Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

06-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:103

Zaaknummer

26-190/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Ontvankelijkheidsverweren slagen niet. Klacht over het (willen) vorderen van een daadwerkelijke proceskostenveroordeling kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 6 mei 2026in de zaak 26-190/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 9 maart 2026 met kenmerk K249 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager heeft (een collega van verweerder bij) het advocatenkantoor van verweerder aansprakelijk gesteld. Verweerder heeft de aansprakelijkheidstelling als klachtenfunctionaris van het kantoor doorgezonden naar de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Op 14 november 2024 heeft verweerder medegedeeld geen aansprakelijkheid te erkennen, onder verwijzing naar de door het hof van discipline ongegrond verklaarde tuchtklachten tegen zijn collega. Dit heeft verweerder op 12 december 2024 herhaald. Daarbij heeft hij opgemerkt dat, mocht klager een procedure tegen het kantoor starten, verweerder zal vragen om een daadwerkelijke proceskostenvergoeding omdat volgens hem sprake is van een kansloze procedure. 1.2    Op 28 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. Op 21 oktober 2025 heeft verweerder gereageerd op de klacht. Klager heeft daarop een aanvullende klacht ingediend.

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.  a)    Verweerder heeft klager bedreigd en geïntimideerd met zijn mededeling dat hij om een volledige proceskosten zou vragen. Ook heeft verweerder de klachtafhandeling niet onafhankelijk en serieus behandeld, maar was hij gericht op afwijzing en ontmoediging daarvan zonder inhoudelijke behandeling of bemiddelingspoging; b)    Verweerder heeft klagers recht om een tuchtklacht in te dienen proberen te ontmoedigen en delegitimeren door te wijze op eerder ingediende klachten. 2.2    Verweerder heeft volgens klager met het voorgaande in strijd gehandeld met gedragsregel 1, 6 en 29 en artikel 46 en 50 van de Advocatenwet.

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    De klacht ziet op het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris van het kantoor. Daarvoor geldt het volgende toetsingskader: Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende verband is tussen het beroep van advocaat en het doen en laten van de betrokkene in die andere hoedanigheid. In dit geval bestaat bij verweerder een voldoende concreet en aanwijsbaar verband tussen enerzijds zijn hoedanigheid van advocaat en anderzijds zijn optreden als de klachtenfunctionaris van zijn kantoor. Het advocatentuchtrecht is dan dus volledig van toepassing. Bij de beoordeling dient in aanmerking te worden genomen dat de klachtenfunctionaris een grote mate van vrijheid heeft bij onder andere de wijze waarop hij de klachtafhandeling inricht (zie o.a. RvD ’s-Hertogenbosch 9 december 2019, ECLI:NL:TADRSHE:2019:186 en RvD Den Haag 29 januari 2025, ECLI:NL:TADRSGR:2025:20). Klacht ontvankelijk 4.2    Verweerder heeft verzocht om de klacht niet in behandeling te nemen, omdat de grens van het klachtrecht volgens hem – en de voorgaande deken – is bereikt. De voorzitter volgt hem daarin niet. De klacht voldoet aan alle ontvankelijkheidsvereisten. Ook is niet gebleken van misbruik van het tuchtrecht. De voorzitter gaat hierna over tot de inhoudelijke beoordeling van de klacht.  Beoordeling 4.3    Het staat verweerder vrij om een daadwerkelijke proceskostenveroordeling te vorderen als hij meent dat sprake is van een kansloze procedure. Dat mag hij vooraf ook mededelen aan klager. Dat heeft hij op een zakelijke wijze gedaan en was niet disproportioneel. Dit kan weliswaar door klager als dreigend of intimiderend worden ervaren maar daarmee zijn de grenzen van het tuchtrecht nog niet overschreden. 4.4    Klager heeft enkel een aansprakelijkstelling verzonden aan het kantoor. Van een klacht op grond van de kantoorklachtenregeling was geen sprake. Verweerder hoefde dat dus ook niet als zodanig te behandelen. Daarbij wordt betrokken dat al tot aan het hof van discipline is geprocedeerd over de eerdere tuchtklachten van klager tegen verweerders collega. 4.5    Tot slot stond het verweerder vrij om in zijn verweer te verzoeken om de tuchtklacht niet in behandeling te nemen omdat volgens hem de grenzen van het tuchtrecht zijn bereikt. Verweerder is gebleven binnen de ruime vrijheid die hem toekomt bij het voeren van verweer op een tuchtklacht. Het is vervolgens aan de tuchtrechter om dat verzoek te beoordelen. 4.6    De klacht is kennelijk ongegrond.

BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.