Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:128

Zaaknummer

250346D

Inhoudsindicatie

Dekenbezwaar betreffende een praktijkvoering in strijd met de kernwaarden kwaliteit (deskundigheid) en integriteit. Naast het dekenbezwaar zijn bij de raad en het hof gelijktijdig twee klachten van oud-cliënten behandeld (250343 en 250344). De raad heeft de klachten en het dekenbezwaar gegrond verklaard en verweerder de maatregel van schrapping van het tableau opgelegd. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. 

Uitspraak

Beslissing van 1 mei 2026 in de zaak 250346D

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

 

tegen:

 

deken van de Orde van Advocaten te Amsterdam

 

 

1    INLEIDING

1.1    Het dekenbezwaar betreft een praktijkvoering in strijd met de kernwaarden kwaliteit (deskundigheid) en integriteit. Naast het dekenbezwaar zijn bij de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) en het hof gelijktijdig twee klachten van oud-cliënten behandeld (250343 en 250344). De raad heeft de klachten en het dekenbezwaar gegrond verklaard en verweerder de maatregel van schrapping van het tableau opgelegd. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld van de beslissing van de raad. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft op het dekenbezwaar tegen verweerder (zaaknummer: 25-003/A/A/D) beslist op 8 september 2025. In deze beslissing is het dekenbezwaar gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van schrapping opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:155 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.2    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing van de raad is op 8 oktober 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.3    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    de e-mail van verweerder van 2 december 2025 met de bijlagen bij het beroepschrift;  -    het verweerschrift van de deken.

2.4    Het hof heeft verweerder op 4 november 2025 bericht dat het aanvullend beroepschrift van verweerder van 9 oktober 2025 buiten beschouwing wordt gelaten, omdat dit buiten de beroepstermijn is binnengekomen. Op grond van artikel 56 lid 3 van de Advocatenwet moeten immers alle beroepsgronden binnen de beroepstermijn van 30 dagen ter kennis van het hof worden gebracht. Ook heeft het hof de door verweerder op 26 februari 2026 nagezonden (omvangrijke hoeveelheid) stukken buiten beschouwing gelaten, nu die stukken niet zijn voorzien van een inventarislijst, noch van een toelichting (zie artikel 3.7 en 3.8 Procesreglement hof van discipline) en bovendien niet tijdig – namelijk binnen 10 kalenderdagen voor de mondelinge behandeling - bij het hof zijn ingediend (zie artikel 4.5 van genoemd Procesreglement). 

2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 6 maart 2026, gelijktijdig, maar niet gevoegd met de zaken 250343 en 250344. Daar zijn verschenen: verweerder met zijn gemachtigde mr. M. de Jong, en mr. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen, deken, met stafjurist mr. F. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij de gemachtigde van verweerder en de deken spreekaantekeningen hebben overgelegd, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.1    Verweerder heeft een civiele praktijk en richt zich enkel op non-conformiteitszaken rondom tweedehandsauto’s. Verweerder is de enige aan het kantoor verbonden advocaat. Bij het kantoor zijn verschillende (juridisch) medewerkers in dienst.

3.2    Verweerder is sinds 30 juni 2022 voorzitter van de Stichting Wettelijke Garantie (hierna: WSG). Via (de website van) deze stichting krijgt verweerder zaken doorverwezen van mensen die problemen hebben met een gekochte tweedehandsauto.

3.3    Op de website van het kantoor van verweerder was onder meer het volgende opgenomen.  -    onder de knop “gebruikte auto”: binnen 12-36 uur wordt een “wettelijke brief” verstuurd waarin de autohandelaar wordt gesommeerd de cliënt schadeloos te stellen. In veel gevallen zal dat volgens de site voldoende zijn en zal de autohandelaar bereid zijn de koop te ontbinden. Voor “Fase 1” wordt voor particulieren een bedrag van € 499,- in rekening gebracht en voor ondernemers € 499,- plus BTW. Wanneer de autohandelaar niet bereid is de koop te ontbinden en schadeloos te stellen, wordt een dagvaarding uitgebracht. Volgens de kantoorwebsite is dit “Fase 2”; -    onder het kopje “Tarieven” stond een beschrijving van de wijze waarop het kantoor een vergoeding in rekening brengt. Daar stond dat geen sprake is van een uurtarief, maar dat het de bedoeling is een vaste prijs overeen te komen op basis van een inschatting van de tijd die nodig is; -    en: “Welk deel van de noodzakelijke stappen die nodig zijn om uw probleem op te lossen, kunt u zelf doen. Wat u zelf kunt doen, kost mij geen tijd en bespaart dus op uw advocaatkosten.”

3.4    In opdrachtbevestigingen van verweerder staat, voor zover relevant:  “Het is verder verplicht om een uurtarief duidelijk te maken. Dat is bijvoorbeeld nodig als u veel vragen hebt en vaak contact opneemt met het advocatenkantoor. De vaste prijzen zijn voor het uitvoeren van het werk, niet voor het adviseren en vragen beantwoorden. Maar als u toch steeds contact opneemt en veel tijd vraagt, dan wordt die tijd in rekening gebracht. Let daar dus op en heb geduld. U krijgt vanzelf bericht. Vragen naar de status is echt niet nodig. Zodra iets te melden is, krijgt u daar bericht van.”

Dekenonderzoek

3.5    Tot 14 december 2023 hield verweerder kantoor in het arrondissement Noord-Holland en viel hij onder toezicht van de deken Noord-Holland (hierna: de deken NH). Nadat de deken NH van een cliënt van verweerder een signaal over verweerder had ontvangen en met verweerder een gesprek had gevoerd, heeft de deken NH een onderzoek aangekondigd naar de praktijk van verweerder.

3.6    Medio december 2023 heeft verweerder zijn kantoor verplaatst naar het arrondissement Amsterdam. Sindsdien valt hij onder toezicht van de deken Amsterdam. De betrokken dekens hebben afgesproken dat de deken NH het onderzoek naar verweerder zou voortzetten. 

3.7    De deken NH heeft het onderzoek op 24 maart 2024 afgerond. Zijn bevindingen zijn neergelegd in een rapport dat met de Amsterdamse deken is gedeeld. Daaruit blijkt dat de deken NH vijf zaken heeft geselecteerd uit gepubliceerde vonnissen in zaken waarbij verweerder betrokken was, en tien zaken uit een door verweerder aangeleverde zakenlijst. De dossiers van deze zaken zijn tijdens een kantoorbezoek onderzocht. 

3.8     In de loop van 2024 hebben de dekens verschillende meldingen over verweerder ontvangen en een signaal van de Raad voor Rechtsbijstand. Ook zijn verschillende klachten tegen verweerder ingediend. 

Meldingen vanuit de rechtbank Noord-Holland

3.9     Op 28 februari, 3 maart en 13 maart 2024 heeft de deken NH vanuit de rechtbank Noord-Holland verschillende meldingen over verweerder ontvangen. Verschillende rechters in de rechtbank Noord-Holland hadden slechte ervaringen met verweerder. 

3.10     In de melding van 28 februari 2024 van de president van de rechtbank Noord-Holland aan de deken NH staat, voor zover relevant: 

“(…) De ervaringen zijn ronduit slecht en zoals B (…) hieronder schrijft levert hij “bewijs” aan, geproduceerd door een stichting waar hij zelf ook weer deel van uitmaakt.    Wij hadden samen de zaak over de Mini Cooper, waarin we de vordering hebben afgewezen: (…) ECLI:NL:RBNHO:2023:13561    Recent had ik met [D] ook een zaak, waarin [verweerder] het nog bonter maakte. De auto stond al voor reparatie bij de Audi dealer (en de klant had leenauto gekregen) toen [verweerder] zijn standaard aanmaning verstuurde. Vervolgens heeft het autobedrijf de gerepareerde auto naar de klant teruggebracht, waarna die ermee op vakantie is gegaan. Tijdens de vakantie van de klant is het autobedrijf gedagvaard. Wegens schending waarheids- en volledigheidsplicht hebben we bij de proceskosten een correctiefactor 1,5 toegepast. Verder stelde de advocaat van het autobedrijf op de zitting aan de orde dat het formulier “Wettelijke Garantie Diagnose” van een stichting genaamd “Wettelijke Garantie” is, en dat die stichting van [verweerder] is, die dit beaamde. Heb ik zijdeling nog in het vonnis opgenomen. (…) ECLI:NL:RBNHO:2024:1792 (…)”

3.11      De meldingen vanuit de rechtbank Noord-Holland betroffen verder, samengevat: -     schending door verweerder van de waarheids- en volledigheidsplicht; -    in de zaken van verweerder zijn herhaaldelijk vorderingen afgewezen wegens het niet volledig naar voren brengen van de feiten en het onvoldoende onderbouwen van stellingen door verweerder, met als gevolg hoge(re) proceskostenveroordelingen voor de cliënten van verweerder; -    verweerder is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) als autohandelaar en krijgt aldus toegang tot informatiesystemen die bedoeld zijn voor garages en autohandelaren.

 

Overige bevindingen onderzoek deken NH 

3.12     Na dossieronderzoek heeft de deken NH geconstateerd dat in meerdere dossiers:

(i) geen schriftelijk advies van verweerder werd aangetroffen over de rechtspositie van de cliënt en de kansen en risico’s;

(ii) de dagvaarding bleek te zijn uitgebracht zonder procesadvies van verweerder aan de cliënt en zonder deze in concept voor te leggen aan de cliënt; en

(iii) de conclusie van antwoord en/of vonnis(sen) bleken te zijn doorgestuurd aan de cliënt zonder die te voorzien van enig commentaar van de zijde van verweerder.

3.13     Ook heeft de deken NH in het kader van zijn onderzoek geconstateerd dat verweerder met gestandaardiseerde ingebrekestellingen en dagvaardingen werkt die vervolgens onvoldoende zaak-specifiek worden gemaakt. Uit de onderzochte dossiers blijkt dat in procedures van verweerder veelvuldig wordt geoordeeld dat niet is voldaan aan de stel- en bewijsplicht. Veelvuldig zijn vorderingen afgewezen omdat verweerder zijn stellingen – mede in het licht van het gevoerde verweer – onvoldoende had onderbouwd.

3.14     De deken NH heeft verder geconstateerd dat verweerder de werkzaamheden grotendeels laat uitvoeren door bij hem in dienst zijnde medewerkers die geen advocaat zijn. Hij laat deze medewerkers ook werken in toevoegingszaken zonder dat geverifieerd is of zij voldoende opleiding genoten hebben.

3.15     Ook heeft de deken NH op basis van dossieronderzoek vastgesteld dat verweerder aan circa 85 cliënten, naast de inning van de eigen bijdrage, kosten voor een ingebrekestelling in rekening heeft gebracht, terwijl deze volgens de deken in de regel onder het bereik van de toevoeging zullen vallen. Ook heeft de deken NH geconstateerd dat door verweerder meer kosten in rekening worden gebracht in toevoegingszaken dan op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand is toegestaan. 

3.16     De deken NH heeft geconstateerd dat verweerder zijn cliënten onvoldoende informeert over te verwachten kosten. Hij wekt bij hen de indruk dat de voornaamste kosten van een procedure de kosten van de dagvaarding en de deurwaarderskosten (van circa € 500,-) zijn, terwijl de kosten in de praktijk een veelvoud daarvan zijn. In dat kader wijst de deken NH op de zaak die heeft geleid tot een vonnis van 22 november 2023 (ECLI:NL:RBMNE:2023:6270). Verweerder had zijn cliënt bij aanvang van die zaak met een standaardbrief bericht dat de kosten van een dagvaarding € 499,- bedroegen, zonder daarbij te vermelden wat de overige kosten van de procedure zouden zijn. Uiteindelijk heeft de cliënt in deze zaak € 3.387,12 aan declaraties moeten betalen aan verweerder.

3.17     De deken NH heeft in het najaar van 2023 een signaal ontvangen van een cliënt van verweerder die in aanmerking kwam voor een toevoeging. De deken heeft dit signaal onderzocht. Geconstateerd is dat deze cliënt naast de eigen bijdrage ook een bedrag van € 499,- aan verweerder moest betalen. 

Signaal Raad voor de Rechtsbijstand (RvR)

3.18     Op 17 april 2024 heeft de deken het volgende signaal ontvangen van de RvR:

“Tijdens ons laatste overleg vroeg u ons om bijzonderheden over het kantoor van [verweerder]. (…) •    [Verweerder] krijgt zaken vanuit de Stichting Wettelijke Garantie (…)  •    Op urenspecificaties staan vaak namen van kennelijke medewerkers van het kantoor, die bij de Raad niet bekend zijn. Hieruit blijkt dat veel werk wordt gedaan in dossiers door anderen dan [verweerder]. Als willekeurig voorbeeld, bij declaratie van de toevoeging met kenmerk 4PP9841 meldt [verweerder] 10.45 uur te hebben besteed aan het advies aan rechtzoekende. In de urenspecificatie treft de Raad onderstaande werkverdeling aan:  o    [EV] 2,45 uur  o    [JM] 7,15 uur (inclusief opstellen processtuk)  o    [AR] 0,10 uur  o    [verweerder] 0,5 uur  o    [LK] 0,25 uur  •    In het kader van bovenstaande kan nog gemeld worden dat [verweerder] met 6 man personeel op de kennismakingsbijeenkomst voor advocaten van de Raad verscheen. Hijzelf en juridisch medewerkers. Bij deze bijeenkomst bleek dat [verweerder] graag zag dat deze juridisch medewerkers voor hem naar de rechtbank zouden mogen gaan.  •    [Verweerder] is op zoek naar de randjes van het stelsel, zie bijgaande mailwisseling die hij stelde nodig te hebben om met de deken van Noord-Holland te bespreken. NB. [Verweerder] is gewezen op de mogelijkheid van de Adviestoevoeging Zelfredzaamheid (Atz), sinds de start van de regeling (Ratz) in juli 2021 heeft [verweerder] 2 Atz’s aangevraagd. NB. Hiertegenover staat dat de Raad wel moet meedelen dat in een tweetal Atz aanvragen door het Juridisch Loket is gemeld dat een reguliere toevoeging zou moeten worden aangevraagd.  •    In een zaak bij de kantonrechter, toevoegkenmerk 4PP6134, is de gemachtigde ter zitting, [mr. E]. De Raad heeft dit abusievelijk niet opgemerkt bij de declaratie. De heer [mr. E] is echter niet bekend bij de Raad. (…)”

Klacht van autohandelaar 

3.19     Op 1 november 2023 heeft een autohandelaar een klacht ingediend tegen verweerder. Omdat geen griffierecht werd betaald, heeft de deken deze klacht destijds niet in behandeling genomen. De deken heeft deze kwestie nadien wel onderzocht en het volgende geconstateerd. 

3.20     Bij verstekvonnis van 27 juni 2023 is de autohandelaar veroordeeld tot terugbetaling van de koopsom van een auto aan de koper van die auto, een cliënt van verweerder. Daarbij is bepaald dat de autohandelaar gehouden is, op straffe van dwangsommen, de auto op te halen en aan de koper een vrijwaringsbewijs te verschaffen. Verweerder heeft vervolgens namens zijn cliënt de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis ter hand genomen. Tussen 9 augustus 2023 en 2 september 2023 heeft verweerder beslag laten leggen op de bankrekeningen van de autohandelaar, diens eigen auto’s, een bromfiets, een aanhangwagen, de privéwoning, het bedrijfspand en een verhuurwoning.

3.21     Bij e-mailbericht van 5 september 2023 heeft de autohandelaar aan de deurwaarder laten weten de vordering te hebben voldaan. Bij exploot van diezelfde dag is aan de autohandelaar in persoon bevel gedaan tot betaling van de verbeurde dwangsommen en de kosten van de betekening. Op 21 september 2023 heeft de autohandelaar de auto opgehaald en is het vrijwaringsbewijs verstrekt. 

3.22     Op 22 september 2023 heeft de autohandelaar aan verweerder laten weten dat het beslag op de appartementen in verband met de overwaarde daarvan meer dan voldoende zekerheid bood. De autohandelaar liet daarbij weten dat hij bereid was om, zo nodig, het verschuldigde bedrag bij een notaris te deponeren of een bankgarantie te geven. Verweerder heeft op dit bericht niet gereageerd. Bij exploot van 26 september 2023 heeft de autohandelaar verzet aangetekend.

3.23     Verweerder heeft niet meer gereageerd op de berichten van de autohandelaar of diens advocaat. Verweerder heeft wel additionele beslagen namens zijn cliënt laten leggen. Zo heeft verweerder op 23 oktober 2023 nog derdenbeslag laten leggen op de huurpenningen van het verhuurappartement van de autohandelaar en op 30 oktober 2023 heeft hij beslag laten leggen op de handelsvoorraad van de autohandelaar. 

3.24     Op 6 november 2023 heeft de advocaat van de autohandelaar uiteindelijk een reactie ontvangen van een medewerker van het kantoor van verweerder. In deze reactie werd het aanbod van de autohandelaar om het bedrag bij de notaris te deponeren, afgewezen.

3.25     Op 14 november 2023 is de autohandelaar een executie kort geding gestart. Bij vonnis van 29 november 2023 heeft de kantonrechter van de Rechtbank Overijssel, locatie Almelo, geoordeeld dat sprake was van vexatoire en daarmee onrechtmatige beslagleggingen. In het vonnis heeft de kantonrechter tot uitdrukking gebracht: -     dat de gemachtigde van de autohandelaar in de periode van 22 september 2023 tot en met 1 november 2023 meerdere keren en op verschillende manieren heeft getracht in contact te komen met verweerder en dat door hem niet gereageerd is op de berichten; -     dat de autohandelaar op 1 november 2023 had aangeboden zekerheid te stellen via een depotstelling, waar verweerder op 6 november 2024 niet mee akkoord is gegaan; -     dat de veroordeling in het verstekvonnis heeft gezien op het terugnemen van de auto, het betalen van de bijbehorende kosten en het vrijwaren, dat de autohandelaar daaraan heeft voldaan, dat de autohandelaar daarnaast bedragen van € 7.964,43 en € 1.575,- heeft voldaan en dat de discussie ziet op de kosten die daarna zijn gemaakt en de dwangsommen die verbeurd zouden zijn geraakt; -     dat er dusdanig veel beslagen ten laste van de autohandelaar zijn gelegd dat sprake is van vexatoire en daarom onrechtmatige beslaglegging; -     dat van een prikkel tot nakoming niet meer kan worden gesproken en er sprake is van misbruik van recht.

Andere klachtzaken en dekenbezwaar 

3.26     Op 13 mei 2024 en op 20 augustus 2024 hebben twee voormalig cliënten van verweerder (respectievelijk klaagster in de zaak 250343 en klager in de zaak 250344) klachten tegen verweerder ingediend bij de deken. Voor de feiten in die klachtzaken verwijst het hof naar de uitspraken in die zaken, die eveneens heden worden gedaan. 

3.27     Voordien zijn vijf tuchtklachten tegen verweerder ingediend. Twee klachten zijn op 24 januari 2022 gegrond verklaard, twee andere zijn na de behandeling ter zitting ingetrokken. De vijfde klacht tegen verweerder is op 26 februari 2024 ongegrond verklaard. 

3.28     Daarnaast is eerder een dekenbezwaar tegen verweerder ingediend, dat op 24 januari 2022 gegrond is verklaard. De raad heeft in de beslissing op het dekenbezwaar van 24 januari 2022 onder meer overwogen dat verweerder de kernwaarden integriteit, onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid had geschonden. Het optreden van verweerder getuigde naar het oordeel van de raad van een gebrek aan elementair norm- en verantwoordelijkheidsbesef. Hem is uitdrukkelijk aangeraden een cursus of training in beroepsethiek te volgen in de hoop dat hem zo meer normbesef zou worden bijgebracht.

 

4    DEKENBEZWAAR

Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerder het volgende:

a)    Het handelen van verweerder is in strijd met de kernwaarde kwaliteit.

Verweerder handelt in strijd met de kernwaarde kwaliteit door: 

(i)    te werken met gestandaardiseerde brieven en dagvaardingen zonder deze zaakspecifiek te maken in de zin dat niet de volledige, juiste feiten worden opgesomd voorzien van een onderbouwing, 

(ii)    cliënten geen (schriftelijk) advies te verstrekken omtrent hun rechtspositie en de kansen en risico’s en een eventueel mondeling gegeven advies niet schriftelijk vast te leggen; 

(iii)    dagvaardingen uit te brengen zonder deze in concept aan cliënten voor te leggen en conclusies van antwoord van wederpartijen zonder inhoudelijk commentaar aan cliënten door te sturen, waarbij eventuele mondeling gegeven toelichtingen niet zijn vastgelegd;

(iv)    in procedures niet te voldoen aan de waarheidsplicht, het niet volledig naar voren brengen van de feiten en het onvoldoende onderbouwen van stellingen met afwijzingen van de vorderingen en hoge(re) proceskostenveroordelingen voor de cliënten tot gevolg; 

(v)    een grote hoeveelheid juridisch medewerkers aan zaken (mee) te laten werken en in rechte te laten optreden zonder de werkzaamheden te controleren en de eindverantwoordelijkheid te houden.

b)    Het handelen van verweerder is in strijd met de kernwaarde integriteit. 

Verweerder handelt in strijd met de kernwaarde integriteit door: 

(i)    geen duidelijke (financiële) afspraken te maken met cliënten; 

(ii)    voor het enkel verzenden van een standaard sommatiebrief € 499,- in rekening te brengen; 

(iii)    in toevoegingszaken, naast de eigen bijdrage en verschotten, kosten bij de cliënt in rekening te brengen;

(iv)    zaken eerst betalend te behandelen en daarna op toevoegingsbasis;

(v)    in procedures niet te voldoen aan de waarheidsplicht;

(vi)    misbruik van recht te maken door vexatoire, onrechtmatige beslaglegging; 

(vii)    niet (goed) bereikbaar te zijn voor (advocaten van) wederpartijen;

(viii)    het onder druk proberen een cliënte een klacht te laten intrekken en te laten rusten.

5    BEOORDELING RAAD

Bezwaaronderdeel a) handelen in strijd met de kernwaarde kwaliteit

5.1    De raad heeft de verwijten i), ii) en iii) gezamenlijk beoordeeld en onder verwijzing naar gedragsregel 16 overwogen dat hij de deken volgt in elk aspect van dit bezwaaronderdeel. In de kern komt dit bezwaaronderdeel erop neer dat verweerder in strijd handelt met de kernwaarde kwaliteit (deskundigheid) door een werkwijze die in hoge mate gestandaardiseerd is en waarbij processen zo min mogelijk worden verstoord door cliënten. Een zaakgerichte aanpak ontbreekt. De opdrachtbevestigingen van verweerder zijn algemeen geformuleerd, schriftelijke vastleggingen en op de zaak toegesneden kosteninschattingen worden niet verstrekt. De (gestandaardiseerde) dagvaardingen, conclusies van antwoord en de vonnissen worden zonder toelichting aan de cliënten doorgezonden, en cliënten worden niet in de gelegenheid gesteld hierop commentaar te geven.

5.2    Op grond van het dossier, het feitenrelaas, het verhandelde ter zitting en hetgeen verweerder hierover zelf naar voren heeft gebracht, heeft de raad vastgesteld dat verweerder in zijn praktijkvoering inderdaad een gestandaardiseerde aanpak hanteert. Verweerder zelf onderscheidt hierbij twee fasen. In de eerste fase, “fase 1”, wordt een brief aan een autohandelaar verstuurd waarin deze wordt gesommeerd om de cliënt van verweerder schadeloos te stellen. Wanneer de autohandelaar hiertoe niet bereid is en de koop niet wil ontbinden, wordt er een dagvaarding uitgebracht (“fase 2”). In de opdrachtbevestigingen van verweerder wordt steeds vermeld dat er een vaste prijs in rekening wordt gebracht voor het uitvoeren van het werk en dat dit niet ziet op het door verweerder adviseren of het beantwoorden van vragen. Cliënten worden er in de opdrachtbevestigingen expliciet op gewezen dat de tijd voor deze extra handelingen aanvullend in rekening zal worden gebracht. 

5.3    De opdrachtbevestigingen die verweerder hanteert, voldoen naar het oordeel van de raad niet. Op basis van het door beide dekens (ook dat van de deken NH) verrichte onderzoek, dat in zoverre niet (onderbouwd) is weersproken, wordt vastgesteld dat verweerder werkt met standaard opdrachtbevestigingen die vrijwel niet zijn toegespitst op de onderliggende zaak. De opdrachtbevestiging behelst talloze pagina’s waarin, in algemene zin, verschillende scenario’s zijn uitgeschreven. Door de grote hoeveelheid informatie die erin staat, is de opdrachtbevestiging van verweerder voor de lezer niet goed te doorgronden. Bovendien poogt verweerder in die opdrachtbevestiging ook nog eens een (gestandaardiseerd) procesadvies te verwerken waarbij niet wordt ingegaan op de specifieke omstandigheden van de zaak. Een opdrachtbevestiging moet juist inzichtelijk maken wat een advocaat voor een cliënt wel en niet doet en wat de concrete kansen en risico’s voor de cliënt zijn.

5.4    Verweerder heeft verder onvoldoende weersproken dat hij werkt met gestandaardiseerde brieven en dagvaardingen zonder deze voldoende zaakspecifiek te maken. Brieven en dagvaardingen worden uitgebracht zonder dat deze eerst in concept worden voorgelegd aan de cliënt. Anders dan het vermelden van de namen van de cliënt en wederpartij, het kenteken van het desbetreffende voertuig en de (van de cliënt overgenomen) opsomming van gebreken, zijn al deze brieven identiek. De van belang zijnde feiten worden niet volledig weergegeven, en een juridische onderbouwing of vertaalslag van de feiten door verweerder ontbreekt. Op eventuele verweren van de wederpartij wordt niet specifiek ingegaan. Evenmin worden cliënten door verweerder in de gelegenheid gesteld vragen te stellen of commentaar te geven op de concept(proces)stukken. Hiermee voldoet verweerder niet aan de kwaliteitseisen van de beroepsgroep. 

5.5    Het verweer van verweerder ziet erop dat deze gestandaardiseerde werkwijze mede zou voortkomen uit kostenbesparing. Verweerder zou zijn adviezen bovendien wel mondeling met zijn cliënten bespreken, zodat tijd en kosten worden bespaard. Dit verweer gaat naar het oordeel van de raad niet op. De deken heeft in geen van de onderzochte dossiers kunnen vaststellen dat verweerder zijn cliënten wel mondeling zou hebben geadviseerd. Enige vastlegging in het dossier van zo’n mondeling advies ontbreekt. Bovendien volstaat een mondeling gegeven advies niet. Een advocaat kan en mag niet verwachten dat een cliënt, zeker als deze niet juridisch is onderlegd, begrijpt wat er verteld wordt, dat alles beklijft en dat de cliënt, zonder schriftelijke vastlegging, de juiste beslissingen voor de voorgestelde processtrategie kan nemen. Zonder schriftelijke vastlegging is (in strijd met gedragsregel 16) niet kenbaar wat verweerder al dan niet met de cliënt heeft besproken en wat de cliënt op basis daarvan van verweerder mag verwachten. Bovendien is gebleken dat verweerder in de opdrachtbevestiging aan zijn cliënten benadrukt dat alles waar door hem extra tijd aan wordt besteed, extra geld gaat kosten. Cliënten worden geacht “geduld” te hebben en niet te vragen naar de status van de zaak. “Zodra iets te melden is, krijgt u daar bericht van”, zo staat vermeld in de opdrachtbevestiging. Cliënten worden daarmee actief ontmoedigd om (mondeling) contact op te nemen of aanvullende vragen te stellen, terwijl van een advocaat juist mag worden verwacht dat hij zijn cliënten genoegzaam en zorgvuldig informeert.

5.6    Verweerder heeft betoogd dat zijn werkwijze inmiddels aanzienlijk zou zijn verbeterd, dat hij meer zogenaamde checks and balances in zijn werkwijze zou hebben ingebouwd en zijn cliënten uitgebreider zou adviseren. Een dergelijke verbetering doet niet af aan de stelselmatige tekortkomingen die de deken heeft vastgesteld, maar dit verweer is ook op geen enkele wijze door verweerder - met stukken, voorbeelden van adviezen of anderszins - onderbouwd en van deze verbetering is de raad ook overigens niet gebleken.

5.7    Met betrekking tot bezwaaronderdeel iv) heeft de raad overwogen dat een advocaat de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid moet aanvoeren (zie ook artikel 21 Rv). Een advocaat streeft voorts een doelmatige behandeling van de zaak na. Het maken van onnodige kosten ten laste van de cliënt, of de wederpartij, moet worden vermeden. Een advocaat mag daarnaast niet nodeloos of op ontoelaatbare wijze de belangen van de wederpartij schenden. De deken NH heeft vanuit de rechtbank Noord-Holland melding ontvangen dat verweerder in procedures nalaat om de feiten volledig naar voren te brengen en zijn stellingen te onderbouwen en in zijn dossieronderzoek is dat beeld bevestigd. De raad verwijst naar de zaak ECLI:NL:RBNHO:2024:1792, waarin bij de proceskostenveroordeling een correctiefactor van 1,5 is toegepast omdat verweerder de waarheids- en volledigheidsplicht heeft geschonden.

5.8     De deken heeft ter zitting gemeld dat zij nog heeft gekeken naar de gepubliceerde uitspraken in zaken van verweerder en dat hieruit een ontluisterend beeld naar voren komt. In 20 van de 29 zaken zijn de vorderingen van de cliënt van verweerder afgewezen omdat de feiten onvoldoende naar voren waren gebracht of stellingen onvoldoende waren onderbouwd, in vijf zaken bleek geen sprake van consumentenkoop zodat de zaak door verweerder bij de verkeerde rechter was aangebracht en in drie zaken was de autohandelaar niet in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen. In de onderzochte uitspraken kwam ook een aantal incidenten naar voren, zoals een geval waarin verweerder niet op de hoogte bleek van de behandeling ter zitting, een geval waarin tegen beter weten in de verkeerde partij was gedagvaard zodat de cliënt werd veroordeeld in de reële proceskosten en een geval waarin in een verstekzaak de proceskosten werden gecompenseerd omdat sprake was van een onbegrijpelijke processtrategie. Hoewel aan verweerder moet worden toegegeven dat dit onderzoek niet alle door verweerder behandelde zaken betreft en in die zin niet volledig is geweest, kan volgens de raad aan het beeld dat daaruit voortkomt toch betekenis worden toegekend, omdat het onderzoek wel alle in de zaken van verweerder gepubliceerde uitspraken betreft. Dat er ook zaken zullen zijn geweest die in het voordeel van zijn cliënt zullen zijn beslecht (maar kennelijk niet gepubliceerd zijn), zoals verweerder ter zitting heeft aangevoerd, maakt niet dat aan de bevindingen van de deken geen betekenis toekomt. Deze additionele informatie die door de deken ter zitting is medegedeeld ligt in de lijn van hetgeen overigens uit het dossier blijkt. Ook zonder deze additionele informatie zou de beoordeling van dit bezwaaronderdeel niet anders zijn geweest.

5.9     Het geschetste beeld vindt ook bevestiging in de twee gelijktijdig door de raad behandelde klachtzaken (bij het hof: de zaken met zaaknummers 250343 en 250344). In de eerste klachtzaak staat vast dat verweerder een cruciaal bericht van de autoverkoper had gemist, inhoudend dat de auto klaar stond om te worden opgehaald. Hierdoor is de cliënte van verweerder onjuist geadviseerd en onnodig op kosten gejaagd. In de andere klachtzaak is gebleken dat (kantoorgenoten van) verweerder verschillende e-mails van de cliënt niet goed (hebben) heeft gelezen, waardoor - op volstrekt verkeerde aannames en met voorbijgaan aan de hulpvraag van de cliënt - een standaard-ingebrekestelling aan een autohandelaar is verzonden en bij de cliënt onnodige kosten in rekening zijn gebracht. Beide klachten zijn gegrond verklaard.

5.10     Voor zover verweerder heeft aangevoerd dat hij nu anders te werk gaat en dat het hiervoor bedoelde beeld moet worden bijgesteld, had het op zijn weg gelegen om daar een gedegen onderbouwing van aan te leveren. Verweerder heeft dat nagelaten. Ter zitting heeft hij volstaan met een aantal algemene, niet nader onderbouwde, verweren in reactie op wat de deken naar voren heeft gebracht. Ook in zijn reactie van 24 augustus 2024 op het concept dekenbezwaar heeft hij slechts in algemene zin verwezen naar continue verbetering van zijn werkwijze "op basis van feedback van rechters" en een enkel voorbeeld. Dit was voor de raad ontoereikend om de omvangrijke en concrete onderzoeksbevindingen van de dekens te weerleggen. 

5.11     Bezwaaronderdeel v) betreft de grote hoeveelheid juridisch medewerkers, die aan zaken (mee) werken en in rechte optreden zonder dat verweerder hun werkzaamheden controleert en de eindverantwoordelijkheid houdt. Uit het dekenonderzoek en hetgeen verweerder hierover zelf naar voren heeft gebracht, is de raad gebleken dat verweerder de enige op het kantoor werkzame advocaat is. Verweerder heeft verschillende medewerkers (paralegals) in dienst. Het laten verrichten van werkzaamheden door medewerkers die geen advocaat zijn, hoeft op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar te zijn. De advocaat moet de werkzaamheden van de medewerkers echter wel controleren, de eindverantwoordelijkheid houden en instaan voor de kwaliteit van het verrichte werk. Dat betekent dat de advocaat bij de inrichting van processen die geheel of gedeeltelijk door paralegals worden uitgevoerd, dient te zorgen voor de nodige (kwaliteits)waarborgen. Uit de toelichting op gedragsregel 13 volgt dat een advocaat niet alleen instaat voor de kwaliteit van de door hem ingeschakelde medewerkers, maar - op grond van de kernwaarde deskundigheid - gehouden is ook zelf zijn cliënten met een adequaat kennisniveau bij te staan.

5.12     Naar het oordeel van de raad is verweerder er niet in geslaagd om in de hiervoor bedoelde waarborgen te voorzien bij de inrichting van zijn kantoor. Verweerder is met zijn gestandaardiseerde aanpak en veelheid aan medewerkers zo gericht op massaproductie, dat het voor verweerder niet mogelijk was ondertussen zelf voldoende toe te zien op de kwaliteit van de verrichte werkzaamheden en de door zijn medewerkers verrichte werkzaamheden te blijven controleren. Zeker niet nu verweerder naar eigen zeggen zijn medewerkers ook opleidt. Waar de regel voor advocaten is dat, in het kader van een goede opleiding, een patroon maximaal twee (advocaat-)stagiaires mag begeleiden, met ook nog eens minimaal één jaar ertussen, moet worden geoordeeld dat verweerder, die ten tijde van het dekenonderzoek, zoals onweersproken is gebleven, maar liefst 16 juridisch medewerkers onder zich had, onvoldoende in staat was toezicht te houden en begeleiding te bieden. 

5.13     Dat verweerder geen goed toezicht heeft op zijn medewerkers volgt ook uit het signaal van de RvR hierover en de hiervoor genoemde klachten tegen verweerder. In deze zaken heeft verweerder berichten gemist, bij gebrek aan een goede controle op zijn medewerkers. Verder blijkt uit de meldingen van de rechtbank Noord-Holland ook dat verweerder niet goed op de hoogte was van de stand van zaken in dossiers. Weliswaar heeft verweerder het team van medewerkers inmiddels verkleind, maar dat neemt niet weg dat verweerder de onwenselijke situatie geruime tijd heeft laten bestaan. Bovendien is niet toegelicht op grond waarvan moet worden aangenomen dat het toezicht van verweerder op de medewerkers nu wel op orde is. Zoals de deken - onweersproken - heeft toegelicht, is in elk geval nog steeds niet in deugdelijke waarneming voorzien voor het geval verweerder onverhoopt (zoals onlangs het geval was) uitvalt. In die gevallen is er wel een waarnemend advocaat die als vraagbaak voor de medewerkers fungeert, maar geen advocaat die toeziet op de gang van zaken in de advocatenpraktijk. 

5.14     De raad heeft overwogen dat verweerder de kernwaarde kwaliteit/deskundigheid herhaaldelijk en op verschillende manieren heeft geschonden. Onder verantwoordelijkheid van verweerder worden in zijn praktijk steeds dezelfde gestandaardiseerde stukken gebruikt, zonder dat men zich verdiept in de zaakspecifieke omstandigheden of een op de zaak toegesneden advies geeft. Ook heeft hij op verschillende manieren in strijd met gedragsregel 16 gehandeld door niet aan de verplichting van een schriftelijke vastlegging te voldoen en (proces)stukken zonder enige toelichting door te sturen en zonder dat cliënten hierop vooraf commentaar hadden kunnen geven. Daarnaast worden in procedures stelselmatig feiten en stellingen ingenomen die onvoldoende worden onderbouwd. Ten slotte heeft verweerder, in strijd met gedragsregel 13, onvoldoende toezicht gehouden op de kwaliteit van het geleverde werk (van zijn paralegals). De raad heeft bezwaaronderdeel a) integraal gegrond verklaard.  Bezwaaronderdeel b) handelen in strijd met de kenwaarde (financiële) integriteit 

5.15     De raad heeft de onder b) gemaakte verwijten gezamenlijk beoordeeld en overwogen dat een advocaat duidelijke afspraken dient te maken met zijn cliënten, ook over de kosten. Er moet een inschatting worden gemaakt van de te maken kosten. Ook dient hij zijn cliënten op de hoogte te stellen zodra hij voorziet dat de declaratie aanmerkelijk hoger zal worden dan aanvankelijk geschat. Daarbij dient hij het maken van onnodige kosten te vermijden. Het is verder niet toegestaan een zaak eerst betalend te behandelen en daarna op toevoegingsbasis (Hof van Discipline 1 december 2014, ECLI:NL:TAHVD:2014:370). Gedragsregel 18 bepaalt dat een advocaat bij het begin van de zaak en verder telkens wanneer daartoe aanleiding bestaat, verplicht is met zijn cliënt te overleggen of er termen zijn om te trachten door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen, tenzij hij goede gronden heeft om aan te nemen dat zijn cliënt hiervoor niet in aanmerking komt. Bovendien moet de advocaat, wanneer de cliënt (mogelijk) in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp maar niettemin verkiest daarvan geen gebruik te maken, dit op grond van deze regel schriftelijk vastleggen. Dit is om misverstanden te voorkomen en te bewerkstelligen dat de cliënt zich de consequenties van zijn keuze realiseert. Op grond van artikel 4 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand is het niet toegestaan om naast de eigen bijdrage en verschotten ook de kosten bij een cliënt in rekening te brengen door een zaak eerst betalend te behandelen en daarna op toevoegingsbasis. 

5.16     Uit het onderzoek van de deken blijkt dat verweerder in verschillende dossiers geen duidelijke afspraken heeft gemaakt over de kosten. Wat verweerder over de kosten en de manier van declareren in de (standaard) opdrachtbevestigingen aan zijn cliënten schrijft, is zeer onduidelijk. Dit terwijl verweerder als advocaat nu juist gehouden is duidelijke afspraken te maken over zijn honorarium en de wijze van declareren. Een cliënt moet weten waar hij mee instemt, wat het ongeveer gaat kosten en er moet op basis daarvan een weloverwogen keuze gemaakt kunnen worden. De deken wijst er daarnaast op dat verweerder verzuimt om adequate kosteninschattingen te maken. In de door de deken Noord-Holland onderzochte zaken is door verweerder richting zijn cliënten veelvuldig de indruk gewekt dat de kosten van een procedure samenvallen met de kosten van een dagvaarding en deurwaarder, terwijl deze in werkelijkheid veel hoger uitvallen. 

5.17     Verder wijst de deken erop dat (i) verweerder € 499,- of € 596,- in rekening brengt voor een standaard sommatiebrief, en deze kosten bovendien - in strijd met het Besluit vergoedingen rechtsbijstand - in toevoegingszaken regelmatig naast de eigen bijdrage en verschotten in rekening brengt bij de cliënt en dat (ii) hij zaken eerst betalend behandelt en daarna op toevoegingsbasis. De raad ziet - bij gebrek aan een onderbouwd verweer - geen aanleiding om van deze bevindingen van de deken af te wijken en neemt deze over. In aanvulling daarop overweegt de raad het volgende.

5.18     Verweerder miskent dat hij per zaak aan de hand van de zaakspecifieke omstandigheden moet bezien of deze wel of niet onder het bereik van een toevoeging valt. Een advies dat hij van de RvR heeft ontvangen in een situatie waarin volgens de RvR sprake was van zelfredzaamheid, wordt door verweerder - klaarblijkelijk in het kader van zijn gestandaardiseerde aanpak - ten onrechte veralgemeniseerd. Verweerder miskent daarmee dat het adviseren over de rechtspositie van een cliënt en het sturen van een ingebrekestelling vooruitlopend op een (eventuele) procedure, in beginsel onder het bereik van een toevoeging valt (en dat, voor gevallen waarin dit niet zo is, mogelijk ook een Adviestoevoeging Zelfredzaamheid kan worden aangevraagd). 

5.19     Verweerder heeft in kader van het dekenonderzoek niet kunnen aantonen dat hij, zoals hij eerder had aangevoerd, daadwerkelijk overging tot verrekening van het van cliënten ontvangen bedrag met de eigen bijdrage in gevallen waarin al bedragen bij cliënten waren geïnd en alsnog positief op een toevoegingsaanvraag werd beslist. Ook tegen deze bevindingen van de deken heeft verweerder niets ingebracht, zodat de raad ook hiervan uitgaat. Dit betekent dat verweerder in toevoegingszaken in strijd met artikel 4 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, heeft gehandeld door een zaak eerst betalend te behandelen en daarna op toevoegingsbasis. Ook heeft verweerder onbesproken gelaten de stelling van de deken dat bij de deken Noord-Holland ten minste twee signalen zijn ontvangen van cliënten die melden dat verweerder naast de eigen bijdrage van een verleende toevoeging - en daarmee ten onrechte - ook andere kosten in rekening heeft gebracht (te weten een bedrag van € 499,- in een zaak die speelde in het najaar van 2023, en een factuur betreffende kosten in februari 2024).

5.20     Ook voor zover het dekenbezwaar inhoudt dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt door op vexatoire wijze beslag te leggen en zich onvoldoende bereikbaar te houden voor (advocaten) van wederpartijen, wordt dit door de raad onderschreven. Ook deze beide verwijten vinden naar het oordeel van de raad voldoende steun in het dekenonderzoek, dat door verweerder ook in zoverre niet voldoende is weerlegd, en in de weergave van de feiten. De raad heeft bezwaaronderdeel b) gegrond verklaard.

Maatregel

5.21    Met betrekking tot de maatregel heeft de raad overwogen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de kernwaardes kwaliteit/deskundigheid en (financiële) integriteit te schenden. Bij het bepalen van de hoogte van de maatregel heeft de raad ook in aanmerking genomen wat is overwogen en beslist in de gelijktijdig door de raad behandelde twee klachtzaken. Gezien de aard, de ernst en de omvang van het dekenbezwaar en van de (gegrond bevonden) klachten in die zaken, in samenhang met eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen, en gelet op het vertrouwen dat in de advocatuur moet kunnen worden gesteld, heeft de raad geoordeeld dat schrapping van het tableau van verweerder dient te volgen en dat niet met een lichtere sanctie kan worden volstaan. Verweerder heeft ter zitting bij de behandeling van het dekenbezwaar een aarzelend en nauwelijks geconcretiseerd verweer gevoerd. Hij heeft zijn verweer nauwelijks van concrete onderbouwing voorzien. Hij heeft zich niet van spreekaantekeningen bediend en - behalve met zijn schriftelijke reactie op het concept-bezwaar van 24 augustus 2024 - geen schriftelijk verweer gevoerd. Daarbij komt dat verweerder niet concreet heeft kunnen maken op welke manier hij van zijn handelen heeft geleerd. Hij verwacht, naar eigen zeggen, hulp en advies te ontvangen van de deken, maar miskent daarmee dat de deken geen hulpverlener maar vooral toezichthouder is. Ook baart het de raad grote zorgen dat verweerder geen inzicht heeft getoond in het verwijtbare karakter van zijn handelen, dat niet alleen de kwaliteit van zijn dienstverlening betreft maar ook de kantoororganisatie. Verweerder wil, naar de raad begrijpt, vooral verder met het optimaliseren van het bedrijfsmodel waarmee hij kopers die problemen ervaren bij de aanschaf van een auto wil helpen, zonder dat hij inziet dat het aan een advocaat is om aan elke cliënt maatwerk te leveren. Dat de belangen van verschillende cliënten door zijn gestandaardiseerde aanpak ernstig worden veronachtzaamd, lijkt hij op de koop toe te nemen. Hij geeft daarmee blijk van een fundamenteel gebrek aan inzicht in zijn verantwoordelijkheden en verplichtingen als advocaat.

 

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden Verweerder

Verweerder heeft in beroep het volgende aangevoerd: 

6.1    Totstandkoming dekenbezwaar: Verweerder vraagt aandacht voor de wijze waarop de deken het onderzoek heeft uitgevoerd. Verweerder heeft, mede in verband met de vakantieperiode, uitstel gevraagd om te reageren op het concept-dekenbezwaar (een 135 pagina’s tellend document). Dat verzoek is (uiteindelijk) gehonoreerd, maar niet tot de door verweerder gevraagde datum. Vervolgens ontving verweerder pas na drie maanden een nieuwe versie van het dekenbezwaar, dat meer dan verdubbeld was ten opzichte van de eerste versie. Ook deze keer is niet volledig met het verzoek om uitstel van verweerder ingestemd. De deken zag ook geen aanleiding voor het door verweerder gevraagde persoonlijk onderhoud. Eerder was de deken NH te druk geweest om in te gaan op hulpverzoeken van verweerder. Die deken was al vanaf 2022 bezig met een onderzoek achter de schermen en heeft vanaf het begin van 2023 zelfs actief klachten verzameld. De deken Amsterdam schetst het beeld verkeerd. Haar houding voelt enorm vooringenomen en eenzijdig ingestoken aan. Na het kennismakingsgesprek hoorde verweerder niets meer van haar tot hij maanden later ineens werd verrast met een eenzijdig en onvolledig gespreksverslag dat dat als bijlage bij het concept dekenbezwaar is gevoegd. Er was geen hoor en wederhoor toegepast. Verweerder heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de deken heeft dat verslag ‘verwijderd’ uit het concept dekenbezwaar.

6.2    Aanvulling van de feiten: De deken heeft het bezwaar aangevuld met de twee klachten van oud-cliënten (hof: de zaken 250343 en 250344). Zij heeft dat eenzijdig gedaan door wel op meerdere punten aan te geven waarover geklaagd is, maar daarbij niet te benoemen wat het standpunt van verweerder daarin is. Dat komt pas beknopt aan het einde van het dekenbezwaar aan de orde. Het merendeel van de klachtonderdelen berust niet op feiten, maar op een verkeerd beeld van de feiten zijdens de klagers. Dat is de deken bekend, maar zij laat na het te benoemen. Dat maakt het dekenbezwaar ‘gekleurd’ en niet waarheidsgetrouw. Het feit dat klaagster in de zaak 250343 heeft gekregen waar ze recht op had en dat verweerder succes heeft geboekt, is volledig genegeerd. Dat klaagster een andere auto had gekocht, heeft zij niet met verweerder overlegd. Dat zij daaruit nadeel heeft ondervonden, blijkt nergens uit. De stelling dat klager in de zaak 250344 € 499,- heeft betaald ‘voor eigenlijk helemaal niks’, is door de deken geponeerd als feit, terwijl zij weet dat dit niet de waarheid is. Klager in die zaak heeft verweerder de kans ontnomen om zijn zaak tot een goed einde te brengen. Verweerders wil om een gemaakte fout recht te zetten, is niet weergegeven. 

De beschikbaarheid van deskundige sociale advocaten voor de specifieke problematiek betreffende occasionverkopen door autobedrijven aan consumenten is beperkt tot het aantal van 3 advocaten, waarvan verweerder er één is. Hij begrijpt niet waarom hij op de korrel wordt genomen. Enkele van alle mensen die verweerder helpt, zullen nooit tevreden zijn, maar hij blijft zijn best doen en zich inzetten voor het helpen van mensen die een goede auto kopen, maar een gebrekkige auto ontvangen. Verweerder verwijst naar een door de raad ongegrond verklaarde klacht (RvD 26 februari 2024, ECLI:NL:TADRAMS:2024:39) en wijst erop dat de deken NH volgens zijn dekenvisie had verwacht dat de klachten deels gegrond zouden worden verklaard. 

6.3    Het dekenbezwaar bevat foutieve weergaven van feiten en omstandigheden. -    De deken NH is zijn onderzoek pas gestart na de verwerking van verweerders verhuizing en was dus niet meer de bevoegde deken. De deken NH heeft op 12 december 2023 geen onderzoek aangekondigd. Verweerder betwist dat de deken NH hem op 12 december 2023 heeft geduid op welke wijze binnen de kaders van de advocatuur gehandeld moet worden en dat verweerder in reactie daarop kenbaar zou hebben gemaakt het daarmee niet eens te zijn. -    De deken heeft niet correct weergegeven hoe fase 2 in zijn werk gaat. Soms wordt fase 2 ingezet voordat een toevoeging is verkregen. Dan wordt de vaste prijs in rekening gebracht, maar dat wordt verrekend met de eigen bijdrage als later een toevoeging is verkregen. Cliënten betalen nooit een honorarium voor werkzaamheden die onder de toevoeging vallen. -    Ook wordt geen eigen bijdrage naast nóg een bedrag van € 499,- in rekening gebracht. De RvR wijst geen vergoeding toe voor fase 1. Als de cliënt ervoor kiest niet te procederen, wie moet dan de werkzaamheden van verweerder betalen? Verweerder heeft hiervoor hulp van de deken gevraagd. Het is de RvR die de ingebrekestelling schaart onder zelfredzaamheid. Deze situatie is niet vergelijkbaar met die van een advocaat die betaling vraagt van werkzaamheden die onder de toevoeging vallen. Fase 1 komt niet voor een toevoeging in aanmerking en daarom biedt verweerder dit betalend aan. Op vragen over de toepassing van de Adviestoevoeging Zelfredzaamheid (Ratz of Atz) krijgt verweerder van de RvR afwijkende antwoorden. -    In geen enkel geval is het vonnis aan cliënt doorgestuurd zonder enig commentaar daarop. Een onverhoopt afwijzend vonnis wordt uitvoeriger toegelicht en telefonisch besproken. -    Verweerder bepaalt de inhoud van correspondentie en processtukken, de medewerkers bereiden deze voor en/of verzorgen de verzending. Verweerder is verantwoordelijk.  -    De weerlegging door verweerder van de stellingen van de rechtbank Noord-Holland en de RvR is niet meegenomen. -    De stelling dat verweerder interne kantoorcommunicatie zou hebben ingebracht in een procedure en zou hebben gelogen tegen de deken Oost-Brabant, is onjuist, zoals verweerder onderbouwd aan de deken heeft bericht. -    Verweerder zet cliënten niet onder druk om een klacht in te trekken. Hij doet voorstellen voor een regeling tegen finale kwijting. Het betrof bovendien een interne klacht.  -    Wat de deken heeft geschreven onder ‘verdienmodel’ bevat onjuistheden. Het lijkt alsof de deken verweerder verwijt dat hij niet gratis werkt.  -    Iedere cliënt ontvangt een schriftelijke beoordeling van de situatie inclusief advies aangaande het vervolg. Fase 1 eindigt nogmaals met een schriftelijk advies over het vervolg. In fase 2 wordt een schriftelijk procesadvies uitgebracht. De inhoud van telefonische gesprekken wordt in gespreksverslagen vastgelegd. Ook in eerdere zaken is wel degelijk een procesadvies gegeven.  -    Meerdere (negatieve) vonnissen van de rechtbank zijn door het gerechtshof van tafel geveegd, maar niet iedere cliënt kan/wil in hoger beroep gaan.  -    Als de deken de opdrachtbevestiging moeilijk te doorgronden vindt, krijgt verweerder graag advies hoe het dan wel moet. De opdrachtbevestiging bevat inderdaad 24 pagina’s, maar dat is met een grote regelafstand en zonder opmaak. In een pdf is het 14 pagina’s (inhoudelijk 12 pagina’s).  -    Verweerder ontmoedigt cliënten niet om vragen te stellen, maar maakt ze ervan bewust dat er kosten aan zijn verbonden, voor zover die niet onder de vaste prijs vallen. Verweerder ervaart niet dat cliënten zich hierdoor beperkt voelen. De behandeling van de zaak is de opdracht. Het beantwoorden van vragen kost tijd en dat kost geld. -    In december 2024 waren niet 16, maar 8 medewerkers bij verweerder werkzaam, van wie 7 met een juridische opleiding, van wie 5 voldoen aan de eisen die de RvR stelt aan paralegals. De deken heeft haar zorgen nooit eerder naar verweerder uitgesproken. De situatie is niet vergelijkbaar met die van een patroon met advocaat-stagiaires. De paralegals worden niet begeleid in het kader van een opleiding.  -    Verweerder begrijpt niet wat er niet duidelijk is aan zijn voorlichting van cliënten (en klaagster in de zaak 250343) over de kosten. Hetzelfde geldt voor de korting en de BTW. In het dossier van klaagster is dubbel bevestigd dat zij ervoor heeft gekozen de toevoeging in te laten trekken, waarna de uren in rekening worden gebracht.  -    Het onderzoek van de deken NH betreft slechts 20 zaken, slechts 3% van de - oudere - zaken van verweerder. Het complete plaatje schetst een ander beeld.  -    Een door de deken NH op 15 februari 2024 ontvangen signaal van een voormalig cliënt kan verweerder niet terugvinden in de bijlagen bij het concept dekenbezwaar.  -    De ingebrekestellingen, in het bijzonder de juridische onderbouwing en vertaalslag naar de van belang zijnde feiten, zijn voor iedere door verweerder behandelde autozaak gelijk: het betreft altijd een tweedehandsauto, een consumentenkoop met dezelfde wettelijke regeling, gebreken binnen twaalf maanden na aankoop zodat dezelfde jurisprudentie van toepassing is, et cetera. Ook de vordering is om die reden telkens hetzelfde: herstel en bij gebreke daarvan ontbinding. 

Verweer deken

6.4    De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet, hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

7.3    Zowel uit vaste jurisprudentie van het hof als uit Regel 16 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (verder: gedragsregel 16) volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Als zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, moet de advocaat dat met zijn cliënt bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware een ‘informed consent’ zijn; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven.

Overwegingen hof 7.4    Allereerst zal het hof ingaan op de stelling van verweerder dat de deken Noord-Holland niet bevoegd was om een onderzoek in te stellen. Wat verweerder met die stelling beoogt benoemt hij niet, maar vast staat dat het dekenbezwaar is ingesteld door de bevoegde deken. Geen regel staat eraan in de weg dat deze deken zich voorafgaand aan het indienen van het dekenbezwaar heeft laten informeren door verweerders vorige toezichthouder, te meer nu verweerder pas recent van arrondissement was gewisseld. Elke vergelijking met de situatie in de recente beslissing van het hof van 30 maart 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2026:91) gaat reeds daarom niet op.

7.5    Het hof ziet om meerdere redenen geen aanleiding om op de verschillende onderdelen van het dekenbezwaar nog eens uitdrukkelijk in te gaan. Ten eerste heeft de raad dat al tot in detail gedaan en het hof kan zich vinden in de overwegingen van de raad en de daaruit getrokken conclusies. Ten tweede heeft verweerder tegen de overwegingen van de raad geen concrete beroepsgronden aangevoerd, in ieder geval niet binnen de beroepstermijn. Verweerder heeft wél aangegeven welke bezwaren hij heeft tegen het dekenbezwaar (en de totstandkoming daarvan), maar die bezwaren had hij kunnen (en moeten) aanvoeren bij de raad. Ten derde heeft verweerder zich bij de mondelinge behandeling praktisch volledig gericht op de verbeteringen die hij stelt te hebben doorgevoerd in zijn praktijkvoering (wat neerkomt op een verweer tegen de opgelegde maatregel) en niet op wat er buiten de maatregel in zijn ogen niet juist is aan de beslissing van de raad. Het hof ziet mede daarom op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van het dekenbezwaar te komen dan de raad heeft gedaan. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. 

7.6    Als verweerder het heeft over de verbeteringen in zijn praktijkvoering, dan heeft hij het met name over het toevoegen van mogelijke scenario’s in zijn opdrachtbevestiging, in zijn computerprogramma en in zijn standaard ingebrekestelling. In feite blijft verweerder daarmee proberen zijn praktijk te standaardiseren met (dezelfde) standaard documenten. Verweerder realiseert zich kennelijk niet dat die documenten door alle toevoegingen slechts uitgebreider, omvangrijker en daarmee nog onoverzichtelijker (voor de gemiddelde cliënt nog onbegrijpelijker) worden dan door de raad al geconstateerd is. De lezer (cliënt en/of wederpartij en/of rechter) moet maar uitzoeken welk onderdeel van het betreffende document in zijn specifieke zaak relevant is. Daarin zit nu precies de kern van het probleem van de praktijkvoering door verweerder: hij verliest nog steeds uit het oog dat de dienstverlening aan zijn cliënten geen standaardwerk is, maar individuele belangenbehartiging, met het maatwerk dat daarvoor nodig is. De individuele cliënt met zijn specifieke belang moet voorop staan en niet het systeem en/of het door verweerder gehanteerde stappenschema. In alles wat verweerder heeft aangevoerd mist het hof de (aandacht voor de) cliënt. 

7.7    Het moge zo zijn dat verweerder zich bezighoudt op een zeer beperkt en specifiek terrein, waarin de meeste problemen gelijksoortig zijn en op een vergelijkbare wijze kunnen worden aangepakt, maar het gaat juist fout als iets gebeurt wat niet in verweerders ‘systeem’ past: een cliënt die iets anders wil of een wederpartij met een onverwachte reactie. De beide klachtzaken, waarin het hof vandaag ook beslist, laten zien dat verweerder dan niet, zoals een goed advocaat betaamt, meebeweegt met de zaak en opkomt voor het belang van zijn cliënt. Integendeel, verweerder haakt af, vindt de zaak “te complex” worden, verwijt de cliënt dat die lastig is of zelf iets heeft gedaan en presteert het zelfs om te stellen dat hij dergelijke cliënten maar niet meer moet bijstaan. Het hof mist bij verweerder nog steeds iedere substantiële reflectie op wat er in het verleden in zijn praktijk is fout gegaan. Verweerder bagatelliseert de problemen door ze af te doen als slordigheidjes en incidenten. Verweerder miskent dat de cliënt er niet voor hem is, maar dat hij er moet zijn voor de cliënt. Verweerder behoort een cliënt niet in de kou te laten staan of slechte dienstverlening te bieden, omdat die cliënt toevallig niet in zijn systeem past. 

7.8    Dat het probleem niet is opgelost blijkt ook uit de opmerking van de gemachtigde van verweerder ter zitting, dat het ‘systeem’ zo goed als maatwerk is geworden. Advocatenwerk kan niet in een gestandaardiseerd proces worden ondergebracht. ‘Zo goed als’ maatwerk is niet goed genoeg. Voor zover verweerder zich inmiddels eigen heeft gemaakt om zijn cliënten ook schriftelijk op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in de zaken en concepten van stukken te sturen, heeft het hof dat niet kunnen controleren aan de hand van voorbeelden (behalve enkele in het beroepschrift opgenomen printscreens van enkele - kennelijk ook weer standaard - brieven na een verkregen vonnis). Hetzelfde geldt voor de stelling van verweerder dat hij inmiddels een concept van de ingebrekestelling aan cliënten stuurt, hoewel hij kennelijk van mening is dat dit ‘strikt genomen’ geen verplichting is, zoals hij ter zitting heeft gezegd. Ook heeft het hof nog steeds geen duidelijkheid gekregen hoe verweerder nu omgaat met de behandeling van de zaken waarin de cliënt in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp.

Slotsom

7.9    De conclusie uit het voorgaande is dat de beroepsgronden van verweerder falen. Het hof bekrachtigt de gegrondverklaring van het dekenbezwaar door de raad. 

 

8    MAATREGEL

8.1    Met de raad is het hof van mening dat niet met een andere maatregel dan schrapping kan worden volstaan. Verweerder heeft in de beide klachtzaken, waarin ook vandaag wordt beslist, niet gehandeld met de zorg die hij jegens zijn cliënten had behoren te betrachten. Hij doet dat in beide zaken af als een slordigheidje dat zonder gevolgen zou zijn gebleven als de cliënten maar naar hem zouden hebben geluisterd. Verweerders praktijkvoering was en is (nog steeds) vormgegeven op een wijze die een behoorlijk advocaat niet betaamt, waarbij in het bijzonder niet wordt voldaan aan de kernwaarden deskundigheid en (financiële) integriteit. Verweerder houdt nog steeds vast aan zijn standaarddocumenten en zijn ‘systeem’, waarin geen ruimte is voor de individu van de cliënt en voor de individuele benadering van de specifieke problemen van die cliënt. Hij lijkt nog steeds niet te begrijpen dat de zorg voor de cliënt niet te vangen is in een standaardisering van de praktijk in documentatie en (computer)systeem. 

8.2    Bovendien biedt ook de wijze waarop verweerder deze procedure in hoger beroep gevoerd heeft geen enkel vertrouwen dat verweerder iets van de gemaakte fouten heeft geleerd en dat hij in de toekomst in staat zal zijn om als een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat te functioneren. Verweerder heeft op de laatste dag van de beroepstermijn een beroepschrift ingediend, dat gericht was tegen het dekenbezwaar en geen (concrete) beroepsgronden bevat tegen de beslissing van de raad. Vervolgens heeft hij na afloop van de beroepstermijn een aanvullend beroepschrift ingediend dat, zoals hiervoor al is vermeld, niet is geaccepteerd, omdat het te laat is ingediend. De bijlagen bij het beroepschrift zijn door verweerder pas na herhaald rappel door het hof (en na afloop van de daarvoor gestelde termijn) ingediend en hebben met name betrekking op het door verweerder bekritiseerde dekenonderzoek en niet op hetgeen hem door de deken en de raad wordt verweten. Door het aanvullende beroepschrift aan de bijlagen toe te voegen, heeft verweerder getracht dit beroepschrift toch onderdeel van de processtukken te maken. Tot slot heeft verweerder te laat (binnen 10 kalenderdagen voor de mondelinge behandeling) bijna 700 pagina’s aan aanvullende stukken ingediend, zonder enige toelichting of inventaris, zodat het hof met die stukken ook geen rekening heeft gehouden. Dat is in iedere willekeurige zaak al buitengewoon slordig, rommelig en ondeskundig, maar als het gaat om de vraag of betrokkene al dan niet advocaat kan blijven, bovendien volstrekt onbegrijpelijk. 

8.3    Het hof bekrachtigt op grond van het voorgaande ook de door de raad opgelegde maatregel van schrapping van het tableau. 

9    PROCESKOSTEN

9.1     Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                    a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

b) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.2     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

10    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1     bekrachtigt de beslissing van 8 september 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 25-003/A/A/D;

10.2     bepaalt dat de schrapping ingaat op 7 mei 2026;

10.3     veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg, J.C.A.T. Frima, P.J.G. van den Boom en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026. 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 1 mei 2026.