Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

29-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:93

Zaaknummer

26-145/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over privékwestie van de advocaat. Klacht deels kennelijkniet-ontvankelijk: klaagster heeft geen rechtstreeks belang bij de klacht over misbruik van toevoeging, nog los van het feit dat niet kan worden vastgesteld dat verweerster een toevoeging heeft aangevraagd. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond, omdat niet is gebleken dat verweerster zich in de kwestie in de privésfeer heeft gedragen op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 april 2026 in de zaak 26-145/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 25 februari 2026 met kenmerk K283 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klaagster heeft een geschil (gehad) met de school van haar dochter. Klaagster is door de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) verwezen naar verweerder. Op 8 augustus 2025 heeft klaagster verweerder benaderd. 1.2    Op 13 augustus 2025 heeft verweerder gereageerd. Na een telefoongesprek die dag heeft klaagster per e-mail aan verweerder laten weten dat zij de dag ervoor een beroep en een verzoek om voorlopige voorzieningen had ingediend bij de Raad van State.  1.3    Op 14 augustus 2025 heeft verweerder per e-mail aan klaagster bevestigd dat er die dag een digitale intake zal plaatsvinden en heeft hij haar verzocht om gegevens. 1.4    Op 15 augustus 2025 heeft klaagster bezwaar ingediend tegen het besluit van de school om de dochter te bevorderden naar 3 havo en niet naar 3 vwo.  1.5    Op 9 september 2025 heeft verweerder, na akkoord van klaagster, een brief aan het schoolbestuur gestuurd. Deze brief maakt geen onderdeel uit van het klachtdossier.  1.6    Bij brief van 10 september 2025 heeft de rector van de school klaagsters bezwaar gemotiveerd ongegrond verklaard. In de brief is vermeld dat de dochter niet voldoet aan de overgangsnomen voor 3 vwo en dat zij ook niet in de bespreekzone zit. Verder is aangegeven dat er geen reden wordt gezien voor herbeoordeling van de toetsen van de dochter en dat de gemaakte toetsen aan het eind van het schooljaar vernietigd worden. In de brief is aangegeven dat tegen het besluit beroep kan worden ingesteld bij de regionale beroepscommissie Ons Middelbaar Onderwijs (OMO). 1.7    Op 12 september 2025 heeft verweerder per e-mail aan klaagster laten weten dat zij, zoals telefonisch besproken, zelf beroep zal moeten instellen bij de regionale beroepscommissie en dat dit dient te gebeuren binnen een schoolweek na ontvangst van de beslissing op bezwaar. Verweerder heeft ook geschreven dat hij navraag zal doen bij de Raad voor Rechtsbijstand om te onderzoeken of hij een toevoeging kan krijgen voor de bijstand bij de al door klaagster gestarte voorlopige voorziening.  1.8    Klaagster heeft bezwaar ingediend bij de regionale beroepscommissie.  1.9    Op 13 oktober 2025 heeft verweerder aan klaagster onder meer geschreven: “Uit de beslissing van de Regionale Beroepscommissie maak ik op dat zij – samengevat – tot het oordeel komt dat, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, de school in redelijkheid heeft kunnen besluiten uw dochter niet toe te laten tot vwo 3, maar tot havo 3. Uw beroep is derhalve ongegrond verklaard.  Opvallend is dat in de beoordeling – evenals eerder in de bezwaarfase – wordt vermeld dat de betreffende toetsen inmiddels zijn vernietigd. Dit acht ik, mede gelet op het feit dat hierover een lopende procedure bestaat, merkwaardig. (…) De kern van het geschil – het inzien en herbeoordeling van de toetsen – is immers niet langer realiseerbaar nu de door uw dochter gemaakte toetsen niet meer beschikbaar zijn. (…) Nu uw bezwaar en beroep ongegrond zijn verklaard en dus (vooralsnog) niet is vastgesteld dat de school onrechtmatig heeft gehandeld zie ik op dit moment geen grond om het schoolbestuur aansprakelijk te stellen.” 1.10    Klaagster heeft een klacht over verweerder ingediend bij het kantoor waar hij werkzaam is. Bij brief van 16 oktober 2025 heeft de klachtenfunctionaris de klacht ongegrond verklaard en daarbij onder meer geschreven: “Uit de opdrachtbevestiging blijkt dat u [verweerder] heeft verzocht om u bij te staan in een geschil met de onderwijsinstelling van uw minderjarige dochter. Concreet heeft u hem gevraagd de school aan te schrijven met het verzoek om inzage te krijgen in de door uw dochter gemaakte toetsen, zodat u deze kon controleren aan de hand van het bijbehorende antwoordmodel. (…) Bij e-mail van 12 september jl. heeft [verweerder] u bericht dat het instellen van beroep een nieuwe juridische stap betreft waarvoor een nieuwe toevoeging noodzakelijk is. Hoewel hij bereid was deze stap voor u te zetten heeft u er, blijkens zijn bevestiging van diezelfde datum, voor gekozen het beroep zelfstandig in te stellen. (…) Voor het instellen van een gerechtelijke (bodem)procedure, zoals een voorlopige voorziening of een procedure bij de rechtbank, is daarom een nieuwe toevoeging vereist. Dit heeft [verweerder] eveneens aan u kenbaar gemaakt toen u zelfstandig een voorlopige voorziening bij de rechtbank heeft aangevraagd en hem verzocht om u daarbij bij te staan.” 1.11    Op 20 oktober 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.  a)    Verweerder heeft ten onrechte aangegeven dat de toevoeging als uitgeput moest worden beschouwd na afronding van de bezwaarprocedure bij school.  Klaagster verwijst naar de Beleidsregels Toevoegingen 2024 (artikel 5) en stelt dat een toevoeging pas als uitgeput kan worden beschouwd wanneer de rechtsbijstand binnen hetzelfde rechtsbelang volledig is afgerond. Een eventuele gerechtelijke procedure vormt een voortzetting van hetzelfde geschil en kan niet worden beschouwd als een nieuwe zaak. Klaagster heeft zelf een bezwaarschrift moeten indienen bij de regionale beroepscommissie, omdat verweerder weigerde verdere bijstand te verlenen op grond van de vermeende uitputting van de toevoeging.  b)    Verweerder heeft klaagsters belangen niet adequaat behartigd.  Klaagster stelt dat verweerder heeft aangegeven het merkwaardig te vinden dat de school de bewijsstukken (waaronder de toetsen van de dochter) heeft vernietigd. Desondanks heeft hij geweigerd om bezwaar te maken tegen deze handeling bij de rechtbank, aangezien de regionale beroepscommissie heeft verklaard dat de beoordeling van de toetsen buiten haar beoordelingsbevoegdheid valt.  Klaagster stelt verder dat verweerder op de hoogte was van de urgentie van de zaak, maar desondanks pas vier weken na het accepteren van de zaak slechts een brief aan de school heeft opgesteld. Dit was de enige actie die hij heeft ondernomen, waarna hij aangaf dat de toevoeging reeds volledig was benut. Ondanks dat verweerder op de hoogte was van klaagsters verzoek tot het indienen van een voorlopige voorziening, heeft verweerder ervoor gekozen dit niet op te pakken. Klaagster heeft hem expliciet verzocht om bijstand bij het indienen van een verzoek om voorlopige voorzieningen, maar hij heeft hierin geen verdere actie ondernomen. Ook heeft klaagster ervaren dat haar verzoeken om voortzetting van de juridische bijstand niet op een zorgvuldige of cliëntgerichte wijze zijn behandeld. Zij voelde zich onvoldoende gehoord en onvoldoende ondersteund in het proces. 

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij stelt dat klaagster hem heeft gevraagd de school aan te schrijven met het verzoek om inzage te krijgen in de door haar dochter gemaakte toetsen, zodat zij deze kon controleren aan de hand van het bijbehorende antwoordmodel. Dit naar aanleiding van een eerdere afwijzing. Nadien heeft verweerder op 9 september 2025, na akkoord van klaagster, de betreffende brief met het karakter van een bezwaarschrift aan het schoolbestuur gestuurd. Op 10 september 2025 heeft het schoolbestuur gereageerd met de beslissing op bezwaar. Op 12 september 2025 heeft verweerder klaagster bericht dat het instellen van beroep een nieuwe juridische stap betreft waarvoor een nieuwe toevoeging noodzakelijk is. Hoewel verweerder bereid was klaagster bij te staan, heeft zij er voor gekozen het beroep zelfstandig en zonder afstemming in te stellen.  3.2    Verweerder stelt dat hij overeenkomstig het beleid van de RvR heeft gehandeld. Hij heeft terecht aan klaagster meegedeeld dat een toevoeging wordt afgesloten zodra een juridische procedure is afgerond, in dit geval door een beslissing op bezwaar. Voor het instellen van een procedure, zoals een beroep of voorlopige voorziening, is daarom een nieuwe toevoeging vereist. Nu klaagster hiervoor geen toestemming heeft gegeven, kan zij verweerder niet verwijten dat hij geen nieuwe procedure wilde starten.  3.3    Verweerder heeft verder toegelicht dat hij een gerechtelijke procedure niet meer opportuun achtte omdat het initiële doel van de rechtsbijstand – het verkrijgen van inzage en eventueel laten herbeoordelen van de toetsen – feitelijk niet meer realiseerbaar was, omdat de toetsen niet langer beschikbaar waren. Dit nog los van de kans van slagen.  3.4    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  Klachtonderdeel a) 4.2    Dit verwijt ziet er in de kern op dat verweerder klaagster heeft bericht dat voor een volgende juridische stap, na afronding van de bezwaarprocedure bij school, een nieuwe toevoeging nodig was.  4.3    Artikel 32 van de Wet op de rechtsbijstand bepaalt: De toevoeging geldt uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen. 4.4    Uit dit artikel volgt dat een toevoeging wordt verleend voor de behandeling in één instantie. In de zaak van klaagster is kennelijk een toevoeging verleend voor de bezwaarprocedure. Met de beslissing van 10 september 2025 is beslist op het bezwaar en is een einde gekomen aan die procedure. Dat verweerder maar één brief heeft geschreven, maar dit niet anders. Het instellen van beroep is een nieuwe instantie en verweerder heeft terecht aangegeven dat daarvoor een nieuwe toevoeging moet worden aangevraagd. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. Klaagster is blijkbaar niet akkoord gegaan met de aanvraag van een nieuwe toevoeging (en betaling van de bijbehorende eigen bijdrage) en heeft ervoor gekozen zelf beroep in te stellen. Dat kan, maar daarvan kan verweerder onder deze omstandigheden geen verwijt worden gemaakt. Dit klachtonderdeel is dan ook kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel b) 4.5    Dit verwijt ziet op de bijstand van verweerder. Klaagster verwijt verweerder allereerst dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat de school bewijsstukken heeft vernietigd. Nog los van het feit dat klaagster kennelijk niet akkoord was met een nieuwe toevoeging, geldt dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat door de vernietiging het initiële doel van de rechtsbijstand niet meer kon worden bereikt. Klaagster wilde inzage en eventuele herbeoordeling van de toetsen. Dat was na de vernietiging niet langer mogelijk. Een bezwaarprocedure zou daarin geen verandering hebben gebracht. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is op dit punt niet gebleken.  4.6    Klaagster verwijt verweerder ook dat hij op de hoogte was van de urgentie van de zaak, maar pas na vier weken slechts een brief heeft opgesteld. De voorzitter kan niet vaststellen wat er tussen half augustus 2025 en 9 september 2025 (de datum van verweerders brief) is gebeurd, omdat daarover geen stukken zijn overgelegd. Zo beschikt de voorzitter niet over de opdrachtbevestiging, waardoor niet kan worden vastgesteld op welk moment de opdracht daadwerkelijk is gestart. Ook blijkt niet uit het klachtdossier wanneer de toevoeging is verleend. Dat verweerder onvoldoende voortvarend is geweest, zoals klaagster feitelijk stelt, kan gelet op dit alles niet worden vastgesteld.  4.7    Klaagster heeft er verder zelf voor gekozen om een verzoek voorlopige voorzieningen in te dienen en heeft verweerder daarover pas na de indiening van het verzoek geïnformeerd. Verweerder was niet verplicht om haar daarin bij te staan. Dat zij hem om bijstand bij dat verzoek voorlopige voorzieningen heeft verzocht, blijkt bovendien niet uit het klachtdossier. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is op dit punt niet gebleken. 4.8    Klaagster verwijt verweerder verder dat hij haar verzoeken om voortzetting niet op een zorgvuldige of cliëntgerichte wijze heeft behandeld. Daarvan is de voorzitter niet gebleken. Het is duidelijk dat klaagster niet blij was met het feit dat verweerder haar liet weten dat er een toevoeging nodig was voor een volgende procedure, maar dat maakt niet dat sprake is van onzorgvuldig of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dit klachtonderdeel is dan ook kennelijk ongegrond. 

BESLISSING De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.