als bewindvoerder/mentor/curator en het faillissement van OpRecht Leiden B.V. per 5 augustus 2025. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advocatenwet). Dat is niet gebeurd voor hetgeen klagers onder de hiervoor genoemde nummers in het beroepschrift hebben opgenomen. In zoverre zijn klagers dan ook niet-ontvankelijk in hun hoger beroep.

 

5 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover nog aan de orde in hoger beroep, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, doordat hij bij de geschillencommissie een procedure aanhangig heeft gemaakt en dat hij in die procedure niet handelt zoals dat een behoorlijk advocaat betaamt.

(…) (…) Verweerder heeft standpunten aangevoerd waarvan hij wist, dan wel behoorde te weten dat deze onjuist zijn, althans heeft hij zaken weggelaten dan wel zaken onjuist weergegeven (gedragsregels 1 en 8). (…) (…)

 

6 BEOORDELING RAAD

6.1 Ten aanzien van de ongegrondverklaring van klachtonderdeel c) heeft de raad het volgende overwogen.

6.2 De raad stelt voorop dat verweerder in de procedure bij de geschillencommissie als partijdig belangenbehartiger namens zijn cliënt, de bewindvoerder, standpunten heeft ingenomen. Verweerder mocht daarbij afgaan op de informatie die hij van zijn cliënt kreeg. Klagers hebben in de procedure bij de geschillencommissie verweer gevoerd tegen die standpunten. Het oordeel daarover is voorbehouden aan de geschillencommissie. Dit is slechts anders voor zover het gaat om stellingen waarvan verweerder de onjuistheid kende of moest kennen.

6.3 Klagers hebben in verzet allereerst gewezen op het feit dat verweerder in de klacht heeft geschreven dat de buurman beoogd bewindvoerder was, terwijl de buurman alleen beoogd mentor was. Klagers stellen dat verweerder dit valselijk heeft gesteld om het beeld kracht bij te zetten dat klager en de buren alleen uit waren op het geld van P. De raad volgt klagers daarin niet. Verweerder heeft in zijn klacht inderdaad ten onrechte opgenomen dat de buurman beoogd bewindvoerder was, terwijl duidelijk was dat de buurman zich alleen bereid had verklaard mentor te zijn. Verweerder heeft dit later, op 30 juli 2024, gerectificeerd. De raad heeft geen reden om te twijfelen aan verweerders stelling dat sprake was van een enkele verschrijving. Verweerder had de productie met de bereidverklaring al bij zijn klacht gevoegd. Hoewel verweerder zijn fout eerder had kunnen constateren en rectificeren, bijvoorbeeld door de processtukken van de zijde van klagers volledig te lezen, acht de raad het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat hij dat pas op 30 juli 2024 heeft gedaan. Het is de raad niet gebleken dat verweerder bewust dit onjuiste standpunt heeft ingenomen met, bovendien, benadeling van klagers als doel.

6.4 Klagers hebben er verder op gewezen dat verweerder volstrekt ten onrechte heeft gesteld dat het uurtarief te hoog is, dat hij heeft verzuimd dit te onderbouwen en dat verweerder als kers op de taart stelt dat klagers op basis van een toevoeging hadden dienen te procederen voor P, terwijl hij wist dat P niet in aanmerking kwam voor een toevoeging. De raad overweegt dat de kern van de klacht van verweerders cliënt was dat P door klager financieel was benadeeld, onder meer door het te hoge uurtarief. Het gaat hier om een partijstandpunt dat verweerder naar voren kon en mocht brengen. De raad ziet niet dat verweerder heeft aangevoerd dat klagers op basis van een toevoeging hadden moeten procederen voor P. Verweerder heeft in de klacht wel de vergelijking gemaakt tussen de vergoeding die klager zou hebben ontvangen als hij op toevoegingsbasis bijstand had verleend en de vergoeding die hij daadwerkelijk heeft ontvangen. Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

6.5 De raad heeft dan ook geoordeeld dat van de door klagers gestelde schending van de integriteit door het innemen van evident onjuiste stellingen geen sprake is.

 

7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klagers (zakelijk samengevat)

7.1 Klagers voeren aan dat de raad heeft verzuimd te erkennen dat verweerder door een cumulatie van feiten heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 8. Klagers voeren aan dat de raad geen gemotiveerd oordeel heeft gegeven over het door klagers uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat verweerder hen ten onrechte verwijt dat zij niet in het belang van en in opdracht van P zouden hebben gehandeld, maar in het belang en in opdracht van de overburen. Volgens klager is de uitspraak van de raad daarmee onvoldoende gemotiveerd, gelet op de omstandigheid dat verweerder zich kennelijk neerlegt bij het advies van de geschillencommissie. Naar aanleiding van het advies van de geschillencommissie had de raad volgens klagers tevens gemotiveerd moeten reageren op de stelling van verweerder dat klagers voor P een onredelijk uurtarief hebben gehanteerd. Klagers herhalen daarnaast dat verweerder in het kader van de onjuiste framing van klager ook valselijk heeft meegedeeld dat de overbuurman beoogd bewindvoerder was, en dat hij dit pas op 30 juli 2024 heeft gerectificeerd, terwijl hij dat volgens klagers veel eerder had kunnen doen. Dat sprake zou zijn van een verschrijving achten klagers ongeloofwaardig. Ook op dit punt is sprake van een motiveringsgebrek in de beslissing van de raad, aldus klagers.  Klagers verzoeken het hof het hoger beroep gegrond te verklaren en aan verweerder een maatregel op te leggen.

Verweer verweerder

7.2 Verweerder heeft in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Het standpunt van verweerder is dat het hoger beroep moet worden verworpen.

 

8 BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Ten aanzien van dit hoger beroep

8.2 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen dan de raad. Wat klagers - voor zover ontvankelijk - in hoger beroep hebben aangevoerd sluit aan bij de klacht zoals klagers die ook in eerste aanleg hebben onderbouwd. In hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten en omstandigheden die naar het oordeel van het hof tot een ander oordeel nopen. Het hof acht de beslissing van de raad voldoende gemotiveerd en sluit zich hierbij aan. Het hof is dan ook met de raad van oordeel dat de klacht van klagers ongegrond is.

Conclusie

8.3 Het hof verwerpt het hoger beroep van klagers en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.

 

9 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

9.1 verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover klagers nieuwe klachten hebben aangevoerd, dan wel de klacht met nieuwe feiten en omstandigheden hebben uitgebreid;

en

9.2 bekrachtigt de beslissing van 1 september 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, genomen onder nummer 25-179/DH/DH.

 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en JE. Soeharno, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.

griffier                                                                                                                       voorzitter           

 

De beslissing is verzonden op 8 mei 2026.