Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:139

Zaaknummer

250222

Inhoudsindicatie

Het betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft in een geschil tussen klagers en de Stichting T -de opdrachtgever van verweerster- de (historische) adresgegevens van klager sub 1 opgevraagd bij de afdeling burgerzaken van de gemeente. De raad heeft geoordeeld dat genoegzaam is gebleken dat verweerster het verzoek aan de gemeente heeft gedaan met het doel om bewijs te vergaren. Bewijsvergaring mag echter geen reden zijn voor het opvragen van een uittreksel uit de bedoelde registers. Daarnaast heeft verweerster in strijd gehandeld met gedragsregel 25 doordat zij bij brief van 16 februari 2024 rechtstreeks contact heeft opgenomen met klager. De klacht is gegrond verklaard en aan verweerster is de maatregel van berisping opgelegd. Verweerster heeft hiervan beroep ingesteld. 

Inhoudsindicatie

Klachtonderdeel 1  opvragen gegevens Het hof stelt vast dat de zaak waarin verweerster optrad voor Stichting T niet kan worden gekwalificeerd als een eenvoudig koop-verkoopgeschil. Gelet op de vordering van Stichting T onderschrijft het hof het standpunt van verweerster dat in deze zaak sprake is van een maatschappelijk belang. Hierbij speelt een rol dat niet alleen is gevraagd om klager sub 1 te veroordelen om de woning terug te geven op grond van artikel 5 MGE (de koop-verkoop) maar dat ook is gevorderd om een bedrag € 160.000,= aan boete toe te wijzen op grond van artikel 9 van de MGE (de zelfbewoningsplicht). Voor de laatste vordering had Stichting T het uittreksel BRP nodig. Nu de cliënte van verweerster naar het oordeel van het hof inderdaad de bevoegdheid had om het uittreksel BRP op te vragen bij de gemeente, gold deze bevoegdheid ook voor verweerster als de advocaat van de Stichting T. Anders dan de raad is het hof dan ook van oordeel dat verweerster met het opvragen van het uittreksel niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Inhoudsindicatie

Klachtonderdeel 2 rechtstreeks aanschrijven Het hof onderschrijft het oordeel van de raad dat verweerster had kunnen volstaan met verzending van een (aangetekende) brief aan klager sub 2, nu zij wist dat die optrad als gemachtigde van klager sub 1. Verweerster heeft hiermee gedragsregel 25 geschonden.  Omdat klachtonderdeel 1 ongegrond is, matigt het hof de door de raad opgelegde maatregel tot een waarschuwing.   

Uitspraak

Beslissing van 4 mei 2026 in de zaak 250222

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerster

tegen:

1.  2.

klagers 

 

1    INLEIDING

1.1    Het betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft in een geschil tussen klagers en de Stichting T -de opdrachtgever van verweerster- de (historische) adresgegevens van klager sub 1 opgevraagd bij de afdeling burgerzaken van de gemeente. De Raad van Discipline in het ressort Den Bosch (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat uit de in verweersters brief aan de gemeente vervatte onderbouwing van het verzoek om de uittreksels te verstrekken, in samenhang bezien met de inhoud van de door verweerster ingediende processtukken, genoegzaam is gebleken dat verweerster het verzoek aan de gemeente heeft gedaan met het doel om bewijs te vergaren. Bewijsvergaring mag echter geen reden zijn voor het opvragen van een uittreksel uit de bedoelde registers. Daarnaast heeft verweerster in strijd gehandeld met gedragsregel 25 doordat zij bij brief van 16 februari 2024 rechtstreeks contact heeft opgenomen met klager. De klacht is gegrond verklaard en aan verweerster is de maatregel van berisping opgelegd. Verweerster heeft hiervan beroep ingesteld. 

1.2    Het Hof van Discipline (hierna: het hof) zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klagers en verweerster (zaaknummer: 24-933/DB/OB) een beslissing gewezen op 26 mei 2025. In deze beslissing is klager sub 2 niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 1. Klager sub 1 is ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 1 en  klachtonderdeel 1 is gegrond verklaard. Klagers zijn ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 2 en dit klachtonderdeel is gegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van berisping opgelegd. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:89 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerster tegen de beslissing is op 25 juni 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van klagers.     2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 9 maart 2026. Daar zijn verweerster, bijgestaan door mr.  W, advocaat te Eindhoven, en klagers verschenen. 

3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Klager sub 1 wordt in een geschil met Stichting T bijgestaan door klager sub 2, advocaat. Verweerster treedt op als advocaat van Stichting T.

3.3    In 2009 heeft klager sub 1 van Stichting T een woning in de gemeente H gekocht waarbij de MGE bepalingen (Maatschappelijk Gebonden Eigendom) van toepassing zijn verklaard. Een van die bepalingen ziet op de verplichting tot zelfbewoning. Stichting T heeft klager sub 1 gesommeerd tot nakoming van die verplichting.

3.4    Bij brief van 17 augustus 2023 heeft verweerster aan de gemeente H verzocht om haar uittreksels te verstrekken. In deze brief heeft verweerster onder meer het volgende aan de gemeente H bericht:

“In bovengenoemd dossier verzoek ik u namens cliënte, te weten [T], vriendelijk om de     navolgende uittreksels toe te sturen:      Een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP) toe te sturen van de persoon/personen     die ingeschreven staat/staan op het adres [X]; Een adreshistorie van de heer [klager sub 1], die (vermoedelijk) woonachtig is (geweest) in uw     gemeente. Ter toelichting op dit verzoek merk ik namens cliënte het volgende op.

Tussen cliënte en [klager sub 1] is in 2009 een koopovereenkomst gesloten voor de verkoop     van de woonruimte gelegen te [X], hierna te noemen: ‘de woonruimte’. Op grond van de     koopovereenkomst is [klager sub 1] verplicht om zijn hoofdverblijf in de woonruimte te hebben.

Uit onderzoek in de openbare registers is gebleken dat [klager sub 1] in 2014 respectievelijk     2017 woningen aan de [adres1] en [adres2] heeft gekocht te [gemeente B] en zich op het adres     van voornoemde woningen ook heeft ingeschreven in de BRP. [Klager sub 1] komt zijn     contractuele verplichting om hoofdverblijf te hebben in de woonruimte niet na. Cliënte vermoedt     dat de woonruimte is gegeven aan derden.

Cliënte is thans voornemens een gerechtelijke procedure jegens [klager sub 1] te starten tot     terugverkoop van de woonruimte en het opeisen van een boete alsmede het voorkomen dat     [klager sub 1] de woonruimte niet voor zichzelf gebruikt. Ten behoeve van deze te starten     procedure ontvang ik namens cliënte graag zo spoedig mogelijk voormeld uittreksel. (…)”

3.5    Verweerster heeft namens Stichting T conservatoir beslag doen leggen op twee woningen van klager sub 1 en heeft hem vervolgens op 13 november 2023 doen dagvaarden. Klager sub 1 werd in de daarop volgende procedure bijgestaan door klager sub 2. De bij brief van 17 augustus 2023 opgevraagde uittreksels heeft verweerster als productie aan de dagvaarding gehecht. Op 6 maart 2024 heeft verweerster een conclusie van antwoord in reconventie, tevens wijziging van eis ingediend. In deze conclusie heeft verweerster onder verwijzing naar de uittreksels gesteld dat klager sub 1 in de periode van 11 augustus 2015 tot en met mei 2023 niet op het adres van de woning stond ingeschreven in de BRP.

3.6    Bij brief van 16 februari 2024 heeft verweerster klager sub 1 nogmaals gesommeerd om tot zelfbewoning over te gaan. In de brief heeft verweerster onder meer aan klager sub 1 medegedeeld:

     “(…) Deze brief dient u op te vatten als een sommatie als bedoeld in artikel 9 van de MGE-    bepalingen. Indien u niet (tijdig) voldoet aan bovenstaande sommatie, staat volgens cliënte vast     dat u ernstig bent tekortgeschoten in de nakoming van uw verplichtingen die voortvloeien uit de     MGE-bepalingen en verkeert u alsdan in verzuim. Cliënte maakt alsdan onverkort aanspraak     op de boete uit artikel 9 van de MGE-bepalingen. (…)

    Aangezien deze brief is gericht op rechtsgevolgen, stuur ik deze brief rechtstreeks (…)”

Verweerster heeft een afschrift van de brief aan klager sub 2 gestuurd.

3.7    Op 13 december 2024 hebben klagers tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.

 

4    KLACHT

De klacht houdt in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat: 

1)    Verweerster ten onrechte de (historische) adresgegevens van klager sub 1 heeft opgevraagd bij de afdeling burgerzaken van de gemeente;

2)    Verweerster in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 25 doordat zij bij brief van 16 februari 2024 rechtstreeks contact heeft opgenomen met klager sub 1.

 

5    BEOORDELING RAAD

Klachtonderdeel 1)  opvragen uittreksels

5.1    Met betrekking tot het verwijt van klagers dat verweerster dat ten onrechte de (historische) adresgegevens van klager sub 1 heeft opgevraagd bij de afdeling burgerzaken van de gemeente, heeft de raad overwogen dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is de raad niet gebleken van enig rechtstreeks belang van klager sub 2 bij het eerste onderdeel van de klacht. De raad heeft klager sub 2 dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Klager sub 1 kan wel in dit klachtonderdeel worden ontvangen.

5.2    Verweerster heeft gesteld dat client – woningbouwvereniging Stichting T - op grond van artikel 3.9 lid 2 Wet basisregistratie personen gerechtigd was om de historische adresgegevens van klager sub 1 op te vragen, omdat Stichting T werkzaamheden verricht met een gewichtig maatschappelijk belang als bedoeld in artikel 3.9 lid 2 Wet basisregistratie personen. Verweerster is van mening dat zij als advocaat van Stichting T een van Stichting T afgeleid recht had om die gegevens op te vragen. De raad overweegt in dit kader dat artikel 3.19 lid 2 Wet basisregistratie personen bepaalt: “Bij gemeentelijke verordening kunnen door derden verrichte werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang voor de gemeente worden aangewezen, ten behoeve waarvan gegevens uit de basisregistratie kunnen worden verstrekt.” Verweerster heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de APV van de gemeente H “hierover niets bepaalt”. De raad heeft op basis van de overgelegde stukken en wat ter zitting naar voren is gebracht niet kunnen vaststellen of op basis van de APV van de gemeente H het bestrijden van woonfraude kan worden gekwalificeerd als werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang als bedoeld in artikel 3.9 lid 2 Wet basisregistratie personen. De raad heeft het verweer van verweerster dan ook gepasseerd.

5.3    In reactie op het verweer dat de gegevens niet zijn opgevraagd met het doel om bewijs te vergaren, maar ten behoeve van de betekening van beslagstukken en de dagvaarding, heeft de raad overwogen dat verweerster in de brief aan de gemeente van 17 augustus 2023 het verzoek om de historische adresgegevens van klager sub 1 te verstrekken heeft onderbouwd met de volgende toelichting: “[klager sub 1] komt zijn contractuele verplichting om hoofdverblijf te hebben in de woonruimte niet na”. Verweerster heeft in de brief aan de gemeente uiteengezet dat Stichting T voornemens was om “een gerechtelijke procedure jegens [klager sub 1] te starten tot terugverkoop van de woonruimte en het opeisen van een boete alsmede het voorkomen dat [klager sub 1] de woonruimte niet voor zichzelf gebruikt” en dat zij de historische adresgegevens nodig had ten behoeve van de voorgenomen procedure. Als niet weersproken staat voorts vast dat verweerster in de gerechtelijke procedure ter onderbouwing van de stellingen van Stichting T een uitdrukkelijk beroep heeft gedaan op de uittreksels en deze als productie in het geding heeft gebracht.

5.4    De raad heeft geoordeeld dat uit de in verweersters brief aan de gemeente vervatte onderbouwing van het verzoek om de uittreksels te verstrekken, in samenhang bezien met de inhoud van de door verweerster ingediende processtukken, genoegzaam is gebleken dat verweerster het verzoek aan de gemeente heeft gedaan met het doel om bewijs te vergaren. Bewijsvergaring mag echter geen reden zijn voor het opvragen van een uittreksel uit de registers (HvD 23 maart 2015, ECLI:NL:TAHVD:2015:96), zodat verweerster dit verzoek achterwege had moeten laten. Door dit verzoek wel te doen, heeft verweerster het vertrouwen in de advocatuur als bedoeld in gedragsregel 1 geschaad. Het feit dat de gemeente het gevraagde uittreksel heeft verstrekt, doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van verweerster en legt voor de beoordeling van dit klachtonderdeel geen gewicht in de schaal. Klachtonderdeel 1 is daarom gegrond verklaard.

Klachtonderdeel 2)  rechtstreeks aanschrijven

5.5   Verweerster heeft naar voren gebracht dat haar geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, omdat - samengevat - (1) zij er zeker van wilde zijn dat de in de brief vervatte ingebrekestelling klager tijdig zou bereiken en (2) sprake is van een in gedragsregel 25 lid 2 bedoelde aanzegging met rechtsgevolg dat enkel kon worden bereikt door een rechtstreeks aan klager sub 1 gerichte schriftelijke mededeling. Artikel 9 van de MGE-bepalingen bepaalt namelijk dat de eigenaar (van de woning) die, na bij aangetekende brief in gebreke te zijn gesteld en vervolgens gedurende acht dagen nalatig is gebleven, een terstond opeisbare boete verschuldigd is.  De raad is van oordeel dat dit verweer moet worden gepasseerd. Verweerster kon volstaan met verzending van een (aangetekende) brief aan klager sub 2, die optrad als gemachtigde van klager sub 1. Naar het oordeel van de raad valt, bij gebreke van een nadere onderbouwing, die niet is gegeven, namelijk niet in te zien dat op grond van de inhoud en strekking van artikel 9 van de MGE-bepalingen het beoogde rechtsgevolg niet zou kunnen worden bereikt door de brief alleen aan klager sub 2 te zenden. Bovendien heeft verweerster zich in de brief aan klager sub 1 niet beperkt tot een aanzegging met rechtsgevolg; de brief bevat een uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van Stichting T. De inhoud van een brief die de ene advocaat aan de cliënt van de andere advocaat zendt binnen de ruimte die de uitzondering biedt, dient echter beperkt te blijven tot de toegestane aanzegging met rechtsgevolg en wat daarvoor direct noodzakelijk is. Uitbreiding van de inhoud van zo’n brief komt neer op omzeiling van het in deze regel neergelegde verbod.

5.6   Aan de in gedragsregel 25 lid 2 genoemde voorwaarden is kortom niet voldaan, zodat het verweerster niet vrijstond om klager sub 1 rechtstreeks aan te schrijven. Door dit wel te doen heeft verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel 2 is derhalve eveneens gegrond.

 

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerster

Klachtonderdeel 1 opvragen uittreksels

6.1    Verweerster stelt dat het uittreksel uit de BRP door haar mocht worden opgevraagd en verkregen. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat haar cliënte op grond van artikel 3.9 van de Wet Basisregistratie personen het recht heeft om het uittreksel te verkrijgen, zodat zij als advocaat van deze cliënte ook gerechtigd was om dat uittreksel op te vragen. Verweerster stelt dat zij het uittreksel heeft opgevraagd op verzoek van haar cliënte.

6.2    Volgens verweerster heeft de raad ten onrechte het betoog van verweerster verworpen, inhoudende dat verweerster namens cliënte gerechtigd was om het uittreksel inclusief de historische adresgegevens van klager 1 op te vragen, omdat cliënte als toegelaten instelling werkzaamheden verricht met een gewichtig maatschappelijk belang en cliënte behoort tot een aangewezen categorie derden die voor verstrekking in aanmerking komen als bedoeld in artikel 3.9 lid 2 Wet basisregistratie personen. Verweerster heeft aangevoerd dat de weergave van haar verklaring tijdens de zitting bij de raad – dat de APV van de gemeente H ‘hierover niets bepaalt' – onjuist dan wel onvolledig is. Haar verklaring hield in dat de Verordening het college van burgemeester en wethouders van de gemeente H aanwijst als bevoegd orgaan voor het aanwijzen van werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang en de categorieën derden, doch dat een openbare publicatie van deze aanwijzingen ontbreekt. Het ontbreken van een openbare publicatie impliceert niet dat cliënte (de woningcorporatie) niet behoort of niet kan behoren tot de aangewezen categorieën derden, noch dat zij geen gewichtig maatschappelijk belang heeft. Dat cliënte behoort tot de aangewezen categorieën derden en een gewichtig maatschappelijk belang heeft, wordt bevestigd door het feit dat een ambtenaar van de gemeente H het uittreksel uit de basisregistratie personen feitelijk heeft verstrekt ter ondersteuning van de werkzaamheden van cliënte. Indien cliënte niet aan de vereisten zou voldoen, had de gemeente de verstrekking geweigerd. Het staat daarom volgens verweerster niet ter discussie dat het uittreksel is verstrekt en ook mocht worden verstrekt. Verweerster heeft in dit verband gewezen op andere gemeentelijke verordeningen. Diverse gemeenten, waaronder Eindhoven en Breda, hebben de aangewezen categorieën derden en de bijbehorende gewichtige maatschappelijke belangen expliciet gepubliceerd. Gelet op dit landelijk erkende belang vindt verweerster dat zij er vanuit mocht uitgaan dat de gemeente H eenzelfde werkwijze hanteert. Het tekort aan (sociale) woningen en woonfraude betreft immers een nationaal probleem dat zich niet beperkt tot het grondgebied van één specifieke gemeente.

6.3  Volgens verweerster heeft de raad ten onrechte geoordeeld dat uit de brief van 17 augustus 2023 en de processtukken zou blijken dat het uittreksel uitsluitend is opgevraagd met als doel bewijsvergaring. Dit volgt volgens verweerster noch uit de bewoordingen van de brief, noch uit de ingediende processtukken. Verweerster stelt dat de behandelend rechter tijdens de mondelinge behandeling van de inhoudelijke zaak heeft opgemerkt dat cliënte als woningcorporatie woonfraude preventief kan bestrijden door middel van het periodiek opvragen van uittreksels uit de basisregistratie. Ook hieruit blijkt dat cliënte een gerechtvaardigd belang heeft bij het opvragen van dergelijke uittreksels – een belang dat de advocaat dient te behartigen.  Klachtonderdeel 2 rechtstreeks aanschrijven

6.4   Met betrekking tot dit klachtonderdeel heeft verweerster ter zitting bij het hof aangegeven dat zij nu inziet dat zij dit anders had moeten aanpakken. Zij ziet in dat haar handelswijze ertoe kan hebben geleid dat klagers zich in hun belangen voelen geschaad. Dat betreurt verweerster. 

Verweer klagers

Klachtonderdeel 1 

6.5   Klagers betwisten dat er een noodzaak was voor verweerster het BRP uittreksel op te vragen.  Nu opnieuw niet gesteld of gebleken is dat het bestrijden van woonfraude kan worden gekwalificeerd als werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang als bedoeld in artikel 3.9 lid 2 Wet basisregistratie personen, dient het beroep van verweerster op dit artikel opnieuw te worden gepasseerd. 

6.6   Klagers merken op dat er in onderhavige kwestie helemaal geen sprake was van woonfraude of een onrechtmatige woonsituatie of het voorkomen daarvan, laat staan dat daarmee een belang van Stichting T zou zijn gediend. Klager sub 1 had een woning gekocht van Stichting T Projectontwikkeling B.V. en wilde die woning in het kader van de MGE regeling weer aan haar terug verkopen. Stichting T stelde zich op het standpunt dat er sprake was van een (toerekenbare) tekortkoming wegens het schenden van het hebben van het hoofdverblijf in de woning, waarbij zij aanspraak maakte op een (beweerdelijk verbeurde) forse boete. Dat is wat anders. Klagers blijft bij het standpunt dat er sprake was van het opvragen van historische adresgegevens van cliënt met als doel bewijs te vergaren. Dat is in geen geval een werkzaamheid met een gewichtig maatschappelijk belang. 

Klachtonderdeel 2 

6.7  Klagers zijn van mening, dat het verweer van verweerster ten aanzien van dit klachtonderdeel op juiste gronden door de raad is verworpen.

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waarvoor de advocaat bij de behandeling van de zaak kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

7.3    Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Overwegingen hof

Klachtonderdeel 1 opvragen gegevens

7.4   Het hof stelt vast dat de zaak waarin verweerster optrad voor Stichting T niet kan worden gekwalificeerd als een eenvoudig koop-verkoopgeschil. Het hof wijst in dit verband op overweging 4.16 van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 december 2024, dat verweerster bij de raad in het geding heeft gebracht, en waarin is vastgesteld dat klager sub 1 in het verleden de woning geruime tijd niet zelf bewoond heeft. Bij brief van 25 mei 2023 heeft Stichting T klager sub 1 in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen acht dagen na 25 mei 2023 te voldoen aan de zelfbewoningsplicht. De gestelde termijn verstreek derhalve met ingang van 2 juni 2023. Stichting T stelt dat klager sub 1 heeft nagelaten om aan de zelfbewoningsplicht te voldoen, zodat de boete verschuldigd is geworden is. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft Stichting T onderzoeksrapporten overgelegd. Klager sub 1 heeft betwist dat hij de zelfbewoningsplicht na 2 juni 2023 heeft geschonden. Hij heeft gesteld dat hij vanaf 30 mei 2023 weer in de woning is gaan wonen. 

7.5    Gelet op de vordering van Stichting T (zie blz. 5 van voormeld vonnis) onderschrijft het hof het standpunt van verweerster dat in deze zaak sprake is van een maatschappelijk belang. Hierbij speelt een rol dat niet alleen is gevraagd om klager sub 1 te veroordelen om de woning terug te geven op grond van artikel 5 MGE (de koop-verkoop) maar dat ook is gevorderd om een bedrag € 160.000,= aan boete toe te wijzen op grond van artikel 9 van de MGE (de zelfbewoningsplicht). Voor de laatste vordering had Stichting T het uittreksel BRP nodig. Nu de cliënte van verweerster naar het oordeel van het hof inderdaad de bevoegdheid had om het uittreksel BRP op te vragen bij de gemeente, gold deze bevoegdheid ook voor verweerster als de advocaat van de Stichting T. Anders dan de raad is het hof dan ook van oordeel dat verweerster met het opvragen van het uittreksel niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel 2 rechtstreeks aanschrijven

7.6  In gedragsregel 25 lid 1 is bepaald dat een advocaat zich met een partij betreffende een aangelegenheid waarin deze naar hij weet door een advocaat wordt bijgestaan, niet anders in verbinding stelt dan door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze laatste hem toestemming heeft gegeven rechtstreeks met die partij in verbinding te treden. In het tweede lid van gedragsregel 25 is bepaald dat een aanzegging met rechtsgevolg wel rechtstreeks aan een partij mag worden gedaan, op de voorwaarde dat die aanzegging gelijktijdig aan de advocaat van die partij wordt gestuurd.

7.7   Het hof onderschrijft het oordeel van de raad dat verweerster had kunnen volstaan met verzending van een (aangetekende) brief aan klager sub 2, nu zij wist dat die optrad als gemachtigde van klager sub 1. Terecht heeft de raad overwogen dat niet valt in te zien dat op grond van de inhoud en strekking van artikel 9 van de MGE-bepalingen het beoogde rechtsgevolg niet zou kunnen worden bereikt door de brief alleen aan klager sub 2 te zenden. Verweerster heeft zich in de brief aan klager sub 1 ook niet beperkt tot een aanzegging met rechtsgevolg. Zij heeft hiermee gedragsregel 25 geschonden. Dat verweerster klager sub 1 heeft aangeschreven met als doel om hem te benadelen, zoals klagers stellen, is voor het hof overigens niet komen vast te staan. 

Slotsom

7.8    Het beroep van verweerster slaagt, voor zover het de beslissing van de raad ten aanzien van de klachtonderdeel 1 betreft. Het hof zal dat klachtonderdeel alsnog ongegrond verklaren. Voor het overige blijft de beslissing van de raad in stand.

 

8    MAATREGEL

Het hof zal de door de raad opgelegde maatregel (berisping) matigen. Redengevend daarvoor is ten eerste dat klachtonderdeel 1 alsnog ongegrond is verklaard. Ten tweede heeft verweerster in beroep erkend dat zij de brief van 16 februari 2024 niet rechtstreeks aan klager sub 1 had moeten sturen en te kennen gegeven dat zij het betreurt dat zij dit wel heeft gedaan. Naar het oordeel van het hof volstaat in dit geval een waarschuwing.

 

9    PROCESKOSTEN

9.1     Omdat het hof de beslissing van de raad gedeeltelijk bekrachtigt en een maatregel oplegt, zal het hof verweerster op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                    a) € 50,- kosten van klagers (forfaitair); 

b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

c) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.2     Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klagers binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager sub  2. Klager sub 2 geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

9.3     Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

10    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1      vernietigt de beslissing van 25 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-933/DB/OB, voor zover het oordeel de gegrondverklaring van klachtonderdeel 1 en de opgelegde maatregel betreft;

en doet opnieuw recht:

10.2     verklaart klachtonderdeel 1 ongegrond;

10.3     legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;

10.4     bekrachtigt de beslissing van 25 mei 2025 voor het overige;

10.5     veroordeelt verweerster tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klagers, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

10.6     veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort – de Bruin, voorzitter, mrs. A.R. Sturhoofd en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 4 mei 2026.