Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:98

Zaaknummer

zaak 25-881/DH/RO

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een arbeidsrechtelijk geschil. Het stond verweerder vrij om geen procedure te starten omdat hij vond dat het causaal verband onvoldoende bewezen kon worden. Ook is het begrijpelijk dat verweerder geen procedure wilde starten over onderwerpen waarover al finale kwijting was verleend.  Verweerder was niet gehouden om werkzaamheden te verrichten voordat de eigen bijdrage was betaald. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 4 mei 2026 in de zaak 25-881/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 13 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 18 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/108 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 23 maart 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 27.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klager is langdurig (langer dan twee jaar) arbeidsongeschikt geraakt. Zijn werkgever heeft aan klager een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van het dienstverband voorgelegd. Klager heeft zich tot verweerder gewend voor juridische bijstand. Klager wilde onder meer een vergoeding vanwege knieklachten en mentale problemen die volgens hem zijn ontstaan door toedoen van de werkgever. Verweerder heeft klager verzocht om een onderbouwing waaruit volgt dat de klachten zijn veroorzaakt door het werk. Klager en verweerder hebben hierover uitvoerig gecorrespondeerd. Verweerder was van mening dat de medische stukken die klager vervolgens heeft aangeleverd het causaal verband onvoldoende aantoonde. Wel heeft verweerder aan klager aangeboden om per brief aan de werkgever om een vergoeding voor de klachten te vragen, maar dat klager daar niet veel van moest verwachten.  2.3    Op 16 januari 2025 heeft verweerder gereageerd op de door de werkgever voorgestelde vaststellingsovereenkomst. Daarbij heeft hij namens klager verzocht om een vergoeding van € 6.000,- voor de knieklachten en mentale problemen. Ook heeft hij voorgesteld om de beëindigingsdatum naar een latere datum te verplaatsen en een hogere transitievergoeding toe te kennen. 2.4    De werkgever is akkoord gegaan met het aanpassen van de beëindigingsdatum. De hogere transitievergoeding en de vergoeding van € 6.000,- zijn niet aanvaard. Verweerder heeft klager daarop geadviseerd om geen procedure te starten over de transitievergoeding, omdat het bedrag te gering is. Ook achtte verweerder het causaal verband tussen de knieklachten en de mentale problemen en het werk nog onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft klager geadviseerd om de vaststellingsovereenkomst te tekenen. Klager heeft de vaststellingsovereenkomst vervolgens op 27 januari 2025 ondertekend. Daarin is finale kwijting over en weer verleend. 2.5    Eind februari/begin maart 2025 heeft de werkgever een eindafrekening gestuurd aan klager. Er is vervolgens een discussie ontstaan over de uitbetaling door de werkgever van de verlofuren aan klager. Volgens klager diende de uitbetaling hoger te zijn omdat hij tijdens zijn ziekte nooit verlof heeft opgenomen. Volgens de werkgever zou klager in 2024 voor langere tijd zijn afgereisd naar Suriname dan vooraf was afgesproken zodat er te veel is uitbetaald. Verweerder heeft de werkgever verzocht om een overzicht te verstrekken van de opbouw en opname van de vakantiedagen. Verweerder heeft klager aangeboden een procedure te starten voor de te weinig uitbetaalde vakantiedagen. 2.6    Op 10 maart 2025 heeft verweerder aan klager laten weten dat de aangevraagde toevoeging is afgewezen door de Raad voor Rechtsbijstand, waarna er een verzoek tot peiljaarverlegging is gedaan. 2.7    Klager heeft vervolgens gevraagd om alsnog een procedure te starten over de mentale en knieklachten. Verweerder heeft klager uitgelegd dat dit niet meer mogelijk was vanwege de in de vaststellingsovereenkomst afgesproken finale kwijting. 2.8    Op 7 april 2025 heeft de Raad voor Rechtsbijstand een toevoeging verleend. De eigen bijdrage is vastgesteld op € 891,-. Klager heeft aan verweerder medegedeeld de eigen bijdrage pas te betalen op het moment dat zijn werkgever hem een schadevergoeding heeft betaald voor de mentale en knieklachten. 2.9    Op 25 april 2025, 13 mei 2025 en 3 juni 2025 heeft verweerder betalingsherinneringen verstuurd. In het laatste bericht heeft verweerder opgemerkt dat hij om een tussentijdse beëindiging van de toevoeging zou vragen als de eigen bijdrage niet tijdig werd betaald. Op 30 juni 2025 heeft verweerder klager gewezen op de consequenties van een tussentijdse beëindiging van de toevoeging, namelijk dat klager dan geen nieuwe toevoeging meer zal krijgen en dat een andere advocaat deze ook niet meer kan overnemen. Klager heeft op deze berichten niet gereageerd. De eigen bijdrage is niet betaald. 2.10    Bij beschikking van 14 augustus 2025 heeft de Raad voor Rechtsbijstand de toevoeging op verzoek van verweerder ingetrokken.3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. a)    Verweerder heeft de zaak van klager niet aan de rechter willen voorleggen, omdat verweerder vond dat zijn reputatie daarmee in het geding zou komen, terwijl klager alle bewijzen aan hem heeft overgelegd; b)    Verweerder heeft pas iets voor klager willen doen na betaling van de eigen bijdrage van € 891,-, waardoor klagers zaak lang heeft stilgelegen.

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Klachtonderdeel a) 5.2    De raad stelt vast dat verweerder wel een procedure heeft willen starten over de uitbetaling van de vakantie uren. Over het starten van een procedure over de vergoeding voor de knieklachten en mentale problemen, wat verweerder niet voor klager wilde doen, is de raad het volgende van oordeel: 5.3    Van advocaten wordt verwacht dat zij geen procedures starten als zij onvoldoende slagingskans zien. Verweerder heeft uitvoerig aan klager toegelicht dat het causaal verband tussen de knieklachten en de mentale klachten onvoldoende bewezen kon worden. Klager mag daar een andere kijk op hebben, maar dat betekent niet dat verweerder daarom toch een procedure had moeten starten. Dat valt onder de vrijheid die verweerder heeft als advocaat. Daar komt bij dat er in januari 2025 een vaststellingsovereenkomst is gesloten waarin finale kwijting over en weer is afgesproken. De finale kwijting had tot gevolg dat over die klachten niet meer geprocedeerd kon worden. Dat verweerder ook daarna geen procedure wilde starten over de knieklachten en mentale klachten is dan ook begrijpelijk. Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel a) is ongegrond. Klachtonderdeel b) 5.4    Verweerder is niet gehouden om werkzaamheden te verrichten voordat de eigen bijdrage is betaald (zie RvD ’s-Hertogenbosch 18 november 2024, ECLI:NL:TADRSHE:2024:165, onder 4.7). Dat het starten van een procedure over de vakantie uren heeft stilgelegen omdat klager de eigen bijdrage niet wilde betalen, kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten. Klachtonderdeel b) is ongegrond. Conclusie 5.5    De raad zal de klacht in het geheel ongegrond verklaren.

BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. A.T. Bol en A.B. Baumgarten, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.