Rechtspraak
Uitspraakdatum
08-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:143
Zaaknummer
240046H
Inhoudsindicatie
Verzoek om herziening niet-ontvankelijk. De beslissing waar verzoekster zich op heeft beroepen (ECLI:NL:TAHVD:2022:141) betrof een beklag tegen een weigering van een deken om een advocaat toe te wijzen. Voor die procedures op grond van artikel 13 Advocatenwet, waarin de positie van een klager wezenlijk anders is dan in een klachtprocedure, heeft het hof een uitzondering gemaakt. Nu het hier echter een klachtprocedure betreft tegen een andere advocaat doet de uitzondering die het hof heeft gemaakt zich niet voor.
Uitspraak
Beslissing van 8 mei 2026
naar aanleiding van het verzoek tot herziening van:
verzoekster
1 DE BESLISSING WAARVAN HERZIENING WORDT VERZOCHT
1.1 Bij voorzittersbeslissing van 28 april 2023 van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (verder: de raad) met zaaknummer: 23-157/DB/ZWB, is een klacht van verzoekster tegen mr. Van der E. kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing is onder nummer ECLI:NL:TADRSHE:2023:53 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
1.2 Verzoekster heeft tegen deze voorzittersbeslissing verzet ingesteld bij de raad en heeft de voorzitter daarnaast gevraagd om zijn beslissing te herstellen. Op 5 juni 2023 heeft de voorzitter van de raad laten weten dat het verzoek tot herstel zal worden afgewezen. De raad heeft op 8 januari 2024 op het verzet beslist. In deze beslissing heeft de raad het verzet van verzoekster gegrond verklaard. De raad heeft de klacht vervolgens niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing is onder nummer ECLI:NL:TADRSHE:2024:3 op tuchtrecht.nl gepubliceerd. Bij herstelbeslissing van 9 januari 2024 heeft de raad een kennelijke fout in hersteld. De herstelbeslissing is onder nummer ECLI:NL:TADRSHE:2024:4 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
1.3 Het Hof van Discipline (verder: het hof) heeft met zijn beslissing van 15 november 2024, zaaknummer 240046, de beslissing van de raad van 8 januari 2024 bekrachtigd. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2024:278 gepubliceerd op tuchtrecht.nl.
2 HET VERZOEK TOT HERZIENING
2.1 Verzoekster heeft op 14 november 2025 verzocht om herziening van de beslissing van het hof van 15 november 2024.
2.2 Verder bevat het herzieningsdossier:
het verweerschrift van 25 november 2025; de repliek; de dupliek.2.3 Op 6 maart 2026 heeft verzoekster de leden van de kamer die haar verzoek behandelden gewraakt. Op 18 maart 2026 hebben de rechters wier wraking was verzocht aangegeven niet te berusten in het verzoek. Op 18 maart 2026 heeft verzoekster een repliek ingediend. De rechters wier wraking was verzocht zagen geen aanleiding voor een dupliek.
2.4 Op 23 april 2026 heeft verzoekster haar wrakingsverzoek ingetrokken en aan het hof verzocht om aan de verweerster in de zaak waarvan zij herziening verzoekt, alsnog om een inhoudelijke reactie te vragen op het herzieningsverzoek dan wel een mondelinge behandeling te bepalen.
2.5 Op 24 april 2026 is door de griffie aan partijen medegedeeld dat het geding wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de indiening van het (wrakings)verzoek. Dit betekent dat het bij de intrekking gedane, verzoek om toevoeging van stukken aan het dossier zal worden beoordeeld door de behandelend kamer.
2.6 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het (wrakings)dossier.
3 BEOORDELING
herzieningsverzoek en de reactie van de deken
3.1 Verzoekster heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat in de procedure die heeft geleid tot de beslissing van 15 november 2024, 240046, door het hof fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden en dat er geen sprake is geweest van een eerlijk proces.
3.2 Verzoekster heeft in repliek aangevoerd dat het verzoek tot herziening toch ontvankelijk is ondanks dat zij geen beklaagde is aan wie een maatregel is opgelegd. Zij doet een beroep op een beslissing van het hof van 26 september 2022 ECLI:NL:TAHVD:2022:141 waarin in een artikel 13 Advocatenwet een herzieningsverzoek van een klaagster ontvankelijk en gegrond is verklaard omdat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden.
reactie op herzieningsverzoek
3.3 Verweerster (in zaak 240046) heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek tot herziening. De beslissing van het hof waar klaagster naar verwijst doet daar niet af; die zag op een geheel andere procedure (een afwijzend verzoek van de deken). De onderhavige klachtprocedure betreft volgens verweerster een klachtprocedure waarin beide partijen ruimschoots de gelegenheid hebben gehad hun standpunten naar voren te brengen. Er is geen sprake van schending van hoor en wederhoor, noch van enig ander fundamenteel rechtsbeginsel dat aanleiding geeft om af te wijken van het herzieningsprotocol.
de mogelijkheid tot herziening
3.4 Tegen een beslissing van het hof is in de Advocatenwet geen gewoon rechtsmiddel opengesteld. De Advocatenwet voorziet evenmin in de mogelijkheid tot herziening van een uitspraak van de tuchtrechter. Daarom is een verzoek om herziening van een uitspraak van het hof in beginsel niet-ontvankelijk en neemt het hof een zodanig verzoek niet in behandeling.
3.5 Bij uitzondering kan het hof, zo blijkt uit artikel 1 van het herzieningsprotocol van het hof dat tot 1 januari 2026 gold en op deze zaak van toepassing is, een verzoek om herziening wel ontvankelijk verklaren en in behandeling nemen. Er moet dan sprake zijn van de uitzonderingen die in artikel 1.2 van het herzieningsprotocol zijn opgenomen, en op die uitzonderingen kan op grond van artikel 1.3 van het herzieningsprotocol alleen een beroep worden gedaan door een advocaat aan wie bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd een maatregel is opgelegd.
ontvankelijkheid van het herzieningsverzoek
3.6 Verzoekster is in de klachtprocedure de klagende partij en geen advocaat aan wie een maatregel is opgelegd. Verzoeker kan dan ook geen beroep doen op de hiervoor genoemde en in het herzieningsprotocol opgenomen uitzonderingen.
3.7. Het hof ziet geen aanleiding om bij wijze van uitzondering verzoekster in deze procedure toch ontvankelijk te achten. De beslissing waar verzoekster naar verwijst en waarin een klaagster, niet zijnde een advocaat, ontvankelijk was verklaard in het verzoek tot herziening betrof een beklag tegen een weigering van een deken om een advocaat toe te wijzen. Voor die procedures op grond van artikel 13 Advocatenwet, waarin de positie van een klager wezenlijk anders is dan in een klachtprocedure, heeft het hof een uitzondering gemaakt. Nu het hier echter een klachtprocedure betreft tegen een andere advocaat doet de uitzondering die het hof heef gemaakt zich niet voor en kan het beroep van klaagster op de beslissing van 26 september 2022 haar niet helpen.
3.8. Verzoekster is dan ook niet ontvankelijk in haar verzoek tot herziening. Het hof ziet om die reden geen aanleiding om aan het verzoek van verzoekster zoals verwoord in haar brief van 23 april 2026 gehoor te geven. Verzoekster heeft daarbij geen belang.
BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar herzieningsverzoek;
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland , voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en G.C. Endedijk , leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 8 mei 2026 .
