Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

29-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:95

Zaaknummer

26-156/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Niet gebleken dat een overeenkomst van opdracht is ontstaan. Verweerster kan niet worden verplicht een zaak in behandeling te nemen als zij meent dat deze kansloos is. Geen ongeoorloofde druk door strafrechtelijke aangifte en een dagvaarding aan te kondigen. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 april 2026 in de zaak 26-156/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 27 februari 2026 met kenmerk R 2026/014 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 18. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 12 maart 2026 en 19 maart 2026 en van verweerster van 18 maart 2026.

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Op 1 december 2025 heeft klager telefonisch contact gezocht met verweersters advocatenkantoor, omdat hij in bezwaar wilde gaan tegen afgewezen mvv-aanvragen van zijn partner en haar kinderen. Klager heeft een collega van verweerster gesproken. Daarna heeft hij de afwijzende besluiten van de IND opgestuurd aan het advocatenkantoor. 1.2    Op 3 december 2025 heeft verweerster per WhatsApp-bericht aan klager laten weten zijn zaak te hebben bekeken en deze niet aan te nemen, omdat zij daarin geen slagingskans zag. 1.3    Klager heeft vervolgens een negatieve Google-review geplaatst over verweersters advocatenkantoor. Verweerster heeft eerst zelf en vervolgens via een andere advocaat klager verzocht om de review te verwijderen. Daarbij is aangekondigd aangifte te zullen doen en een dagvaarding uit te zullen brengen wegens smaad en laster.  1.4    Op 8 december 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.  a)    Verweerster heeft de overeenkomst van opdracht eenzijdig opgezegd, waarbij zij heeft gelogen dat de IND de relatie niet heeft erkend; b)    Verweerster komt belafspraken niet na; c)    Verweersters kantoor rekent € 1.500,- voor een bezwaarprocedure, bovenop een verleende toevoeging; d)    Verweerster maakt zich schuldig aan machtsmisbruik door te dreigen met het doen van aangifte en het uitbrengen van een dagvaarding om te bewerkstelligen dat klager de Google-review verwijdert, terwijl deze review gebaseerd is op de waarheid.

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen.  Klachtonderdeel a) 4.2    Het is de voorzitter niet gebleken dat er een overeenkomst van opdracht is ontstaan tussen klager en verweerster. Klager heeft, ondanks uitdrukkelijk verzoek van de deken, geen overeenkomst kunnen overleggen. Anders dan klager stelt, is er dan ook naar het oordeel van de voorzitter geen sprake geweest van een eenzijdige opzegging van een overeenkomst door verweerster.  4.3    De voorzitter ziet ook geen reden om aan te nemen dat klager mocht veronderstellen dat verweerster met zijn zaak aan de slag ging. Klager heeft kennelijk een telefoongesprek gehad met een medewerker van verweersters kantoor, maar niet is komen vast te staan dat in dit gesprek toezeggingen gedaan zijn aan klager. Dat klager foto’s van zijn identiteitsbewijs heeft gestuurd naar klaagsters kantoor voor het aanvragen van een toevoeging, kan evenmin worden vastgesteld nu verweerster dat ontkent en klager hier geen bewijzen van heeft ingebracht. Maar mocht dat al het geval zijn geweest, dan betekent ook dat niet dat er een overeenkomst tussen klager en verweerster tot stand is gekomen.  4.4    Verweerster heeft gesteld dat zij de beschikking van de IND had bestudeerd, nadat klager deze bij haar kantoor had ingeleverd. Vervolgens heeft zij klager bericht de zaak niet in behandeling te nemen. De voorzitter heeft geen stukken of correspondentie aangetroffen waaruit blijkt dat het anders is gegaan dan verweerster heeft gesteld. Wel begrijpt de voorzitter uit het door klager ingebrachte WhatsApp-gesprek dat klager erg teleurgesteld was over het bericht van verweerster. Dat is vervelend voor klager. Echter een advocaat kan niet verplicht worden een zaak in behandeling te nemen. Sterker nog, indien een advocaat van mening is dat het starten van een procedure in een zaak kansloos is, wordt van haar als professioneel en onafhankelijk handelend advocaat juist verwacht dat zij dat niet doet. Dat verweerster ten onrechte zou hebben gezegd dat de relatie niet erkend was door de IND, doet daar verder niet aan af. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdelen b) en c) 4.5    Uit het dossier is niet gebleken dat er belafspraken zijn gemaakt. De voorzitter kan dan ook niet vaststellen dat verweerster belafspraken niet is nagekomen. Ook is niet gebleken dat verweerster aan klager facturen heeft gestuurd of voor hem een toevoeging heeft aangevraagd. Klachtonderdelen b) en c) zijn kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel d) 4.6    Aan eenieder komt het recht toe om aangifte te doen van strafbare feiten. Als verweerster meent dat er strafbare feiten zijn gepleegd door klager, mag verweerster aankondigen dat zij daarvan aangifte zal doen. Gelet op het standpunt van verweerster in deze klachtzaak en de inhoud van de Google-review is de voorzitter niet gebleken dat verweerster dit heeft gedaan als ongeoorloofd pressiemiddel zonder functioneel verband tussen het doel en het middel (zie ook RvD Den Haag 5 augustus 2024, ECLI:NL:TADRSGR:2024:137). Het stond verweerster ook vrij om (daarnaast) een dagvaarding aan te kondigen. Dat is op zichzelf niet klachtwaardig. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond. Conclusie 4.7    De voorzitter zal de klacht in het geheel kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.