Rechtspraak
Uitspraakdatum
28-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:90
Zaaknummer
25-587/DH/DH
Inhoudsindicatie
Verzet ongegrond
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 28 april 2026 in de zaak 25-587/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 29 oktober 2025 op de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 7 november 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 29 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K226 2024 van de deken ontvangen. 1.3 Bij beslissing van 29 oktober 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze ziet op gedragingen van verweerder voor 7 november 2021. De voorzitter heeft de klacht voor het overige kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen. 1.4 Op 7 november 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 16 maart 2026. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig 1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET 2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen. 2.2 Met betrekking tot de ontvankelijkheid stelt klaagster dat de gedragingen van verweerder sinds 2016 één voortdurende gedragslijn vormen. Hij borduurt voort op eerdere onrechtmatige acties, herhaalt dezelfde verdraaiingen en gebruikt telkens dezelfde juridische dreiging. Een gedraging die zich over meerdere jaren herhaalt of voortduurt, is niet afgesloten in de zin van artikel 46g lid 1 Advocatenwet. Klaagster stelt dat de klacht ontvankelijk is, ook voor het handelen dat zijn oorsprong heeft vóór 2021. Klaagster stelt verder dat er omstandigheden zijn die toepassing van artikel 46g lid 2 Advocatenwet rechtvaardigen, doordat verweerder na het onleesbaar verklaren van de oorspronkelijke kadasterstukken fout heeft gereageerd op de nieuwe objectieve informatie. 2.3 Klaagster stelt dat de voorzitter ten onrechte heeft geoordeeld dat de toon van verweerders brieven zakelijk en correct is en dat geen sprake is van onethisch of intimiderend optreden. Deze conclusie negeert zowel de inhoud als de context. Klaagster stelt verder dat de voorzittersbeslissing een aantal zake miskent of onbesproken laat, waaronder dat verweerder structureel stelt dat de muur gemeenschappelijk eigendom is, terwijl het Kadasteronderzoek uitwijst dat de muur uitsluitend tot klaagsters perceel behoort. 2.4 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT 3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2 De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De raad is met de voorzitter van oordeel dat klachten die zien op gedragingen van verweerder vóór 7 november 2021 te laat zijn ingediend. Voor een uitzondering op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet wordt geen grond gezien. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter op dit punt juist is. 4.3 Voor wat betreft de gedragingen vanaf 7 november 2021 is de raad met de voorzitter van oordeel dat verweerder heeft gehandeld binnen de grote mate van vrijheid die hem als advocaat toekomt. Ook hier hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 4.4 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. W.R. Arema en F.G.L. van Ardenne, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 28 april 2026.
