Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:102

Zaaknummer

25-345/DH/DH

Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 4 mei 2026 in de zaak 25-345/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 23 juli 2025 op de klacht van:

klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 14 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) door middel van het daarvoor bestemde webformulier een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 18 december 2024 heeft klager zijn klacht aangevuld, na akkoord hiervoor van de stafjurist van het bureau van de Orde van Advocaten Den Haag. 1.3    Op 17 januari 2025 heeft verweerder gereageerd op de klacht, met een cc aan klager. De deken heeft op 22 januari 2025 een afschrift van het verweer verstuurd aan klager.  1.4    Op 24 januari 2025 heeft klager per e-mail een repliek ingediend, in reactie op het bericht van de deken waarin het verweer is doorgezonden. 1.5    Op 17 februari 2025 heeft verweerder een dupliek ingediend, met een cc aan klager. De deken heeft op 18 februari 2025 een afschrift van de dupliek verstuurd aan klager. 1.6    Op 23 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K255 2024 van de deken ontvangen. 1.7    Op 17 juli 2025 heeft klager de raad verzocht om een kopie van alle dossiers van zijn klachten die bij de raad aanhangig zijn. Daarop is diezelfde dag door de griffie gereageerd: “Hoewel u in principe over de dossiers beschikt, zal coulancehalve de volledige dossiers aan u worden verstrekt. Vanwege de vakantieperiode is de griffie momenteel onderbezet. Daarom, en omdat u een aanzienlijk aantal klachtdossiers hebt lopen, zal dit enige tijd kosten om te bewerkstelligen. Ik vraag om uw begrip hiervoor. Uw dossier met zaaknummer 25-276/DH/RO zal als eerste (vandaag) aan u worden verzonden. De overige dossiers ontvangt u in de loop van volgende week.  Wat betreft de procedure met zaaknummer 25-345/DH/DH het volgende. Op 28 mei 2025 is de ontvangstbevestiging in deze zaak aan u toegezonden (zie bijlage). Zoals vermeld in deze brief had u tot twee weken na de verzenddatum van deze brief eenmalig de gelegenheid om stukken in te dienen. Deze termijn is inmiddels verstreken, zodat het niet meer mogelijk is om aanvullende stukken in te dienen. Voor zover u daarbij uw klacht had willen uitbreiden, geldt dat nieuwe klachten op grond van artikel 46c lid 1 Advocatenwet bij de deken moeten worden ingediend.” 1.8    Bij beslissing van 23 juli 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht in de onderhavige zaak kennelijk ongegrond verklaard. 1.9    Op 24 juli 2025 heeft de griffie een kopie van het dossier in onderhavige zaak aan klager verzonden. 1.10    Op 27 juli 2025 heeft klager een verzetschrift van 30 pagina’s, met daarbij in totaal 8.537 pagina’s aan bijlagen ingediend. Op grond van artikel 2.2.3 in verbinding met artikel 2.4.3 van het Procesreglement is het verzetschrift wegens overschrijding van het maximum van 25 pagina’s niet in behandeling genomen. 1.11    Op 14 augustus 2025 heeft klager een aangepast verzetschrift ingediend. Dit verzetschrift is in behandeling genomen. 1.12    Op 8 februari 2026 heeft klager aanvullende stukken ingediend.  1.13    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 23 februari 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. 1.14    Op 23 maart 2026 heeft klager een wrakingsverzoek ingediend. Bij beslissing van 9 april (zaaknummer 26-248/A/DH/W) heeft de wrakingskamer van de raad van discipline Amsterdam het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. 1.15    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd, van het verzetschrift van 14 augustus 2025 en van de aanvullende stukken van klager van 8 februari 2026.

2    VERZET 2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in: 2.2    Het dossier is niet op onafhankelijke wijze tot stand gekomen door beïnvloeding van de deken, die zich vijandig en partijdig heeft opgesteld en waartegen ook klachtprocedures lopen. Er is sprake van systemische vijandigheid, corruptie en een diepgeworteld wit superioriteitscomplex bij de deken en de raad. De raad hanteert een struisvogelpolitiek door te doen alsof hij de onregelmatigheden in het dossier niet ziet. Daarbij zijn het in de praktijk niet de voorzitters die rechtspreken, maar nemen zij slechts blindelings de foute (concept)beslissingen over die hun griffiers voorkoken. Daarmee wordt een perverse juridische valstrik gecreëerd, omdat het voor klager volstrekt onmogelijk is om de persoon te wraken die daadwerkelijk de beslissende pen vasthoudt. Het is daarmee een schijnvertoning van rechtspraak, bedoeld om de eigen gelederen te beschermen. 2.3    Het verweer van 17 januari 2025 is niet onmiddellijk na indiening doorgestuurd aan klager. De deken heeft het webformulier waarmee de klacht is ingediend beschouwd als de volledige klacht en heeft klager niet toegestaan om een aanvullende toelichting of onderbouwing op zijn klacht te geven, ook niet na ontvangst van het verweer van 17 januari 2025. Klager is door de deken buitenspel gezet, doordat hij de feitelijke en juridische kern van de klacht niet zelf mocht inbrengen, aanvullen of corrigeren. 2.4    Ook de raad heeft zich beperkt tot de klachtsamenvatting van de deken, waardoor de inhoudelijke kern van de klacht niet is beoordeeld. Klager heeft op geen enkel moment de mogelijkheid gekregen om de volledige context en complexiteit van zijn klacht te benoemen of om extra bewijsstukken in te dienen. Klager heeft de raad verzocht om een aanvullende schriftelijke toelichting in te mogen dienen, mede om inhoudelijk te kunnen reageren op het verweer van 17 januari 2025. Dit verzoek is echter afgewezen, waardoor de mogelijkheid om de klacht in de fase bij de raad te completeren of te corrigeren feitelijk is geblokkeerd. 2.5    Ondanks verzoek daartoe van klager, heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. 2.6    De deken heeft het volledige klachtdossier niet aan klager verstrekt voordat de klacht is doorgezonden aan de raad. Klager kreeg van de deken enkel een inventaris, maar niet de onderliggende stukken. Hierdoor is klager feitelijk belemmerd om gericht verweer te voeren en zijn klacht adequaat te onderbouwen. Ook kon hij daardoor de termijn van twee weken op grond van artikel 2.4.1 van het Procesreglement niet op reële wijze benutten, aangezien klager niet wist welke punten eventueel moesten worden aangevuld. Pas op 22 juli 2025, één dag voor de voorzittersbeslissing, heeft klager het volledige dossier van de onderliggende procedure ontvangen van het gerechtshof. Omdat de voorzittersbeslissing al de dag erna volgde, heeft klager geen enkele kans gehad om de onvolledigheid van het dossier aan te kaarten. Het volledige dossier van de tuchtklacht heeft klager pas ontvangen op 24 juli 2025, één dag na de voorzittersbeslissing. De voorzitter is daarop geheel niet ingegaan in de beslissing van 23 juli 2025. De deken heeft pas op 28 januari 2026 een gedeelte van de stukken verstrekt. Het onthouden van volledige dossierinzage, gecombineerd met het niet bieden van gelegenheid tot het geven van een mondelinge toelichting, vormen een ernstige en flagrante schending van de beginselen van hoor en wederhoor en equality of arms en tast de fundamentele waarborgen van een eerlijk proces aan. Klager heeft door toedoen van de deken geen volwaardige procespositie gehad. Klager wijst er ook op dat hij op de hiervoor genoemde ontbrekende waarborgen voor een objectieve en volledige toetsing van de klacht heeft gewezen in zijn wrakingsverzoek, hoewel daarover in deze verzetprocedure verder niet inhoudelijk hoeft te worden beslist. De procedurele tekortkomingen zijn op zichzelf zo ernstig dat de voorzittersbeslissing reeds daarom vernietigd moet worden en de klacht opnieuw behandeld moet worden, ditmaal met waarborging van klagers recht op inzage in alle stukken, om zijn klacht aan te vullen en het geven van een mondelinge toelichting. 2.7    Klager heeft daarnaast toegelicht waarom verweerder klachtwaardig heeft gehandeld door een onvolledig cassatieadvies op te stellen en geen cassatie in te stellen namens klager. 2.8    Klager verzoekt het verzet gegrond te verklaren, de voorzittersbeslissing van 23 juli 2025 te vernietigen en de zaak aan te houden totdat de klachtprocedure tegen de deken is afgerond. Daarna kan de klacht tegen verweerder alsnog inhoudelijk worden beoordeeld door de raad aan de hand van klagers toelichting op zijn klacht.3    FEITEN EN KLACHT 3.1    Voor de feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. Beoordeling 4.2    De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen. Dat wordt als volgt toegelicht. (On)volledigheid van het dossier 4.3    De raad stelt vast dat het onderzoek bij de deken tot stand is gekomen op de wijze zoals dat gebruikelijk is. Klager heeft zijn klacht door middel van het webformulier ingediend, waarin staat vermeld: “Let er bij de formulering van uw klacht op dat u zo min mogelijk (bijzondere) persoonsgegevens van uzelf of derden vermeldt. Geeft u daarbij echter wel een zo duidelijk mogelijke omschrijving van de klacht en van de feiten waarop deze rust.” 4.4    Klager heeft vervolgens op 18 december 2024 verzocht of hij zijn klacht nog mocht aanvullen. Dat verzoek is toegewezen en diezelfde dag nog heeft klager zijn klacht aangevuld. Vervolgens is het verweer van 17 januari 2025 in cc aan klager toegezonden én heeft de deken dit verweer op 22 januari 2025 nogmaals aan klager verstuurd. Klager heeft ook een repliek ingediend in reactie op het bericht van de deken van 22 januari 2025, zodat verondersteld moet worden dat hij kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het verweer van 17 januari 2025. Klager is in de onderzoeksfase van de deken dan ook voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn klacht volledig en naar behoren toe te lichten en om te reageren op het verweer van 17 januari 2025. De raad stelt verder vast dat ook de dupliek van verweerder in cc aan klager is verstuurd. Klager was dan ook bekend met alle processtukken uit de onderzoeksfase van de klacht bij de deken.  4.5    Nadat de raad de klacht had ontvangen, is in de ontvangstbevestiging aan klager medegedeeld: “Het klachtdossier bestaat uit de stukken die op bijgevoegde inventarislijst(en) zijn vermeld. De raad gaat ervan uit dat deze stukken bij u bekend zijn, tenzij u de raad anders bericht.” Daarop is door klager niet gereageerd. Evenmin heeft hij gebruik gemaakt van de mogelijkheid om aanvullende stukken in te dienen, overeenkomstig artikel 2.4.1 van het Procesreglement en op welke mogelijkheid hij ook is gewezen in de ontvangstbevestiging. De voorzitter heeft dan ook kunnen uitgaan van de volledigheid van de dossiers en op basis daarvan een voorzittersbeslissing kunnen nemen. Dat klager het dossier vervolgens op 24 juli 2025 nogmaals heeft ontvangen van de griffie, doet daaraan niet af. 4.6    Voor zover er volgens klager nog belangrijke documenten zouden ontbreken, waaronder 665 (e-mail)berichten, dan geldt dat het aan klager was om zijn klacht al in de onderzoeksfase bij de deken te voorzien van een onderbouwing. Als hij wilde dat deze berichten als onderbouwing voor zijn klacht zouden worden meegenomen, dan had hij dat al bij de deken kenbaar moeten maken. 4.7    De ernstige verwijten van corruptie en racisme die klager in dat verband maakt aan zowel de deken als de raad, acht de raad misplaatst. De deken heeft in haar onderzoek naar de klacht de Leidraad dekenaal klachtonderzoek 2025 toegepast. Die Leidraad is er juist voor bedoeld om te waarborgen dat klachtprocedures op gelijke wijze worden behandeld. Dat geldt ook voor het Procesreglement van de raad. Dat klager daarop geen uitzonderingspositie heeft gekregen ten opzichte van andere procespartijen, rechtvaardigt deze beschuldigingen niet. (On)volledigheid van de klachtomschrijving 4.8    De raad stelt vast dat alle klachtonderdelen die gaan over het handelen van verweerder, zoals genoemd in de processtukken van klager (het klachtformulier, de aanvulling op de klacht van 18 december 2024 en de repliek), zijn opgenomen in de klachtomschrijving in de voorzittersbeslissing. Klager heeft ook niet gesteld dat de klachten niet correct zijn overgenomen uit zijn processtukken. Hij heeft enkel gesteld dat hij überhaupt niet in staat is gesteld om zijn klachten op behoorlijke wijze naar voren te brengen, maar daarin kan hij gelet op het voorgaande (zie in het bijzonder overweging 4.4) niet worden gevolgd. Daarbij geldt dat het niet mogelijk is om een klacht nog uit te breiden op het moment dat een dossier aan de raad is doorgezonden. Op grond van artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet moeten klachten namelijk bij de deken worden ingediend. Geen mondelinge behandeling 4.9    De omstandigheid dat klager voorafgaand aan de voorzittersbeslissing niet is gehoord op een zitting, vormt evenmin aanleiding om het verzet gegrond te verklaren. De voorzitter heeft toepassing gegeven aan de wettelijke bevoegdheid uit artikel 46j van de Advocatenwet, zodat de klacht is beoordeeld zonder zitting. Dat is toelaatbaar op grond van artikel 6 van het EVRM, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 6 november 2018 (EHRM 6 november 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:1106JUD005539113, Ramos Nunes de Carvalho e Sá/Portugal, § 190). Invloed van de griffier 4.10    Tot slot geldt dat voorzittersbeslissingen genomen worden door een voorzitter van de raad en de voorzitter verantwoordelijk is voor de inhoud van de beslissing. Dat de schriftelijke uitwerking van de beslissing door de griffier wordt voorbereid, doet daar niet aan af. Hetzelfde geldt voor de beslissingen van de raad.   Conclusie 4.11    De voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Van een schending van de door klager gestelde rechtsbeginselen is geen sprake. Er hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld dat de beslissing van de voorzitter juist is. Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 

BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd en D. Rijpma, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 4 mei 2026.