Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:129

Zaaknummer

250221

Inhoudsindicatie

Klacht tegen advocaat wederpartij. Gedeeltelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan eigen belang. Verwijt dat verweerder vertrouwelijke stukken uit de mediation in procedures heeft overgelegd, gegrond. De raad heeft de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard, omdat de raad vanwege het geslaagde beroep van verweerder op zijn verschoningsrecht niet heeft kunnen vaststellen of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof is met de raad van oordeel dat verweerder tegenover klaagster - de wederpartij - een beroep mag doen op zijn geheimhoudingsplicht jegens zijn oud-cliënten. Dat betekent echter niet dat de klachtonderdelen, waarvoor verweerder zich op zijn geheimhoudingsplicht beroept, ongegrond moeten worden verklaard vanwege het enkele feit dat verweerder zich daartegen niet heeft verweerd of kunnen verweren. Of die klachtonderdelen al dan niet gegrond moeten worden verklaard, hangt af van de feiten die, in dit geval met name aan de hand van de verschillende uitspraken van gerechtelijke instanties, ook zonder kennisneming van eventuele verweren van verweerder kunnen worden vastgesteld. Het hof verklaart deze klachtonderdelen voor het overgrote deel alsnog gegrond. Het had in deze specifieke zaak op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te doen naar de informatie die hem door zijn cliënten werd aangereikt. Dat verweerder dit heeft gedaan is niet gebleken. Hij meegewerkt aan een opzetje om de executie van dwangsommen door klaagster te frustreren op basis van een vage, niet onderbouwde vordering, wat bovendien praktisch volledig buiten de beweerdelijke schuldeiser is omgegaan. Verweerder is meegegaan in het leggen van beslag op basis van ernstige beschuldigingen jegens klaagster, die mede gebaseerd bleken te zijn op gemanipuleerde beelden, die verweerder had kunnen en moeten controleren. Bijzonder kwalijk is dat verweerder aantoonbaar (en in rechte vastgesteld) in meerdere procedures - bewust - onjuiste en/of misleidende informatie aan de rechter heeft verstrekt, relevante feiten heeft verzwegen en betrokken is geweest bij acties om klaagster via publicaties in een kwaad daglicht te stellen. Verweerder heeft de kernwaarde onafhankelijkheid volledig uit het oog verloren. Onvoorwaardelijke schorsing van 13 weken. 

Uitspraak

Beslissing van 1 mei 2026

in de zaak 250221

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

 

klaagster

gemachtigden: mrs. P.L. Tjiam en E.R. van der Velde,

advocaten te Amsterdam

 

tegen:

 

 

verweerder

gemachtigde: mr. J.T.J. Gorissen

 

1 INLEIDING

1.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft de klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan een eigen belang. Het verwijt aan verweerder dat hij vertrouwelijke stukken uit de mediation in procedures heeft overgelegd, is gegrond verklaard. De raad heeft de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard, omdat de raad vanwege het geslaagde beroep van verweerder op zijn verschoningsrecht niet heeft kunnen vaststellen of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klaagster heeft hoger beroep ingesteld.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 23-531/DB/LI) een tussenbeslissing gewezen op 15 januari 2024. In deze beslissing is de zaak terugverwezen naar de deken met het verzoek om het onderzoek naar de klacht en de daarmee samenhangende feiten voort te zetten dan wel te hervatten en de raad vervolgens binnen twee maanden na verzending van deze beslissing schriftelijk over de uitkomsten van het onderzoek te informeren. In het bijzonder verzocht de raad de deken om de raad te berichten of de verklaringen van verweerder stroken met de inhoud van het dossier dan wel de dossiers die de deken in het kader van zijn onderzoek heeft ingezien. De raad heeft de verdere behandeling van de zaak en iedere verdere beslissing aangehouden. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2024:6 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

2.2 De raad heeft in deze zaak op 15 juli 2024 opnieuw een tussenbeslissing gewezen en de zaak nogmaals voor nader onderzoek naar de deken terugverwezen. De raad heeft de deken verzocht om verslag uit te brengen over de vraag of de geheimhoudingsplicht van verweerder in de weg staat aan het voeren van verweer en zo ja, voor welke klachtonderdeel of welke delen daarvan dit het geval is. De raad heeft de deken daarbij instructies gegeven over de wijze waarop de deken verslag kon doen zonder de geheimhoudingsplicht van artikel 11a en 45 a lid 2 Advocatenwet te schenden. De verdere behandeling van de zaak en iedere verdere beslissing werd wederom aangehouden. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2024:95 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

2.3 De raad heeft op 26 mei 2025 een eindbeslissing gegeven. In deze beslissing zijn de klachtonderdelen 1 tot en met 5, 7, 8 en 10 ongegrond verklaard, is klaagster in de klachtonderdelen 6 en 11 niet-ontvankelijk verklaard en is klachtonderdeel 9 gegrond verklaard. De raad heeft verweerder de maatregel van berisping opgelegd. Verweerder is veroordeeld tot betaling van het griffierecht, de reiskosten en de proceskosten. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:82 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.4 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 24 juni 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.5 Verder bevat het dossier van het hof:

- de stukken van de raad;

- het verweerschrift.

2.6 He t hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 6 maart 2026. Daar zijn d e gemachtigden van klaagster verschenen, alsook verweerder met zijn gemachtigde. Klaagster was afwezig . Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.1 Klaagster was werkzaam binnen de ondernemingen van haar partner (hierna: de man) tot enige tijd na de relatiebreuk met de man. In november 2018 is tussen klaagster en de man een conflict ontstaan. Sinds die tijd is klaagster door de man en zijn nieuwe partner (de partner) beschuldigd van onder meer fraude, diefstal, het vernietigen van bewijs en andere strafbare feiten. Deze beschuldigingen hebben geleid tot vele gerechtelijke procedures tussen enerzijds klaagster en anderzijds de man, zijn ondernemingen en de partner.

3.2 Rechtbanken en gerechtshoven hebben de man en de partner uitingsverboden opgelegd, op grond waarvan het hun is verboden om klaagster te beschuldigen van het veroorzaken van een FIOD-inval bij een onderneming van de man, van fraude, van porno-activiteiten, van diefstal en van het hacken van Twitter-accounts. Het is de man en de partner eveneens verboden om een niet onafhankelijk uitgebracht deskundigenrapport te bezitten en te verspreiden. Klaagster en de man hebben vervolgens ook geprocedeerd over dwangsommen die de man verbeurd heeft als gevolg van overtreding van de opgelegde verboden.

3.3 Van februari 2021 tot en met november 2021 hebben klaagster en de man mediationgesprekken gevoerd. Voorafgaand aan de mediation is vertrouwelijkheid overeengekomen met betrekking tot deze mediation. De mediation heeft niet tot een oplossing geleid.

3.4 Verweerder heeft vanaf februari 2022 tot omstreeks eind 2022 rechtsbijstand verleend aan de man, de partner en enkele aan de man gelieerde ondernemingen (waaronder A en B). Sinds 2021 trad ook mr. X voor deze partijen op. 

3.5 In een e-mail van 17 april 2022 heeft klaagsters gemachtigde aan verweerder en aan mr. X gevraagd wie van hen voor welke partij (waaronder de man, de partner en A) optrad. Bij e-mail van 20 mei 2022 heeft klaagsters gemachtigde een rappel gestuurd. Verweerder en mr. X hebben niet op deze e-mails van de gemachtigde van klaagster gereageerd.

Verzoeken tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag

3.6 Verweerder heeft op 3 maart 2022 namens de man en B bij de rechtbank Rotterdam verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van klaagster. Op daarover door de rechtbank gestelde vragen heeft verweerder op 14 maart 2022 geantwoord. De voorzieningenrechter heeft het beslagverzoek bij beslissing van 14 maart 2022 afgewezen en onder meer overwogen:

2.1   (…) Het enkele gegeven dat [de man] de uiteindelijke UBO is van verschillende in het verzoekschrift genoemde rechtspersonen, waaronder [B], is echter onvoldoende om een concreet, en rechtmatig, belang te hebben bij dit bewijsbeslagverzoek. Kern van het, gestelde, verwijt dat [klaagster] wordt gemaakt is immers dat zij fraude in een of meer van de genoemde bedrijven gepleegd heeft. [De man] was ook geen partij bij de zaak die tot de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel van 12 maart 2020 leidde, zodat het beroep daarop geen hout snijdt. Dit betekent dat het verzoek, voor zover het [de man] betreft, wordt afgewezen omdat een (direct) rechtmatig belang bij het verzoek ontbreekt.

2.2 Voor zover [B] verzoeker is, wordt het volgende overwogen.

Het verzoek is ingegeven door, gestelde, wetenschap althans verdenking – het verzoek hinkt wat dat betreft een beetje op twee gedachten – van door [klaagster] gepleegde fraude. Gevraagd is waarom er dan bewijsbeslag op e-mails gelegd moet worden. Het antwoord op die vraag luidde dat de administratie van [B] lacunes en hiaten bevat en dat deze door beslag te leggen op e-mails en dergelijke opgevuld en ingevuld kunnen worden. Dat er enige concrete aanleiding is om te vermoeden dat in e-mails en andere communicatievormen administratieve informatie te vinden valt die de hiervoor bedoelde lacunes en hiaten kunnen opvullen, laat [B] na te stellen en onderbouwen. Zo rijst bijvoorbeeld de vraag of en waarom bankgegevens op dit punt niet een begin van bewijs kunnen leveren. Dit leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het verzoek in zoverre aanmerkt als een fishing-expedition.

2.3.  Op het punt van wetenschap althans verdenking van fraude doet [B] verder een beroep op een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 24 september 2019, meer in het bijzonder rechtsoverwegingen 4.4. en 5.3. van dat vonnis.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat daaruit geen (rechtmatig) belang voortvloeit. Anders dan [B] blijkbaar wil doen voorkomen bevat rechtsoverweging 4.4. niet meer dan een, niet onderbouwde, stelling van onder andere [de man] en [B]. Rechtsoverweging 5.3. bevat niet een verbod dat zo ver strekt dat het [B] de mogelijkheid wordt ontnomen om onderzoek te doen naar de zakelijke e-mails van [klaagster] en mogelijke fraude. (…) in 4.9. (…) wordt overwogen dat het uit te spreken verbod niet in de weg staat aan een fraudeonderzoek door een onafhankelijk bureau. Uit de producties volgt dat er nadien in opdracht van [de man] onderzoeken zijn verricht die in twee gerechtelijke instanties niet als fraudeonderzoek en/of niet als onafhankelijk zijn aangemerkt. Dat betekent echter nog niet dat onafhankelijk fraudeonderzoek niet mogelijk is. [B] zwijgt daar overigens over.

2.4. In randnummer 38 van het verzoek staat dat [de man] voor het kort geding waar het vonnis van 24 september 2019 op ziet, [naam] opdracht heeft gegeven de complete e-mailaccounts van [klaagster] van [B] te kopiëren en onder zich te houden en dat [naam] deze zich nog steeds onder zich houdt.

(…) waarom [de man] en eventueel BD] als opdrachtgever(s) bedoelde gegevens niet bij [naam] kunnen weghalen, laten zij na te stellen en te onderbouwen en is gelet op de stellingen in randnummer 38 van het verzoek onbegrijpelijk. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat [B] (naast [de man]) zonder enige belemmering toegang tot bedoelde e-mailkopieën heeft. Dat brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het [B] (en overigens ook [de man] maar dat ten overvloede) aan belang bij dit verzoek ontbreekt.”

3.7 Verweerder heeft begin maart 2022 namens de partner en een aan haar gelieerde vennootschap bij de rechtbank Rotterdam verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van klaagster. Klaagster had eerder verlof gekregen om onder de partner en haar vennootschap bewijsbeslag te leggen op (computer-)bestanden en andere berichten. Het beslag is gelegd op 22 december 2021. Daarbij is ook de auto van de partner onderzocht. De partner stelde dat toen met de software van haar auto is geknoeid waardoor op enig moment tijdens het rijden vanzelf de handrem aantrok. Zij stelde voorts dat dit is gebeurd in opdracht van klaagster en dat de deurwaarder hiervan op de hoogte (en betrokken) was en dat zij daarom bewijsbeslag wilde laten !eggen op de correspondentie tussen klaagster, de deurwaarder en de man die de auto onderzocht heeft (de onderzoeker).

3.8 De voorzieningenrechter heeft verweerder nadere vragen gesteld, die hij op 8 maart 2022 heeft beantwoord. Een van de vragen was:

“Op de overgelegde foto valt niet te zien dat de deurwaarder iets aan [de onderzoeker] geeft, zijn daar foto’s van? Zo ja, graag overleggen;”

Verweerder heeft geantwoord: “ Nee, hier zijn geen foto’s van .”

De rechtbank heeft het verlof verleend op het (aangepaste) verzoekschrift van 14 april 2022. Verweerder heeft daarna klaagster, de deurwaarder en de onderzoeker namens zijn cliënten gedagvaard.

3.9 Verweerder heeft zich enkele weken voor de mondelinge behandeling van 1 februari 2023 aan de zaak onttrokken. De rechtbank Rotterdam heeft op 5 april 2023 vonnis gewezen.De rechtbank heeft onder meer overwogen:

3.2  De videobeelden van de doorzoeking die [de partner] c.s. heeft ingebracht, laten niets verdachts zien. Uit de beelden volgt dat [de onderzoeker] gedurende 10 minuten de auto heeft doorzocht. Dit kan grondig worden genoemd, maar het is niet bevreemdend aangezien [de onderzoeker] onder meer moest zoeken naar usb-sticks. Een usb-stick kan eenvoudig op veel plaatsen worden verborgen, ook in een auto. Uit de beelden blijkt niet dat [de onderzoeker] zelf een usb-stick heeft gepakt en ook niet dat hij iets met de bedrading van de auto heeft gedaan of dat hij daarop iets heeft aangesloten. Op de beelden is juist niets vreemds te zien. Hoogstens kan worden afgevraagd of het zinvol was om onder de motorkap te kijken of daar mogelijk usb-sticks verstopt zouden zitten, maar het is volstrekt onaannemelijk dat [de onderzoeker] binnen zo’n korte tijd (60 seconden) iets onder de motorkap heeft kunnen aanpassen of aansluiten op de auto. De beelden maken daarom in het geheel niet aannemelijk dat [de onderzoeker] heeft geknoeid met software van de auto van [de partner].

(…)

3.7  De rechtbank zal [de partner] c.s. veroordelen om de door [klaagster], [de deurwaarder] en [de onderzoeker] daadwerkelijk gemaakte kosten te betalen. De wijze waarop [de partner] heeft geprocedeerd is tegenover [klaagster], [de deurwaarder] en [de onderzoeker] namelijk onrechtmatig. [De partner] had op basis van de videobeelden immers zelf ook moeten vaststellen dat haar vordering weinig kans van slagen zou hebben. Daar komt bij dat [de partner] de beslagrechter onjuist heeft voorgelicht, terwijl zij op grond van artikel 21 Rv - net als alle partijen - verplicht was om de feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. [De partner] heeft er echter voor gekozen om niet de videobeelden, maar in plaats daarvan zogenaamde stills uit de video bij te voegen. Daarmee heeft zij een misleidend beeld neergezet. Op basis van de stills lijkt namelijk het alsof [de onderzoeker] meer handelingen aan de auto heeft verricht dan in werkelijkheid het geval. Ook de beschrijving die zij bij de video heeft gegeven was op punten misleidend. Zo heeft [de partner] c.s. nu erkend dat – anders dan zij bij de beslagrechter verklaarde – uit de beelden niet blijkt dat [de deurwaarder] iets aan [de onderzoeker] heeft aangegeven. De rechtbank acht het mede tegen de achtergrond van de tussen [de partner] en [klaagster] lopende procedures voldoende aannemelijk dat [de partner] c.s. een en ander bewust heeft gedaan. Haar wijze van procederen is daarom onrechtmatig.”

3.10 Verweerder heeft op 29 april 2022 namens B bij de rechtbank Overijssel verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van klaagster. Het verlof is verleend en het beslag is gelegd. Verweerder heeft klaagster namens B op 2 juni 2022 gedagvaard. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling in deze zaak heeft verweerder zich als advocaat onttrokken. Het vonnis van de rechtbank Overijssel dateert van 2 augustus 2023. De rechtbank heeft onder meer overwogen:

“5.1  De vordering van [B] zal worden afgewezen. De volgende drie gronden staan ieder voor zich in de weg aan de gevorderde inzage en afschrift van de beslagen bescheiden.

De verzwegen afwijzing van een eerder beslagverzoek

5.2. Ten eerste blijkt [B] eerder tevergeefs verlof voor het leggen van het bewijsbeslag te hebben verzocht aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, voordat zij het beslagrekest bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank indiende waarop wel verlof is verleend. De Rotterdamse voorzieningenrechter heeft het eerdere beslagrekest afgewezen bij beschikking van 14 maart 2022. [B] heeft de mislukte eerdere beslagpoging verzwegen in het beslagrekest dat zij bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft ingediend, en ook in de onderhavige procedure heeft [B] daarvan geen melding gemaakt.

5.3. [B] heeft in het beslagrekest, dat zij aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank voorgelegd heeft, niet opgenomen dat zij eerder een verzoek met gelijke strekking bij de Rotterdamse voorzieningenrechter ingediend heeft en dat die rechter dat verzoek afgewezen heeft. [B] heeft dus evenmin uitgelegd waarom zij een tweede beslagrekest indiende, en nu bij deze rechtbank, in plaats van hoger beroep in te stellen tegen de afwijzing van haar eerste verlofverzoek. Het voorgaande levert handelen in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv op en is in strijd met de eisen van een goede procesorde.

Schending van artikel 21 Rv

5.4. Ten tweede heeft [B] ernstig in strijd gehandeld met de in artikel 21 Rv neergelegde verplichting om de feiten die van belang zijn volledig en naar waarheid aan te voeren. In haar beslagrekest, en ook in deze procedure, heeft [B] belangrijke feiten verzwegen. Dat [B] de bewuste informatie aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft onthouden is in het bijzonder kwalijk, aangezien over een beslagverzoek wordt beslist zonder dat degene tegen wie het verzoek is gericht (in dit geval [klaagster]) wordt gehoord; nu [klaagster] geen gelegenheid had om verweer te voeren tegen het beslagverzoek, was de voorzieningenrechter volledig afhankelijk van de door [B] aangeleverde informatie.

5.4.1. Allereerst heeft [B], zoals gezegd, nagelaten om open kaart te spelen over haar mislukte verlofverzoek aan de Rotterdamse voorzieningenrechter (zie 5.2).

5.4.2. Daarnaast heeft [B] het uitgebreide verweer verzwegen dat [klaagster] reeds voor de indiening van het laatste beslagrekest had gevoerd tegen de verdenkingen van fraude die ten grondslag zijn gelegd aan het beslagverzoek en de inzagevordering. [Klaagster] had dit verweer al uiteengezet in (onder andere) een kort gedingdagvaarding met datum van 14 april 2022, twee weken voordat [B] het beslagrekest indiende dat hier aan de orde is.

5.4.3. Verder heeft [B] ten onrechte onvermeld gelaten dat al vijf onderzoeken zijn uitgevoerd naar haar verdenkingen van door [klaagster] gepleegde fraude, waarbij telkens geen onregelmatigheden zijn vastgesteld. Vier van deze onderzoeken zijn nota bene in opdracht van [de man] verricht.

Niet voldaan aan de vereisten van artikel 843a Rv

5.5. Ten derde is niet voldaan aan de in artikel 843a Rv neergelegde vereisten voor het recht op inzage of afschrift van bescheiden. Nog daargelaten of de opgevraagde bescheiden voldoende zijn bepaald, heeft [B] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een rechtmatig belang heeft bij inzage of afschrift van de beslagen bescheiden. Ook heeft [B] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de bewuste bescheiden zien op een rechtsbetrekking waarbij [B] partij is, welke rechtsbetrekking er volgens haar uit bestaat dat [klaagster] onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld, dan wel tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van haar toenmalige arbeidsovereenkomst met [B]. Dit oordeel wordt als volgt gemotiveerd.

5.5.1. De rechtbank ziet aanleiding om de vordering van [B] tot inzage en afschrift van de beslagen bescheiden bijzonder kritisch te benaderen. In eerdere procedures is vastgesteld dat [de man], de eigenaar van [B], [klaagster] vanaf eind 2018 op onrechtmatige wijze heeft beschuldigd van allerlei misstanden en misdrijven. Ook heeft [de man] opdracht gegeven om online negatieve artikelen over [klaagster] te publiceren. In 2019 hebben [B] en [de man] zich toegang verschaft tot de e-mailaccounts van [klaagster] bij (onder meer) [B], waarna zij (persoonlijke) e-mails van [klaagster] op misleidende wijze en voorzien van ongefundeerde beschuldigingen hebben gepresenteerd aan landelijke dagbladen. Ook nadat hen in september 2019 een verbod was opgelegd om zich toegang te verschaffen tot de e-mailaccounts van [klaagster] en om de al bemachtigde e-mails van [klaagster] te gebruiken en te verspreiden, hebben [B] en [de man] e-mails uit de e-mailaccounts van [klaagster] met derden gedeeld.

5.5.2. Gezien het eerdere door (onder andere) [B] gemaakte misbruik van e-mails van [klaagster], acht de rechtbank het gevorderde enkel toewijsbaar als [B] aan de hand van concrete aanwijzingen aannemelijk weet te maken dat haar fraudeverdenkingen aan het adres van [klaagster] gegrond zijn.

5.5.3. Dat de door [B] gestelde fraudegevallen zich heb ben voorgedaan en dat [klaagster] daarbij betrokken was, is verre van aannemelijk geworden. (…)

(…)

5.10. Zoals door [klaagster] gevorderd, zal [B] ertoe worden veroordeeld om haar volledige proceskosten te vergoeden. Dit in afwijking van het uitgangspunt dat niet meer dan een forfaitaire proceskostenvergoeding wordt toegekend op basis van het Iiquidatietarief. Aanleiding hiervoor is het misbruik van procesrecht door [B], bestaande uit het verzwegen mislukte eerdere beslagverzoek (zie 5.2 en 5.3) en het in strijd met de waarheidsplicht van artikel 2I Rv achterhouden van essentiële feiten (zie 5.4). (…)”

Conservatoir derdenbeslag op vordering verbeurde dwangsommen

3.11 Klaagster heeft aanspraak gemaakt op betaling van verbeurde dwangsommen tot een bedrag van € 1.960.000,- en heeft in dat verband op 8 maart 2022 aangekondigd dat zij onroerende zaken van S zou veilen. Mr. X heeft op 10 maart 2022 aan klaagster verzocht om nog 10 werkdagen (twee weken) te wachten met de veiling, omdat de man daarna alsnog vrijwillig zou betalen. Klaagster heeft met dit verzoek ingestemd.

3.12 Op 23 maart 2022 heeft verweerder namens A en B verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir derdenbeslag onder de man op de vordering van klaagster ten bedrage van € 1.960.000,-. Het verlof is verleend, waarna op 24 maart 2022 beslag is gelegd. Het is niet duidelijk wie aan verweerder opdracht heeft gegeven om het beslag te leggen. Wel is duidelijk dat op 29 maart 2022 door de man en bestuurders van A een verklaring is ondertekend, waarin is vastgelegd dat de vorderingen van A en B voorlopig worden begroot op € 1.960.000,- en dat voor dit bedrag beslag gelegd is. 

3.13 Klaagster heeft in kort geding - onder meer - opheffing van het op 24 maart 2022 gelegde conservatoir derdenbeslag gevorderd. Klaagster heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat A en B met het beslag misbruik van recht hadden gemaakt.

3.14 Ter zitting van 25 april 2022 heeft verweerder een pleitnota overgelegd, waaraan als producties 11 tot en met 17 stukken waren gehecht, bestaande uit correspondentie tussen de advocaten en de mediator over de mediation, de mediationovereenkomst en onderzoeksopzetten ten behoeve van de mediation. In de randnummers 74 tot en met 80 van de pleitnota heeft verweerder op de overgelegde producties een toelichting gegeven.

3.15 Bij vonnis in kort geding van 2 mei 2022 heeft de rechtbank Overijssel het beslag opgeheven. De feiten en de motivering waarop de beslissing steunt, zijn afzonderlijk vastgesteld op 16 mei 2022. De rechtbank heeft onder meer overwogen:

“4.4  Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er sprake van misbruik van (proces)recht aan de zijde van [B] c.s. op grond waarvan tot opheffing van het door hen gelegde conservatoire derdenbeslag onder [de man] moet worden overgegaan. Daartoe acht de voorzieningenrechter het volgende redengevend.

4.5  Anders dan door [B] c.s. is betoogd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het door [B] c.s. gelegde conservatoire (derden)beslag in feite neerkomt op een verkapt eigenbeslag. Daargelaten of sprake is van vereenzelviging tussen [de man] en [B] c.s., is het, alle omstandigheden in ogenschouw nemende, aannemelijk dat [B] c.s. zich (hoofdzakelijk) hebben laten leiden door de belangen van [de man]. [De man] en [klaagster] zijn al jarenlang verwikkeld in diverse juridische procedures en daarbij heeft [de man] op grond van het vonnis van 25 november 2021 dwangsommen van (voorlopig) € 1.960.000,-- verbeurd. (…)

4.6. Gelet op het vorenstaande staat voldoende vast dat er een sterke mate van verwevenheid is tussen [de man] en [B] c.s. Dit wordt versterkt door de omstandigheid dat [B] en [A] c.s. gezamenlijk het verzoek tot verlening van het leggen van conservatoir derdenbeslag hebben ingediend en, nadat verlof is verleend, beslag hebben laten leggen onder [de man] op de vordering van [klaagster] op [de man]. Hoewel [B] en [A] c.s. hebben benadrukt dat zij volledig los van elkaar opererende vennootschappen zijn, zijn zij kennelijk ongeveer gelijktijdig en pas na het vonnis van 25 november 2021 op het idee gekomen dat zij een forse vordering op [klaagster] hebben die (in totaliteit) het bedrag aan verbeurde dwangsommen overschrijdt. Dat is op zijn minst opmerkelijk te noemen en is zonder dat [de man] daarbij een bepaalde rol heeft gespeeld, niet goed verklaarbaar. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn [B] c.s. er in ieder geval niet in geslaagd om hiervoor een aannemelijke verklaring te geven. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is namens [B] en [A] c.s. verklaard dat het twee cliënten van dezelfde advocaat zijn, die vaststellen dat zij beide een vordering op [klaagster] hebben. De voorzieningenrechter kan daarvoor geen andere reden zien dan dat zowel [B] en [A] c.s. een band heeft met [de man] en dat de laatste het geschil met [klaagster] heeft zoals dat hiervoor besproken is. In dit verband kan er ook niet aan voorbij worden gegaan dat uit diverse gerechtelijke uitspraken die de afgelopen jaren zijn gedaan tussen [klaagster] en [de man] naar voren komt dat [de man] [klaagster] beschuldigt van vermeend frauduleus handelen. Dit betwiste frauduleus handelen is ook als grondslag in het beslagrekest opgenomen. Daarnaast hebben [B] c.s. ook geen goede uitleg geven waarom het beslag op 24 maart 2022, zijnde de uiterste dag waarop [de man] beloofde het bedrag van € 1.960.000,-- aan verbeurde dwangsommen aan [klaagster] te zullen betalen, is gelegd. De verklaring van [B] c.s. dat dit toeval is, overtuigt, gezien de gebeurtenissen en het tijdspad na het vonnis van 25 november 2021, allerminst. De voorzieningenrechter kan zich (dan ook) niet aan de indruk onttrekken dat er, zoals ook door [klaagster] is aangevoerd, sprake is geweest van een doelbewuste strategie.

4.7. Deze indruk wordt versterkt door de omstandigheid dat [B] c.s., ondanks dat zij stellen dat het hen sinds eind 2018/begin 2019 bekend is dat er schade is dan wel wordt geleden waarvan zij het vermoeden hebben dat deze schade is dan wel wordt veroorzaakt door [klaagster], daaraan niet eerder dan met het leggen van conservatoir derdenbeslag juridische consequenties (lijken te) hebben verbonden. Tijdens de mondelinge behandeling zijn [B] c.s. het antwoord schuldig gebleven op de vraag of en, zo ja, wanneer zij [klaagster] aansprakelijk hebben gesteld voor de door hen gestelde omvangrijke schade. Dit duidt veeleer op een reactieve houding, daar waar, uitgaande van de stellinginname in deze van [B] c.s., een pro-actief optreden in een eerder stadium meer voor de hand had gelegen.

4.8. In het verlengde hiervan kan ook niet uit het oog worden verloren dat de advocaat van [de man], nadat het conservatoir derdenbeslag was gelegd door [B] c.s. op 6 april 2022 aan [klaagster] een voorstel heeft gedaan tot het sluiten van een depotovereenkomst, op grond waarvan [de man] het bedrag van € 1.960.000,-- in depot zou stellen tot onherroepelijk beslist zou zijn op de vorderingen van [B] c.s. op [klaagster] dan wel betrokken partijen een definitieve regeling ter zake van die vorderingen zouden hebben getroffen. Dat duidt immers ook op het bestaan van een relatie tussen de gehoudenheid van [S] om de dwangsommen te betalen en de beslaglegging tussen [B] c.s.

4.9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan ook niet onvermeld blijven dat [B] c.s. in het beslagrekest hebben verzuimd te vermelden dat [klaagster], nadat [de man] het bedrag van € 1.960.000,-- niet aan haar had betaald, een notaris opdracht had gegeven om onroerende zaken van [de man] te veilen, welke veiling zij vervolgens opschortte om [de man] nog één mogelijkheid te geven de verbeurde dwangsommen te voldoen. Hoewel [B] c.s. stellen dat zij niets van doen hebben met het geschil tussen [klaagster] en [de man], leggen zij wel beslag onder [de man] op de vordering die [klaagster] op [de man] heeft. Gelet op de onderlinge verhoudingen en de verwevenheid tussen [de man] en [B] c.s. is de voorzieningenrechter van oordeel dat [B] c.s. (de gang van zaken omtrent) de veiling wel hadden moeten vermelden in het beslagrekest, te meer nu gesteld noch gebleken is dat zij hier geen weet van hadden. Door dit na te laten heeft de voorzieningenrechter dit aspect niet mee kunnen wegen in de overwegingen om het conservatoir derdenbeslag al dan niet te verlenen. In het midden latend of dit een schending van artikel 21 Rv oplevert bij het vragen van het verlof tot het leggen van het beslag bevestigt deze weglating de hiervoor onder 4.6 genoemde strategie.

4.10 Met inachtneming van het voren overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het conservatoir derdenbeslag van [B] c.s., onder [de man] op de vordering van [klaagster] op [de man], dat dus in feite neerkomt op een verkapt eigenbeslag, niet (zozeer) is gelegd met het oog op verhaal van een vordering, maar veeleer om het incasseren van uit hoofde van rechterlijke beslissingen verbeurde dwangsommen voor zover het vonnis van voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 25 november 2021 dat toelaat te frustreren. Daarvoor is het beslagrecht niet bedoeld. Er wordt dan ook misbruik van recht gemaakt, tenzij er sprake is van een uitzonderingssituatie. Hiervan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. (…)”

3.16 D heeft van dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis op 2 juli 2024 bekrachtigd. Het gerechtshof heeft B veroordeeld in de volledige proceskosten van klaagster, omdat B én misbruik had gemaakt van de bevoegdheid tot beslaglegging (met de betreffende procedure als gevolg daarvan) én in het beslagrekest essentiële informatie had verzwegen (dat klaagster op het punt stond om onroerende zaken van de man te laten veilen).

Website www.onrecht.nl

3.17 In mei en juni 2022 zijn op de website www.onrecht.nl veelvuldig negatieve publicaties verschenen over klaagster. De beheerder van deze website was K.

3.18 Klaagster heeft in kort geding tegen de man, de partner en K een verbod op en verwijdering van negatieve publicaties gevorderd. Ook heeft klaagster gevorderd om aan de man en de partner een verbod op te leggen om derden de opdracht te geven om artikelen over klaagster te publiceren die haar goede naam en reputatie schaden. Op 24 juni 2022 heeft de zitting in kort geding plaatsgevonden. Ter zitting werd de man bijgestaan door verweerder en mr. X, terwijl de partner werd bijgestaan door verweerder. Verweerder en mr. X hebben beiden een pleitnota voorgedragen en daarbij opgemerkt dat zij de inhoud van de pleitnota’s hadden afgestemd en dat verweerder voor zowel de man als de partner verweer zou voeren en mr. X specifiek voor de man. Ter zitting is de betrokkenheid van de man en de partner bij de publicaties betwist. Bij vonnis in kort geding van 28 juni 2022 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel de vorderingen van klaagster toegewezen.

3.19 Op 26 juni 2022 schreef de man met verweerder in cc aan mr. X:

“Ik had dat met [M] geregeld om er zelf buiten te blijven.

Zou je de donatie met spoed in orde kunnen maken.

Ik moet mijn afspraken aan [M] nakomen.

En [M] aan [K].”

De ‘donatie’ betrof een betaling aan K.

3.16 Op 17 juli 2022 schreef de man aan verweerder en twee anderen:

Hierbij geef ik jullie opdracht om het keren van de beeldvorming van mij en met name [de partner] op te pakken met [K]. Jullie hebben geen dwangsommen.

(…)

[K] heeft de contacten en de ervaring. Het is verstandig dat jullie dit met zijn drieën oppakken en ons hierbij niet betrekken in de correspondentie tussen jullie onderling. Mocht het voor ons relevant zijn weten [verweerder] en (…) hoe we vertrouwelijk informatie met elkaar kunnen delen. [De partner] kan alles aanleveren aan (…) en [verweerder].

Belangrijk is dus zo spoedig mogelijk de beeldvorming van [de partner] te keren. Wat hiervoor ook nodig is, wat het ook kost, je mag alles inzetten maar dit moet zo spoedig mogelijk gebeuren. Dit keert de zaak. (…)

3.20 Op 3 augustus 2022 schreef verweerder per e-mail aan K:

“Dank voor je duidelijke e-mail. lk heb een paar aanpassingen, en dan is het verder ok. Zie onderstaand in rood.

1. uiterlijk donderdag 4 augustus 2022 18.00 uur is de toegezegde extra en laatste donatie bijgeschreven op het eerder gebruikte bankrekeningnummer (…) tnv (…), tegen finale kwijting (over en weer).

2. 'dossier [de man]’ behoudt de status 'OPEN' voor onbepaalde tijd en de contacten tussen onrecht.nl (ON) blijven exclusief tussen [verweerder] en [K].

3. [Verweerder] heeft het exclusieve recht om op ieder gewenst moment 'dossier [de man]' te laten sluiten.

4. zodra 'dossier [de man]' de status 'GESLOTEN' heeft worden alle gerelateerde artikelen en verwijzingen binnen 24 uur definitief verwijderd en blijven deze verwijderd.

5. [Verweerder] garandeert [K] en ON journalistieke vrijheid, binnen de kaders van de gemaakte afspraken. Dat wil zeggen: publicaties omtrent [de partner] (negatief of positief) zijn uitgesloten, alsook belastende publicaties over [de man].

6. ON en [K] bieden [de man] en door hem gemachtigde contactpersonen bronbescherming.

7. Het domeinnaam grootschandaal.nl wordt eigendom van [K] en zal niet worden gebruikt voor aan [de man] en/of aan hem gelieerde (contact)personen gerelateerde publicaties

8. Het domeinnaam unhacked.nl gaat in eigendom over naar een door [verweerder] bepaalde houder; [de man] vrijwaart of [verweerder] vrijwaren [K]/ON van toekomstig gebruik/misbruik.

9. Mail- en Whatsappverkeer, alsook enige andere vorm van communicatie tussen de door [de man] gemachtigde contactpersonen, [K] en ON wordt niet geopenbaard tenzij hier een gerechtelijk besluit aan ten grondslag ligt

Als er nog vragen zijn of als je nog iets wil bespreken, dan bel mij svp even.”

3.21 Op 18 augustus 2022 heeft een deurwaarder K thuis bezocht en aan K een exploot ‘opeising dwangsommen’ overhandigd in het kader van de executie van het vonnis 28 juni 2022. De deurwaarder heeft in een proces-verbaal van constatering vermeld dat hij het door hem met K gevoerde gesprek heeft opgenomen en dat K hem heeft verteld dat verweerder als eerste contact met K heeft opgenomen. Tijdens een zitting van 1 november 2022 in verband met een vordering van klaagster tot inzage van bescheiden na een gelegd bewijsbeslag heeft verweerder blijkens een gemaakte geluidsopname ook zelf bevestigd dat hij dit contact heeft gelegd:

Ja, ik heb het eerste contact met [K] gehad. En eigenlijk heb ik daarna geen contact meer met [K] gehad, op één ogenblik na.

3.22 In het hoger beroep van de man en de partner tegen het vonnis van 28 juni 2022 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 april 2024 arrest gewezen. Het gerechtshof overwoog onder meer:

“3.34 Op 24 juni 2022 vond de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter plaats. In de pleitnota van de advocaat van [de partner] (en volgens het opschrift ook deels van [de man]) wordt uitdrukkelijk betwist dat [de man en de partner] opdrachtgevers zijn van [K], waarbij wordt verwezen naar productie 4. Dat is een artikel van [K] van 20 mei 2022 over dossier ‘[de man]’ en waarin hij onder meer schrijft “wij hebben [de man], [de partner] (…) nog nooit gesproken.” Ook betwisten [de man en de partner] dat zij het rapport “dan wel enig ander document” aan [K] hebben gestuurd. Ook wordt aangevoerd dat [de man en de partner] “geen enkele rol spelen in deze kwestie”.

(…)

3.35 Zowel uit de uitspraak van de Raad van Discipline in de tuchtzaak [toevoeging hof: van mr. X] als de door [klaagster] overgelegde stukken volgt dat al vanaf mei 2022, dus ruim voor die mondelinge behandeling, door de voormalig advocaat van [de partner] en door [de man en de partner] en zijn “gemachtigden” veelvuldig contact hebben gehad met [K] en dat er twee betalingen van € 50.000,- hebben plaatsgevonden vanuit [de man] aan [K], (…) Dat [de man en de partner] dan vervolgens op de mondelinge behandeling tegenover de voorzieningenrechter in deze procedure aanvoeren niets te maken te hebben met de websites van [K], geen opdrachtgever te zijn van [K] en hem het rapport en andere documenten niet te hebben toegestuurd, hebben [de man en de partner] flagrant in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv gehandeld.”

Overige procedures

3.23 Op 5 september 2022 heeft verweerder een kort geding tegen klaagster en haar drie advocaten (klaagsters gemachtigde en zijn beide (toenmalige) advocaat-stagiaires) aangekondigd en van hen alle vier de verhinderdata opgevraagd. In de concept dagvaarding die verweerder vervolgens aan klaagsters gemachtigde heeft toegestuurd, waren de twee advocaat-stagiaires als gedaagden vermeld. Bij e-mail van 26 september 2022 heeft verweerder klaagsters gemachtigde bericht dat in overleg met verweerders cliënten was besloten om de advocaat-stagiaires niet te dagvaarden.

3.24 Het kort geding tegen klaagster en haar gemachtigde heeft geleid tot een vonnis van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 13 oktober 2022. De man en de partner (en enkele met hen gelieerde vennootschappen) vorderden onder meer een verbod om mededelingen te doen over de mediation en zich te beroepen op stukken die “in verband met de mediation zijn geopenbaard, getoond, of anderszins bekend gemaakt”. In feite werd verzocht klaagster een verbod op te leggen om e-mails van de man nog in procedures te gebruiken. In het vonnis van 13 oktober 2022 wees de voorzieningenrechter alle vorderingen af. Omdat in dit kort geding twee voor de beoordeling relevante procedures waren verzwegen en dit in strijd met het bepaalde in artikel 21 Rv was, werden de cliënten van verweerder in de volledige proceskosten veroordeeld.

3.25 Op 19 mei 2022 heeft verweerder namens de man en vier aan de man gelieerde ondernemingen bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 23 december 2022 afgewezen wegens onvoldoende belang. De rechtbank heeft onder meer overwogen:

“4.4. Inmiddels zijn er zeven onderzoeken verricht naar de vermeende fraude waarvoor [klaagster] in de visie van [de man] c.s. verantwoordelijk is. Vijf onderzoeken wezen uit dat er geen onregelmatigheden zijn aangetroffen. [De man] c.s. heeft nooit inhoudelijk gereageerd op die onderzoeken. Vier van deze vijf onderzoeken zijn door [de man] zelf geïnitieerd. [Klaagster] heeft zelf een forensisch accountant de opdracht gegeven om de administratie te onderzoeken. [Klaagster] heeft aangevoerd dat de twee onderzoeken (…) waarin wel werd geconcludeerd dat [klaagster] in enig opzicht frauduleus gehandeld zou hebben, door de rechtbank Overijssel (…) en het hof Arnhem-Leeuwarden (…) als 'niet onafhankelijk' zijn gekwalificeerd, en hebben geleid tot een verbod om de rapporten te gebruiken.

4.5. [De man] c.s. stelt dat hij er mee bekend is geraakt dat [klaagster] middelen heeft onttrokken aan [twee van de eisende partijen] en voert aan dat hij beschikt over rapporten en/of(onderliggende) stukken waaruit blijkt dat de verdenkingen aan het adres van [klaagster] correct zijn.

[Klaagster] geeft aan dat [de man] haar al vier jaar beschuldigt van fraude, maar daar nog nooit een begin van bewijs van heeft geleverd.

(…)

4.7. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het verzoek onvoldoende concreet is om te worden toegewezen. Daar komt nog bij dat, onder de gegeven omstandigheden waarin partijen in een stuwmeer van procedures verwikkeld zijn (c.q. zijn geweest) ook echt meer van [de man] c.s. verwacht mocht worden alvorens [klaagster] andermaal in rechte te betrekken. De procedures en de daarmee gepaard gaande emoties trekken klaarblijkelijk, zoals [klaagster] heeft aangevoerd, een zware wisse! op [klaagster] en, naar ter zitting werd toegevoegd, haar advocaten die ook niet ontzien worden door [de man] c.s. [Klaagster] heeft er onder deze omstandigheden een zwaarwichtig belang bij gevrijwaard te blijven van (nog een) een onderzoek als daarvoor niet goede redenen bestaan. En die redenen zijn zelfs in de verste verte niet aangedragen.

4.8. De rechtbank ziet aanleiding bij proceskostenveroordeling van [de man] c.s. in zijn nadeel af te wijken van het gebruikelijk gehanteerde (liquidatie-)tarief, dit deels als sanctie voor het (kennelijk opzettelijk) onjuist voorlichten van de rechtbank deels omdat [klaagster] daardoor gedwongen is geweest extensief verweer te voeren tegen het verzoek. Voor een veroordeling in de reële proceskosten bestaat naar het oordeel van de rechtbank (nog) onvoldoende grond. (…)”

 

4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:

1. Verweerder heeft ten behoeve van de man een onrechtmatige juridische constructie bedacht, opgezet en uitgevoerd met als doel om de tenuitvoerlegging van een vonnis te frustreren;

2. Verweerder heeft zonder opdracht of mandaat van zijn cliënte A verlof gevraagd en verkregen om namens A en B conservatoir derdenbeslag te leggen op een vordering van klaagster op de man ten bedrage van € 1.960.000,-;

3. Verweerder heeft zonder opdracht of mandaat van zijn cliënt A conservatoir derdenbeslag gelegd op een vordering van klaagster op de man ten bedrage van € 1.960.000,-;

4. Pas nadat verweerder verlof had verkregen en beslag had gelegd heeft hij zich tot het bestuur van A gewend en daarbij valselijk aan het bestuur van A voorgehouden dat:

(i) het beslag zeer kansrijk was (omdat het verlof was verleend);

(ii) de kans op een kort geding tot opheffing van het beslag “nihil” zou zijn;

(iii) de procedure “een gelopen race” was;

5. Verweerder heeft het bestuur van A een besluit laten tekenen om de achteraf als misbruik van recht bestempelde constructie goed te keuren;

6. Verweerder heeft geweigerd om de CEO en CFO van A een kopie te geven van het door hen getekende besluit, waardoor zij hun handelwijze niet konden toetsen;

7. Verweerder is op tuchtrechtelijk laakbare wijze betrokken geweest bij het verschijnen van publicaties op de website www.onrecht.nl;

8. Verweerder heeft rechters misleid door consequent niet de waarheid te spreken in processtukken en tijdens zittingen;

9. Verweerder heeft vertrouwelijke stukken uit de mediation overgelegd in procedures;

10. Verweerder heeft geen duidelijkheid gegeven over welke partijen hij als advocaat bijstaat;

11. Verweerder heeft advocaat-stagiaires geïntimideerd.

 

5 BEOORDELING RAAD

Ontvankelijkheid

5.1 De raad heeft op de ontvankelijkheidsverweren van verweerder het volgende overwogen. Het feit dat klaagster verweerder civielrechtelijk aansprakelijk heeft gesteld staat niet aan ontvankelijkheid van deze tuchtklacht in de weg. Dat klaagster de klacht heeft ingediend met het doel de beeldvorming over verweerder negatief te beïnvloeden, is niet gebleken en dat de (uitkomst van) de tuchtrechtelijke procedure mogelijk bijdraagt aan “beeldvorming” over verweerder is geen reden om klaagster de toegang tot de tuchtrechter te ontzeggen.

5.2 Wel heeft de raad klaagster niet-ontvankelijk verklaard in de klachtonderdelen 6 en 11, waarbij is overwogen dat klaagster bij die klachtonderdelen geen rechtstreeks eigen belang heeft. Het in klachtonderdeel 6 aan de orde gestelde optreden van verweerder (zijn weigering om op verzoek van de CEO en de CFO van A aan hen een kopie van het door hen getekende besluit te geven), raakt niet het belang van klaagster maar dat van de CEO en de CFO. In klachtonderdeel 11 verwijt klaagster verweerder dat hij advocaat-stagiaires heeft geïntimideerd door hen een kort geding in het vooruitzicht te stellen. Alleen de personen die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in hun belang worden of kunnen worden getroffen, in dit geval dus de advocaat-stagiaires, hebben het recht om hierover een klacht in te dienen. Klaagster kan niet worden ontvangen in de klachtonderdelen 6 en 11.

Geheimhoudingsplicht

5.3 Verweerder heeft aangevoerd dat hij zich niet inhoudelijk kan verweren omdat hij niet is ontheven van zijn geheimhoudingsplicht jegens zijn cliënt(e)(n). Hij heeft op grond daarvan een beroep gedaan op zijn verschoningsrecht. Klaagster heeft weersproken dat verweerder een gegrond beroep doet op zijn verschoningsrecht. De raad heeft overwogen dat de geheimhoudingsplicht van een advocaat volgt uit de kernwaarde vertrouwelijkheid in de zin van artikel 10a lid 1 aanhef en sub e Advocatenwet en nader is uitgewerkt in artikel 11a van de Advocatenwet. Die geheimhoudingsplicht houdt in dat een advocaat in beginsel verplicht is tot geheimhouding van alle informatie, waarvan hij kennisneemt door zijn beroepsuitoefening. De advocaat dient als vertrouwenspersoon voor zijn cliënt. Gedragsregel 3 lid 1 bepaalt voorts dat de advocaat op grond van de wet verplicht is tot geheimhouding; zo dient de advocaat te zwijgen over bijzonderheden van door hem behandelde zaken, de persoon van zijn cliënt en de aard en omvang van diens belangen.

5.4 Voor de wijze waarop met de op de advocaat rustende geheimhoudingsplicht en het daaruit voortvloeiende verschoningsrecht in deze tuchtrechtelijke procedure rekening moet worden gehouden heeft de raad zich gebaseerd op de volgende rechtsoverwegingen van de Hoge Raad (HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375):

“ 6.2.1 Op grond van art. 218 Sv kan degene die uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, zich op zijn verschoningsrecht beroepen over hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. Aan dit verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht ziet daarbij op de wetenschap die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de verschoningsgerechtigde. Dit betekent dat een advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt met betrekking tot de wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft verkregen, dat wil zeggen wat hem is toevertrouwd in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat.

(…)

6.5.7 Volgens vaste rechtspraak geldt in de sfeer van de inbeslagneming en doorzoeking (het ‘klassieke domein’) dat het oordeel of het al dan niet gaat om geprivilegieerde gegevens in eerste instantie toekomt aan de verschoningsgerechtigde zelf.”

5.5 Uit deze rechtsoverwegingen (die overigens al sinds het arrest Notaris Maas, ECLI:NL:HR:1985:AC9066 gelden) volgt dat de tuchtrechter bij de beoordeling van een klacht tegen een advocaat rekening moet houden met het algemene rechtsbeginsel dat het maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijke belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden. Verder heeft te gelden dat de tuchtrechter het standpunt van de verschoningsgerechtigde over de vraag of bepaalde informatie onder het verschoningsrecht valt, in beginsel dient te eerbiedigen.

5.6 De raad heeft de zaak terugverwezen naar de deken met het verzoek nader onderzoek te verrichten naar de vraag of het zo is dat de geheimhoudingsplicht van verweerder inderdaad in de weg staat aan het voeren van verweer en zo ja, voor welke klachtonderdelen dit het geval is. Bij brief van 29 oktober 2024 heeft de deken de raad over het door hem verrichte onderzoek, het daarbij gehanteerde toetsingskader en zijn bevindingen geïnformeerd. De deken heeft de raad bericht dat naar zijn oordeel verweerder ter zake de klachtonderdelen 1 tot en met 8 een gegrond beroep heeft gedaan op zijn geheimhoudingsplicht, met uitzondering van de bij de klachtbrief ter onderbouwing van deze klachtonderdelen gevoegde bijlagen 4, 10, 25 (ten dele), 35 en 36. De raad heeft overwogen dat de deken bij de uitvoering van het aan hem opgedragen onderzoek het juiste toetsingskader heeft toegepast en is de deken in zijn conclusies gevolgd.

Verdere beoordeling

5.7 Klaagster heeft aangevoerd dat een (gedeeltelijk) gegrond beroep op de geheimhoudingsplicht er niet automatisch toe leidt dat een klacht ongegrond moet worden verklaard. Dit geldt in elk geval niet voor de klachtonderdelen die zijn onderbouwd met concreet en relevant bewijs.

5.8 Klaagster heeft ter onderbouwing van de klachtonderdelen 2 en 3 verwezen naar door haar overgelegde verklaringen van onder andere twee oud-bestuursleden van A, die door het OM in gespreksverslagen van augustus 2022 zijn vastgelegd. In de ene verklaring staat dat door het bestuur van A geen opdracht is gegeven tot beslaglegging en in de andere dat het beslag is gelegd zonder dat het bestuur hiervan op de hoogte was. De raad heeft overwogen dat op grond van deze verklaringen de juistheid van de klachtonderdelen 2 en 3 niet kan worden vastgesteld. Het gegronde beroep op het verschoningsrecht maakt dat verweerder hiertegen geen verweer kan voeren of correspondentie kan overleggen. Het gaat hier om de interne verhouding tussen de advocaat en zijn cliënte. Verweerder heeft namens zijn cliënte beslag gelegd voor een vordering. Een van de oud-bestuurders heeft ook schriftelijk verklaard dat de vordering bestond en er ligt ook een schriftelijke opdrachtbevestiging. Voorts staat vast dat verweerder in kort geding voor zijn cliënte is opgetreden. Ook is het niet de cliënt die verwijten maakt aan verweerder, in welk geval verweerder zijn geheimhoudingsverplichting ter zijde had kunnen leggen en volledig verweer voeren.

5.9 Klaagster verwijst ter onderbouwing van klachtonderdeel 7 naar een e-mail van 3 augustus 2022 en een verklaring van K. Het gegronde beroep op het verschoningsrecht maakt dat verweerder hiertegen evenmin verweer kan voeren en een door de deken aangegeven hoeveelheid correspondentie niet kan overleggen. De e-mail kan aldus niet op zijn waarde worden geschat omdat die kennelijk een onderdeel vormt van correspondentie die daarvoor is gevoerd.

5.10 Klaagster verwijst ter onderbouwing van klachtonderdeel 8 naar de inhoud van processtukken, uitlatingen ter zitting en uitspraken van gerechten. De uitspraken, inhoudende misbruik van recht en schending van de waarheidsplicht zijn niet gericht tot verweerder maar tot zijn cliënt(e), Om te beoordelen of verweerder rechters heeft misleid door niet de waarheid te spreken, is noodzakelijk te weten wat zijn cliënt(en) hem hebben verteld of laten zien (foto of film) en of verweerder wist dat hetgeen zijn cliënten hem vertelden, niet de waarheid was. Ook hiervoor geldt dat verweerder hierover geen uitspraken kan doen en dus geen verweer hiertegen kan voeren nu zijn geheimhoudingsplicht hem dit niet toelaat. De raad kon daarom niet vaststellen of verweerder rechters bewust onjuist heeft voorgelicht.

5.11 Ook voor de klachtonderdelen 1, 4 en 5 heeft de raad overwogen dat het gegronde beroep van verweerder op zijn verschoningsrecht niet alleen maakt dat verweerder wordt belemmerd in het voeren van verweer tegen de klacht, maar ook dat van een deugdelijke toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor niet kan worden gesproken. De raad kan aldus de met deze klachtonderdelen samenhangende feiten en omstandigheden niet in voldoende mate vaststellen. De raad heeft daarom de klachtonderdelen 1, 2, 3, 4, 5, 7 en 8 bij gebreke van een feitelijke grondslag ongegrond verklaard.

5.12 De raad heeft de klachtonderdelen 9 en 10 wel beoordeeld, omdat verweerder hierbij geen gegrond beroep op zijn geheimhoudingsplicht heeft gedaan.

5.13 De raad heeft klachtonderdeel 9 gegrond verklaard. De raad heeft overwogen dat verweerder ter zitting van 25 april 2022 een pleitnota heeft overgelegd met zeven producties die betrekking hebben op de inhoud en het verloop van de mediation. In de pleitnota heeft verweerder op die producties een toelichting gegeven. Openbaring van die stukken was gelet op de in kader van de mediation overeengekomen geheimhouding niet toegestaan.  Door die stukken toch in de procedure over te leggen en daarop in de pleitnota in te gaan heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dat verweerder het overleggen van de stukken aan de gemachtigde van klaagster heeft aangekondigd en de deken voorafgaand aan overlegging heeft geconsulteerd, ontneemt aan verweerders handelen niet het tuchtrechtelijk verwijtbare karakter.

5.14 Klachtonderdeel 10 betreft het verwijt aan verweerder dat hij geen duidelijkheid heeft gegeven over de vraag welke partijen hij als advocaat bijstond. Op de e-mailberichten van klaagsters gemachtigde van 17 april en 20 mei 2022, waarin daarom is gevraagd, is een reactie van verweerder uitgebleven. De raad heeft overwogen dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door deze e-mailberichten niet te beantwoorden, omdat verweerder ter zitting van 25 april 2022 als advocaat van B en A c.s. heeft opgetreden en vervolgens ter zitting van 24 juni 2022 voor zowel de man als de partner. Dit procesverloop maakt dat naar het oordeel van de raad niet kan worden gezegd dat klaagster in haar belangen is geschaad doordat onduidelijkheid heeft bestaan over de vraag voor wie verweerder optrad.

 

6 OMVANG HOGER BEROEP

6.1 Omdat de raad klachtonderdeel 9 gegrond heeft verklaard en verweerder tegen deze beslissing niet (tijdig) in hoger beroep is gekomen, maakt klachtonderdeel 9 geen onderdeel uit van de procedure in hoger beroep.

 

7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagster

7.1 Klaagster heeft de volgende beroepsgronden tegen de beslissing(en) van de raad aangevoerd:

Klaagster is ontvankelijk in klachtonderdelen 6 en 11

Gelet op de nauwe samenhang van klachtonderdeel 6 met de klachtonderdelen 1 - 5 (waarin het belang van klaagster wel is aangetoond) heeft klaagster wel een eigen belang bij klachtonderdeel 6.

Ook bij klachtonderdeel 11 heeft klaagster een eigen belang, omdat het doel van de intimidatie van de advocaat-stagiaires was om een wig te drijven tussen klaagster en haar advocaten en het kantoor van haar advocaten onder druk te zetten om de verdediging van klaagster neer te leggen.

Het beroep van verweerder op de geheimhoudingsplicht faalt

Verweerder heeft medewerking en volledige openheid van zaken aan de deken toegezegd; verweerder is ook verplicht om aan het onderzoek van de deken mee te werken; de tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen blijken al uit openbare en objectieve bronnen; verweerder heeft de noodzaak van zijn beroep op de geheimhoudingsplicht niet onderbouwd; het staat verweerder vrij om informatie die wél noodzakelijk zou zijn voor zijn verweer in het geding te brengen en hij mag zijn eigen laakbare gedrag tegenover klaagster niet afdekken om zo het tuchtrechtelijk toezicht te ontlopen.

De raad heeft ten onrechte de conclusies van de deken gevolgd. De deken heeft geheel niet toegelicht waarom verweerder zich naar zijn oordeel terecht op zijn geheimhoudingsplicht beroept. De deken is bovendien voorbijgegaan aan de instructies van de raad in de tussenbeslissingen en heeft de raad niet geïnformeerd "of de verklaringen van verweerder stroken met de inhoud van het dossier dan wel de dossiers die de deken in het kader van zijn onderzoek heeft ingezien" (eerste tussenbeslissing) en evenmin "of het zo is dat de geheimhoudingsplicht van verweerder inderdaad in de weg staat aan het voeren van verweer en zo ja, voor welke klachtonderdeel of delen dit het geval is" (tweede tussenbeslissing).

Klachtonderdelen 1 tot en met 6 zijn gegrond

De juistheid van de klachtonderdelen 2 en 3 kan wel degelijk worden vastgesteld op grond van de door klaagster ingediende bewijsstukken, ongeacht het beroep van verweerder op zijn geheimhouding. Dat verweerder zonder instructie van zijn cliënt verlof heeft gevraagd om beslag te leggen ten laste van klaagster en dat beslag vervolgens ook daadwerkelijk zonder instructie heeft gelegd, blijkt uit de gespreksverslagen van het OM met de bestuurders, uit het achteraf voorgelegde formulier om het al gelegde beslag goed te keuren en uit het bestuursmemo van 22 mei 2022. De inhoudelijke overwegingen van de raad zijn onjuist, omdat uit wat de raad heeft overwogen niet blijkt dat verweerder op enig moment een instructie heeft gekregen om beslagverlof te vragen en beslag te leggen.

Zelfs als verweerder wél een instructie zou hebben ontvangen om beslagverlof te vragen en beslag te leggen, had hij deze instructie moeten weigeren omdat dit beslag evident was gebaseerd op gefingeerde vorderingen en als enig doel had om rechtmatig verhaal door klaagster te frustreren, zoals inmiddels door drie rechterlijke instanties is bevestigd. Om die reden is ook klachtonderdeel 1 gegrond.

Het objectief vaststelbare feit dat verweerder het bestuur een formulier heeft laten ondertekenen om de achteraf als misbruik van recht bestempelde constructie goed te keuren (klachtonderdeel 5), wordt bevestigd door het formulier zelf, door de verklaringen van de bestuurders over dat formulier en door het bestuursmemo van 22 mei 2022. Dat verweerder het formulier bovendien onder valse voorwendselen heeft laten ondertekenen (klachtonderdeel 4), wordt bevestigd door dezelfde verklaringen en het bestuursmemo. De bestuurders hebben eensgezind bevestigd dat verweerder hen onjuist heeft voorgelicht over de houdbaarheid van het beslag en de kans van slagen van het opheffings-kortgeding. De klachtonderdelen 4 en 5 zijn daarom eveneens gegrond.

Klachtonderdeel 6 is gegrond, omdat de bestuurders eensgezind bevestigen dat verweerder weigerde om een kopie van dit formulier te verstrekken en de niet-uitvoerend bestuurder M bovendien heeft verklaard dat verweerder dit weigerde omdat hij bang was dat het formulier bij klaagster terecht zou komen en klaagster daardoor de kwade intenties van het beslag zou kunnen blootleggen.

Klachtonderdeel 7 is gegrond

Dit klachtonderdeel heeft betrekking op de laakbare betrokkenheid van verweerder bij de lasterwebsite Onrecht.nl. De gegrondheid van dit klachtonderdeel wordt bevestigd door de bewijsstukken die klaagster heeft overgelegd, te weten:

- bevestiging van de deurwaarder dat verweerder het eerste contact met de beheerder van de website heeft gelegd en de bevestiging van verweerder zelf ter zitting van 1 november 2022;

- het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024. Het arrest bevestigt verder (1) dat verweerder van zijn cliënten de opdracht heeft gekregen om via Onrecht.nl "de beeldvorming te keren" en om daarbij in te zetten "wat hiervoor ook nodig is, wat het ook kost", (2) dat verweerder ten behoeve van deze opdracht veelvuldig contact heeft gehad met de websitebeheerder en (3) dat verweerder tegenover de voorzieningenrechter niet de waarheid heeft gesproken over alle contacten met de websitebeheerder en daarmee "flagrant in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv" heeft gehandeld;

- de pleitnota van verweerder van 8 juni 2022, waarin hij verwees naar artikelen van de website en er een beroep op deed;

- de e-mails van verweerder en de websitebeheerder van 3 augustus 2022.

De raad is alleen ingegaan op de e-mails en aan de andere stukken voorbijgegaan. De e-mails zijn overigens ook zonder de overige correspondentie duidelijk.

Klachtonderdeel 8 is gegrond

De overwegingen van de raad zijn onjuist. Ten eerste wist verweerder van de onwaarheden die hij namens zijn cliënten aan de rechters voorhield. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat verweerder in zijn beslagrekest de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden door te verzwijgen dat klaagster op het punt stond om de onroerende zaken van de man te laten veilen en dat het beslag ertoe zou leiden dat deze veiling werd gefrustreerd. Verweerder was op de hoogte van de veiling.

Ten tweede beschikte verweerder over de bewegende beelden, waarvan stills zijn gebruikt voor het bewijsbeslag namens de partner d.d. 3 mei 2022. Verweerder heeft de verlofrechter bewust misleidend geïnformeerd op diens vragen over de beelden en of er foto’s waren en bewust de bewegende beelden achtergehouden. De bodemrechter heeft inmiddels bevestigd dat de verlofrechter is misleid.

Ook in het beslagrekest voor het bewijsbeslag van B verzweeg verweerder bewust essentiële feiten, te weten ten eerste dat hij zelf al eerder op precies dezelfde gronden verlof had gevraagd, maar dat dit verzoek was afgewezen en ten tweede het verweer dat klaagster al meermalen had aangevoerd tegen de gefingeerde vorderingen van B. De bodemrechter heeft inmiddels bevestigd dat de waarheidsplicht is geschonden.

Tijdens de zitting in het kort geding over de lasterwebsite Onrecht.nl van 24 juni 2022 hield verweerder bewust onwaarheden voor aan de voorzieningenrechter, namelijk uitdrukkelijk te betwisten dat zijn cliënten iets te maken zouden hebben met de lasterwebsite en door te beweren dat de websitebeheerder uit eigen initiatief zou handelen. Achteraf bleek dat verweerder al geruime tijd eerder contact gelegd had met de beheerder. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft de stellingen van verweerder inmiddels gekwalificeerd als "flagrant in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv".

In het kort geding tegen klaagster en haar advocaat d.d. 29 september 2022 heeft verweerder bewust twee eerdere procedures verzwegen die voor de beoordeling van belang waren.

In het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht d.d. 17 november 2022 verzweeg verweerder onder meer alle eerdere onderzoeken die bevestigden dat klaagster niet heeft gefraudeerd.

Voor zover verweerder niet wist van de onwaarheden, had hij in ieder geval van de feiten moeten weten. Hij had op zijn minst veel kritischer onderzoek moeten doen en bij een ontoereikend antwoord had hij deze handelingen niet moeten verrichten. Verweerder moet op de hoogte zijn geweest van het feit dat andere advocaten van de man tuchtrechtelijk laakbaar hebben gehandeld in zaken waarin zij in opdracht van de man handelden. Dat had (ook) voor verweerder een reden moeten zijn om zijn werkzaamheden extra zorgvuldig te verrichten. De door klaagster aangehaalde uitspraken bevestigen dat verweerder in vrijwel alle procedures tegen klaagster in strijd heeft gehandeld met de waarheidsplicht.

Klachtonderdeel 10 is gegrond

Het oordeel van de raad is onjuist, omdat verweerder niet pas tijdens de zittingen had moeten laten blijken namens wie hij in die procedures optrad, maar vóór de zittingen duidelijkheid had moeten verschaffen. Klaagster werd door de bewust gecreëerde onduidelijkheid in haar belangen benadeeld. De onduidelijkheid stelde verweerder onder meer in staat om de onrechtmatige beslagconstructie te creëren. De advocaat moet ervoor zorgdragen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij in een gegeven situatie optreedt (gedragsregel 9).

Klachtonderdeel 11 is gegrond

Klaagster verwijst naar hetgeen zij in eerste aanleg heeft aangevoerd en naar wat zij heeft aangevoerd over de ontvankelijkheid.

Subsidiair dient nader onderzoek plaats te vinden

Subsidiair vraagt klaagster het hof nader onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden die, op grond van het beroep van verweerder op zijn geheimhoudingsplicht en op grond van wat klaagster heeft aangevoerd, door de raad onbewezen zijn geacht.

Dat is mogelijk door getuigen te horen (artikel 57 lid 2 jo. 49 lid 4 Advocatenwet) of door de deken op te dragen nader onderzoek te doen (artikel 57 lid 3 Advocatenwet).

Deze subsidiaire beroepsgrond is voor zover nodig mede gericht tegen de tussenbeslissingen van de raad.

Meer subsidiair overeengekomen geheimhouding

Klaagster vraagt het hof meer subsidiair om partijen in de gelegenheid te stellen om afspraken te maken over het geheimhouden van informatie en stukken die onder de geheimhoudingsplicht van verweerder zouden vallen en die verweerder nodig zou hebben voor zijn verweer. Verweerder heeft deze mogelijkheid in eerste aanleg zelf naar voren gebracht en aangegeven dat hij "uiteraard wel degelijk inhoudelijk wil antwoorden en zich verantwoorden" en "geen verstoppertje spelen of zich onttrekken aan uitleg ”.

Verweer

7.2 Verweerder handhaaft zijn beroep op zijn geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht.

7.3 De bezwaren die klaagster richt tegen (de wijze van uitvoeren van) het dekenonderzoek zijn in de ogen van verweerder onjuist en tardief.

7.4 Klaagster heeft bij de raad niet om het horen van getuigen gevraagd. Dat kan geen beroepsgrond zijn en dit verzoek kan ook niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Een terecht beroep op de geheimhouding staat ook haaks op het horen van getuigen. Hetzelfde geldt voor de grond ‘nadere inlichtingen van de deken’. De deken heeft hoe dan ook geoordeeld dat verweerder terecht een beroep op zijn geheimhouding heeft gedaan. Een nader onderzoek verandert daar niets aan.

7.5 Beroepsgrond 9 betreft een (geclausuleerd) aanbod van verweerder, dat is gedaan in januari 2023. Het aanbod is bij gebreke van aanvaarding vervallen.

 

8 BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Overwegingen hof

Ontvankelijkheid klachtonderdelen 6 en 11

8.2 Het is vaste jurisprudentie van het hof dat als maatstaf geldt dat slechts kan worden geklaagd over een advocaat indien de klager door het handelen of nalaten van deze advocaat (rechtstreeks) in zijn eigen belang is of kan zijn getroffen en dat, voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke procedure is vereist, het klachtrecht door de deken wordt uitgeoefend; zie hiervoor onder meer HvD 31 oktober 2014, ECLI:NL:TAHVD:2014:302 en HvD 29 november 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:210.

8.3 Het enkele feit dat klachtonderdeel 6 verband houdt met de klachtonderdelen 1 tot en met 5, waarbij klaagster wel een eigen belang heeft, brengt nog niet met zich mee dat klaagster ook een rechtstreeks eigen belang heeft bij klachtonderdeel 6. De raad heeft terecht overwogen dat de weigering van verweerder om op verzoek van de CEO en de CFO van A aan hen een kopie van het door hen getekende besluit te geven, het belang van de CEO en de CFO raakt. Een eigen rechtstreeks belang van klaagster ontbreekt hier. Hetzelfde geldt voor klachtonderdeel 11. Alleen de advocaat-stagiaires, die zich geïntimideerd hebben gevoeld door het optreden van verweerder, konden daarover klagen. Het hof begrijpt dat klaagster de aankondiging van een kort geding tegen de stagiaires door verweerder heeft ervaren als een poging om - indirect - klaagster onder druk te zetten, maar dat is niet voldoende om een rechtstreeks eigen belang van klaagster vast te stellen.

8.4Beroepsgrond 1 faalt en de beslissing van de raad wordt in zoverre bekrachtigd. 

Geheimhoudingsplicht

8.5 Ook beroepsgrond 2 van klaagster faalt. Verweerder heeft tegenover klaagster - de wederpartij - een beroep mogen doen op zijn geheimhoudingsplicht jegens zijn oud-cliënten. Dat betekent echter niet dat de klachtonderdelen, waarvoor verweerder zich op zijn geheimhoudingsplicht heeft beroepen, ongegrond moeten worden verklaard vanwege het enkele feit dat verweerder zich daartegen niet heeft verweerd of kunnen verweren. Of die klachtonderdelen al dan niet gegrond moeten worden verklaard, hangt af van de feiten die, in dit geval met name aan de hand van de verschillende uitspraken van gerechtelijke instanties, ook zonder kennisneming van eventuele verweren van verweerder kunnen worden vastgesteld.

8.6 Het voorgaande betekent dat de subsidiaire beroepsgronden 8 en 9 geen bespreking behoeven.

Klachtonderdelen 1 tot en met 5 - derdenbeslag

8.7 Het hof ziet aanleiding om de klachtonderdelen 1 tot en met 5 gezamenlijk te behandelen. Het gaat hier om het door verweerder gelegde conservatoir derdenbeslag op de vordering van klaagster uit hoofde van verbeurde dwangsommen door de man. Het hof ziet in de klachtonderdelen 2 tot en met 5 eerder een toelichting op klachtonderdeel 1 dan zelfstandige klachtonderdelen. De feiten met betrekking tot dit beslag zijn hiervoor vastgesteld in 3.11 tot en met 3.16.

8.8 Uit de door klaagster overgelegde beschikking van de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam van 11 december 2025 (feiten 2.86 t/m 2.89) blijkt verder dat de man en mr. X zich in december 2021 al bezighielden met de voorbereiding van (onder andere) een procedure om beslag te leggen op de dwangsommenvordering van klaagster. In dat kader hebben zij A gevraagd om aannemelijk te maken dat A door toedoen van klaagster (negatieve uitingen over de man en zijn ondernemingen) schade had geleden. Op dat moment was verweerder nog niet als advocaat van de man c.s. in beeld.

8.9 Uit dezelfde beschikking blijkt dat verweerder op 8 maart 2022 (de datum waarop klaagster had aangekondigd dat zij onroerende zaken zou veilen) aan A heeft gevraagd om schade te onderbouwen aan de hand van “een onafhankelijke (accountant!) bevestiging” (feiten 2.92), dat niet duidelijk is wie verweerder opdracht heeft gegeven tot het leggen van beslag namens A (feiten 2.95) en dat de man en twee bestuurders pas na het leggen van het beslag, op 29 maart 2022, een verklaring hebben ondertekend met een voorlopige begroting van de vordering (feiten 2.96). Onder 4.22 heeft de Ondernemingskamer overwogen dat de beide bestuursleden deze verklaring hebben ondertekend, “ondanks dat zij wisten dat de inhoud daarvan niet juist was, dat dit niet in het belang van [A] was…”

8.10 Het hof overweegt als volgt. Uit de feiten blijkt dat de man zich, in eerste instantie bijgestaan door mr. X, kort na vaststelling van het bedrag van € 1.960.000,- aan dwangsommen door de rechtbank Den Haag op 25 november 2021, is gaan oriënteren op mogelijkheden om beslag te leggen op de door hem verschuldigde dwangsommen en aan A gevraagd heeft om een vordering op klaagster aannemelijk te maken en te onderbouwen. Daar is kennelijk niets mee gebeurd, totdat klaagster op 8 maart 2022 aankondigde onroerende zaken van de man te gaan veilen. Diezelfde dag heeft verweerder, die inmiddels (ook) door de man (en/of de partner) was ingeschakeld, (opnieuw) om onderbouwing van een vordering gevraagd. Ook toen is die onderbouwing uitgebleven. In het beslagrekest van verweerder van 23 maart 2022 wordt immers slechts in het algemeen een link gelegd tussen de omzetdaling van A enerzijds en de door A ondervonden negatieve publiciteit anderzijds, zonder enige concrete onderbouwing van de stelling dat het een en het ander aan klaagster te verwijten zou zijn.

8.11  Vervolgens heeft mr. X namens de man gezorgd voor een uitstel van de veiling van 14 dagen en heeft verweerder exact op de laatste dag van dat uitstel beslag gelegd. Van enige actieve bemoeienis van (enige bevoegde bestuurder van) A bij het innemen van het standpunt dat A een vordering op klaagster zou hebben of bij het voorbereiden, opstellen en indienen van het beslagverzoek is (ook achteraf) niet gebleken. Pas vijf dagen na de beslaglegging hebben twee bestuurders de beslaglegging ‘geaccordeerd’ door ondertekening van een door verweerder opgestelde verklaring.

8.12 Het hof is van oordeel dat verweerder minst genomen vraagtekens had moeten plaatsen bij deze gang van zaken en nader onderzoek had moeten doen naar het bestaan van de beweerdelijke vordering van A op klaagster. Dit klemt te meer omdat verweerder ermee bekend was (zoals ook blijkt uit zijn beslagverzoek) dat de man en klaagster al jarenlang waren verwikkeld in juridische procedures, waarvoor ook veel media-aandacht bestond. Verweerder had zich er verder vooraf van moeten verzekeren dat het leggen van beslag de wens van (de bevoegde organen van) A was en niet alleen de wens van de man (en/of de partner). Verweerder had zich ook kunnen en moeten realiseren dat een toetsing in kort geding van het door hem gelegde beslag onder de voorliggende omstandigheden heel goed zou kunnen leiden tot de beslissing (die er ook gekomen is), dat sprake was van misbruik van recht.

8.13 Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat verweerder heeft meegewerkt aan de uitvoering van een onrechtmatige juridische constructie ten behoeve van de man, die was opgezet met het doel om de tenuitvoerlegging van het vonnis van 25 november 2021 te frustreren. Daarbij heeft verweerder bovendien verzwegen dat klaagster op het punt stond om onroerende zaken van de man te veilen. In zoverre is het hof van oordeel dat de klachtonderdelen 1 tot en met 5 gegrond zijn en beroepsgrond 3 slaagt. Voor het overige zijn deze klachtonderdelen ongegrond.

Klachtonderdeel 7 - www.onrecht.nl

8.14 Het hof verwijst naar de feiten, vastgesteld in 3.17 tot en met 3.22. Vast staat dat verweerder contacten heeft gehad met K. Verweerder is degene geweest die het eerste contact met K heeft gelegd, zo blijkt uit de verklaring van de deurwaarder die K heeft gesproken. Verweerder heeft dat ook zelf erkend tijdens een zitting. Dat de contacten over de publicaties (en betalingen daarvoor) vervolgens enige tijd (tot aan het kort geding over de publicaties) via anderen zijn gelopen, doet daaraan niet af.

8.15 Later is verweerder ook weer in beeld gekomen. Omdat hij in cc is opgenomen in de e-mail van de man aan mr. X van 26 juni 2022 over de (derde) betaling aan K, was hij van die betaling minst genomen op de hoogte. Vervolgens heeft verweerder van de man op 17 juli 2022 opdracht gekregen om “de beeldvorming” te keren “wat hiervoor ook nodig is, wat het ook kost” en heeft verweerder blijkens zijn e-mail van 3 augustus 2022 concrete afspraken met K gemaakt over een “laatste donatie”, het openhouden van “dossier [de man]” en over publicaties en communicatie. K is ook na het kort geding vonnis negatief over klaagster blijven publiceren, zoals blijkt uit de kort gedinguitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 januari 2023, waarin de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de (dreiging van maximaal) verbeurde dwangsommen voor K geen prikkel had gevormd om zich aan het eerdere vonnis te houden en het vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang heeft verklaard.

8.16 Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder zich op verschillende momenten door de man heeft laten gebruiken voor het maken van afspraken over publicaties door K op de website www.onrecht.nl en dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen jegens klaagster oplevert. Beroepsgrond 4 slaagt. Klachtonderdeel 7 is gegrond.

Klachtonderdeel 8 - rechters misleid

8.17 Terecht heeft de raad overwogen dat de gerechtelijke uitspraken, inhoudende misbruik van recht en schending van de waarheidsplicht, niet zijn gericht tot verweerder maar tot zijn cliënten. Die uitspraken zijn op zich inderdaad niet bepalend voor de vraag of verweerder ook zelf rechters heeft misleid door niet de waarheid te spreken of essentiële informatie te verzwijgen. Een advocaat verwoordt het standpunt van zijn cliënt en dat doet hij in beginsel op basis van de informatie die zijn cliënt hem verstrekt. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten door de advocaat kan pas sprake zijn als vastgesteld kan worden dat de advocaat wist of had moeten weten dat de rechter onjuist of met achterwege laten van essentiële informatie werd geïnformeerd. In het bijzonder bij beslagverzoeken is het achterwege laten van relevante informatie ten voordele van de wederpartij relevant, omdat die wederpartij in beginsel in dat stadium niet wordt gehoord.

8.18 Hiervoor (8.12) heeft het hof al overwogen dat verweerder in het beslagrekest van 23 maart 2022 de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden door te verzwijgen dat klaagster op het punt stond om onroerende zaken van de man te laten veilen. Dat dit door de cliënten van verweerder is verzwegen is door de voorzieningenrechter en het gerechtshof in hoger beroep vastgesteld. Gelet op de vastgestelde feiten en in het bijzonder de data waarop verweerder bij A informatie heeft opgevraagd (8 maart 2022) en waarop verweerder het beslag heeft gelegd (24 maart 2022), acht het hof het praktisch uitgesloten dat verweerder niet van de veiling op de hoogte was. Voor zover verweerder al niet op de hoogte zou zijn geweest, had het op zijn weg gelegen om bij zijn cliënten na de vragen waarom juist nu zo dringend beslag moest worden gelegd, terwijl daar niet of nauwelijks een onderbouwde vordering aan ten grondslag lag.

8.19 Bij klachtonderdeel 7 is vastgesteld dat verweerder het eerste contact met K van www.onrecht.nl heeft gelegd. Dat betekent dat verweerder er tijdens de zitting in kort geding van 24 juni 2022 van op de hoogte was dat zijn cliënten wel degelijk iets te maken hadden met de website, anders dan hij expliciet en op meerdere manieren op deze zitting heeft betwist. Het hof verwijst naar de in 3.22 geciteerde overwegingen van het hof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 2 april 2024 over “de pleitnota van de advocaat van [de partner]”, zijnde verweerder en de vaststelling van het gerechtshof dat onder meer verweerder al in mei 2022 contact met K heeft gehad. Het gerechtshof heeft de stellingen van verweerder gekwalificeerd als "flagrant in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv".

8.20 Het hof is verder van oordeel dat verweerder op de vragen van de voorzieningenrechter in het kader van het bewijsbeslag namens de partner op 8 maart 2022 bewust onjuiste informatie heeft verstrekt. In het beslagverzoek heeft verweerder expliciet melding gemaakt van het feit dat er een video-opname was gemaakt, waarvan hij stills heeft gebruikt in het verzoekschrift. Door de voorzieningenrechter te antwoorden dat er geen foto was van het moment waar de rechter naar vroeg, heeft verweerder dan ook bewust een onjuist en misleidend antwoord gegeven, zoals ook de rechtbank Rotterdam in het eindvonnis van 5 april 2023 heeft overwogen. De rechtbank heeft de wijze waarop verweerder heeft geprocedeerd tegenover klaagster als onrechtmatig beoordeeld, omdat ten eerste op de videobeelden niets bijzonders te zien was en ten tweede de videobeelden zijn achtergehouden.  

8.21 Nadat verweerder op 14 maart 2022 een afwijzende beslissing had ontvangen van de voorzieningenrechter Rotterdam op zijn beslagverzoek voor B, heeft verweerder vervolgens op dezelfde gronden een nieuw beslagverzoek ingediend bij de rechtbank Overijssel op 29 april 2022, waarop wel verlof werd verleend. Het vonnis van de rechtbank Overijssel van 2 augustus 2023 (zie hiervoor in 3.10) is daarover volstrekt duidelijk. Verweerder heeft ernstig in strijd gehandeld met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv door de afwijzing van de Rotterdamse rechter te verzwijgen, door het verweer dat klaagster twee weken voor het beslagverzoek had gevoerd niet te vermelden en door onvermeld te laten dat er al vijf onderzoeken waren uitgevoerd naar de vermeende fraude van klaagster. De rechtbank beschouwde deze handelwijze als bijzonder kwalijk.

8.22 Ook tijdens het kort geding van 29 september 2022 bleken twee voor de beoordeling relevante procedures te zijn verzwegen, wat in strijd met het bepaalde in artikel 21 Rv werd betiteld. Tot slot heeft de rechtbank Den Haag op 23 december 2022 het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht afgewezen, omdat er inmiddels al zeven onderzoeken waren verricht en de man klaagster al vier jaar beschuldigde van fraude, maar daar nog nooit een begin van bewijs van had geleverd. Zelfs in de verste verte waren de redenen om nog een onderzoek te verrichten naar het oordeel van de rechtbank niet aangedragen.

8.23 Ook beroepsgrond 5 slaagt. Klachtonderdeel 8 is gegrond. Verweerder heeft in verschillende procedures informatie verstrekt waarvan hij wist dat deze niet juist was en relevante informatie, waarvan hij op de hoogte was, achtergehouden.

Klachtonderdeel 10 – geen duidelijkheid over cliënten

8.24 Het hof is van oordeel dat klaagster en haar advocaten er een duidelijk belang bij hadden om concreet te weten voor welke cliënten verweerder en/of mr. X feitelijk optraden. In de zaak van het gelegde derdenbeslag is immers gebleken dat mr. X aan de ene kant voor het benodigde uitstel van de veiling zorgde, terwijl verweerder aan de andere kant het beslag aan het voorbereiden was. Ook in de kwestie van de contacten met K hebben verweerder en mr. X ieder een eigen rol gespeeld, waarbij zij (een tijd lang) zaken op elkaar hebben kunnen afschuiven en wetenschap van het totale plaatje hebben kunnen ontkennen. Dat is niet hoe het een advocaat betaamt en bovendien in strijd met gedragsregel 9 dat een advocaat er geen misverstand over moet laten bestaan in welke hoedanigheid hij optreedt. Ook beroepsgrond 6 en klachtonderdeel 10 zijn gegrond.

Slotsom

8.25 Het voorgaande betekent dat de beslissing van de raad op de klachtonderdelen 1 tot en met 5, 7, 8 en 10 niet in stand kan blijven. De beslissing zal op die klachtonderdelen worden vernietigd en de betreffende klachtonderdelen worden (gedeeltelijk) gegrond verklaard.

 

9 MAATREGEL

9.1 De raad heeft (alleen) klachtonderdeel 9 gegrond verklaard en verweerder de maatregel van berisping opgelegd. Omdat het hof tot het oordeel komt dat het overgrote deel van de klachtonderdelen gegrond is, kan met een berisping niet worden volstaan. Het hof overweegt het volgende.

9.2 Toen verweerder in februari 2022 als advocaat voor de man en/of de partner ging optreden, werd er al vier jaar geprocedeerd tussen de man, de partner en aan hen gelieerde ondernemingen enerzijds en klaagster anderzijds. Vanaf de aanvang van zijn optreden voor de man en de partner was verweerder op de hoogte van het uitzonderlijke karakter van de geschillen (en de wijze van procederen) tussen de man, de partner, A en B enerzijds en klaagster anderzijds, de governance-verhoudingen bij A en B en de daaruit voortvloeiende en hiermee verband houdende onderzoeken en procedures. Het had alleen al daarom op de weg van verweerder gelegen om zich van het begin af aan goed te (laten) informeren over het verloop van de geschillen tot dan toe en zich kritisch op te stellen ten opzichte van de informatie die hij van zijn cliënten aangereikt kreeg.

9.3 In ieder geval geldt in deze situatie dat verweerder niet enkel heeft mogen uitgaan van de informatie die hem door zijn cliënten werd aangereikt en had het op zijn weg gelegen om daarnaar nader onderzoek te doen. Dat verweerder dit heeft gedaan blijkt nergens uit. Zo heeft hij meegewerkt aan een opzetje om de executie van dwangsommen door klaagster te frustreren op basis van een vage, niet onderbouwde vordering van A. Bovendien is dat hele verhaal praktisch volledig buiten de beweerdelijke schuldeiser - A - omgegaan. Verweerder is meegegaan in het leggen van beslag ten behoeve van de partner op basis van ernstige beschuldigingen jegens klaagster, die mede gebaseerd bleken te zijn op gemanipuleerde beelden (stills), die verweerder had kunnen en moeten controleren. Bijzonder kwalijk is dat verweerder aantoonbaar (en in rechte vastgesteld) in meerdere procedures - bewust - onjuiste en/of misleidende informatie aan de rechter heeft verstrekt, relevante feiten heeft verzwegen en betrokken is geweest bij de acties om klaagster via publicaties op www.onrecht.nl in een kwaad daglicht te stellen. Verweerder heeft vervolgens in deze klachtzaak geen enkel zelfinzicht of reflectie getoond.

9.4 Het hof is van oordeel dat verweerder ernstig tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld en bij zijn handelen de kernwaarde onafhankelijkheid volledig uit het oog heeft verloren. Daarbij past een zware sanctie. Het hof zal daarom aan verweerder een onvoorwaardelijke schorsing van 13 weken opleggen.

 

10 PROCESKOSTEN

10.1 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                

a) € 1.050,- [€ 525,- per punt] kosten voor rechtsbijstand van klaagster;

b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

c) �� 1.000,- kosten van de Staat.

10.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.050,- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

10.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

 

11 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

11.1 vernietigt de beslissing van 26 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort

‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 23-531/DB/LI, voor zover daarin de klachtonderdelen 1 tot en met 5, 7, 8 en 10 ongegrond zijn verklaard en aan verweerder de maatregel van berisping is opgelegd;

en doet opnieuw recht:

11.2  verklaart de klachtonderdelen 1 tot en met 5 gedeeltelijk gegrond (zoals overwogen in 8.13);

11.3  verklaart de klachtonderdelen 7, 8 en 10 gegrond;

11.4 bekrachtigt de beslissing van 26 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort

‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 23-531/DB/LI, voor het overige;

11.5 legt aan verweerder de maatregel op van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 13 weken; 

11.6   bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat op 1 juni 2026, met dien verstande dat:

- deze schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen;            

- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat;            

- deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;

11.7  veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 1.050,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

11.8 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg,

J.C.A.T. Frima, P.J.G. van den Boom en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van  mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

 

griffier                                                                                                       voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 1 mei 2026.