Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:136

Zaaknummer

250452

Inhoudsindicatie

Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Hoewel verweerster een processtuk van de wederpartij van klaagster niet direct na ontvangst heeft doorgestuurd naar klaagster, heeft verweerster – toen zij dit ontdekte – adequaat en zoals van een betamelijk handelend advocaat verwacht mag worden gehandeld. Ook overigens is niet gebleken dat verweerster in haar werkzaamheden voor klaagster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Evenals de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden  acht ook het hof de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van 1 mei 2026

in de zaak 250452

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klaagster

 

tegen:

 

verweerster

gemachtigde: mr. H.J. Tulp

 

1 INLEIDING

1.1 Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Hoewel verweerster een processtuk van de wederpartij van klaagster niet direct na ontvangst heeft doorgestuurd naar klaagster, heeft verweerster – toen zij dit ontdekte – adequaat en zoals van een betamelijk handelend advocaat verwacht mag worden gehandeld. Ook overigens is niet gebleken dat verweerster in haar werkzaamheden voor klaagster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Evenals de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) acht ook het hof de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt. 

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerster (zaaknummer: 25-419/AL/NN) een beslissing genomen op 1 december 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:262 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 22 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad; verweerschrift verweerster; nagekomen stuk van klaagster.

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 2 maart 2026. Daar zijn verschenen de heer V.S. P. namens klaagster en verweerster met haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunt toegelicht, klaagster aan de hand van spreekaantekeningen die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.1 Klaagster is slachtoffer geworden van bankhelpdeskfraude, ook wel bekend als ‘spoofing’. Hierbij deed een crimineel zich voor als medewerker van de bank en werd klaagster ertoe gebracht om toegang te verlenen tot haar bankaccount. Als gevolg hiervan is binnen een tijdsbestek van anderhalf uur op 25 oktober 2023 een bedrag van circa € 75.000 aan de rekening van klaagster onttrokken. De bank heeft hiervan circa € 20.000 teruggehaald.

3.2 Klaagster heeft verweerster verzocht haar belangen te behartigen. Op 27 oktober 2023 heeft zij klaagster bericht dat zij de kans op succes erg laag acht. Op verzoek van klaagster en omdat verweerster vond dat het geen zaak was die zij niet rechtvaardig achtte, heeft verweerster vervolgens namens klaagster de bank gedagvaard op 22 februari 2024. In de dagvaarding is het standpunt ingenomen dat alle onttrokken gelden door de bank vergoed moesten worden. Op 17 en 18 juli 2024 heeft verweerster een conceptakte vermeerdering van eis respectievelijk het concept voor spreekaantekeningen voor de zitting van 27 augustus 2024 aan klaagster gezonden. Klaagster heeft daarop gereageerd. Naar aanleiding daarvan heeft verweerster de concepten aangepast en uitgelegd waarom zij bepaalde voorstellen van klaagster niet had overgenomen. Vervolgens zijn zowel klaagster als verweerster met vakantie gegaan; respectievelijk tot maandag 26 augustus 2024 en tot en met zaterdag 24 augustus 2024. Tijdens de vakantie hebben zij ook nog contact gehad over de concepten.

3.3 Namens klaagster heeft verweerster op 6 augustus 2024 de akte vermeerdering van eis ingediend, waarbij het standpunt is ingenomen dat indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat niet alle onttrokken gelden door de bank vergoed zouden hoeven worden, de bank in ieder geval gehouden is om alle onttrekkingen van ná 11.43 uur (het tijdstip waarop klaagster aan de bank een eerste e-mailbericht heeft gezonden naar aanleiding van de onttrekkingen) te vergoeden. Dat ging om een bedrag van € 11.878.

3.4 In reactie daarop heeft de bank op 16 augustus 2024 een nadere akte ingediend, waarin staat dat de bank zonder enige erkenning van aansprakelijkheid de € 11.878 van het verloren geld door ‘spoofing’ zal vergoeden. Rond 16 augustus 2024 heeft de bank € 11.878 aan klaagster overgemaakt.

3.5 De nadere akte van de zijde van de bank is tijdens de afwezigheid van verweerster in verband met haar vakantie niet onverwijld aan klaagster doorgezonden. Op de eerste werkdag na haar vakantie, maandag 26 augustus 2024, heeft verweerster om 13.51 uur klaagster een bericht  gestuurd  waarin zij vraagt of haar secretaresse de laatste akte van de bank aan klaagster heeft toegestuurd. Verweerster heeft ‘s avonds om 21.53 uur de akte aan klaagster doorgestuurd, nadat klaagster om 17.55 uur had laten weten die akte niet te hebben ontvangen.

3.6 Op 27 augustus 2024 heeft de mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. Kort daarvoor hebben verweerster en klaagster de spreekaantekeningen van verweerster doorgesproken.

3.7 Op de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft verweerster de vordering van klaagster verminderd met het bedrag dat inmiddels door de bank was overgemaakt aan klaagster.

3.8 Op 1 oktober 2024 is het proces-verbaal van de mondelinge behandeling aan klaagster toegezonden. Verweerster heeft het proces-verbaal diezelfde dag aan klaagster toegezonden. Klaagster heeft per mail van 1 oktober 2024 aan verweerster verzocht om hetgeen in tweede termijn is gesteld aan het proces-verbaal te laten toevoegen.

3.9 Bij vonnis van de rechtbank van 2 oktober 2024 is de (resterende) vordering van klaagster afgewezen met veroordeling van klaagster in de proceskosten aan de zijde van de bank van € 5.495. Het vonnis is op 3 oktober 2024 door verweerster aan klaagster toegezonden.

3.10 Op 3 oktober 2024 heeft klaagster bij verweerster een klacht ingediend. De klacht is behandeld volgens de interne klachtregeling van het kantoor van verweerster. Dat heeft niet geleid tot een oplossing. Naar aanleiding van de indiening van de klacht heeft verweerster op 4 oktober 2024 laten weten haar werkzaamheden met onmiddellijke ingang te beëindigen. Daarbij heeft zij laten weten bereid te zijn de rechtbank te verzoeken tot de door klaagster gewenste aanvulling van het proces-verbaal als hij zou aangeven welke concrete punten hij daarin miste. Op 5 oktober 2024 heeft klaagster laten weten daarvan af te zien.

3.11 Op 18 november 2024 heeft klaagster een klacht over verweerster bij de deken ingediend.

 

4 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

-  moeilijk bereikbaar te zijn, de nadere akte van 16 augustus 2024 niet tijdig aan klaagster door te sturen, geen controle te hebben over haar dossiers en de belangen van klaagster niet naar behoren te behartigen, waardoor klaagster in de proceskosten is veroordeeld en schade heeft geleden.

 

5 OMVANG HOGER BEROEP

Voor zover het beroep van klaagster zich richt op klachtonderdelen die geen onderdeel uitmaken van de klacht zoals die aan de raad ter beslissing is voorgelegd, laat het hof die buiten beschouwing. Bij aanvang van de zitting bij de raad is aan klaagster de klachtomschrijving voorgehouden. Klaagster heeft daarmee ingestemd. In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advocatenwet).

 

6 BEOORDELING RAAD

Klachtonderdeel ‘moeilijk bereikbaar zijn’

6.1 Het is de raad niet gebleken dat verweerster moeilijk bereikbaar was. Op de mondelinge behandeling is namens verweerster nog onweersproken verklaard dat verweerster regelmatig contact had met klaagster, zelfs tijdens haar vakantie.

Klachtonderdeel ‘nadere akte niet tijdig doorsturen’

6.2 Vast staat dat de nadere akte van de bank van 16 augustus 2024 niet direct is doorgezonden aan klaagster toen de akte op het kantoor van verweerster was binnen gekomen. Op dat moment was verweerster zelf op vakantie en door een interne communicatiefout is de akte niet direct doorgezonden. Toen verweerster was teruggekeerd op 26 augustus 2024 heeft zij de akte direct aan klaagster gezonden en haar excuses gemaakt. Verweerster erkent dat de akte direct had moeten worden doorgezonden en dat zij daarvoor de verantwoordelijkheid droeg. Anders dan klaagster stelt, is de raad niet gebleken dat klaagster door deze late toezending benadeeld is of schade heeft geleden. Namens klaagster is gesteld dat op grond van die akte nadere onderhandelingen zouden hebben kunnen worden gevoerd en dat dit wellicht tot een vergelijk had geleid buiten de rechtszaal om. Verweerster heeft echter toegelicht dat de bank niet tot onderhandelen of schikken bereid was en het door de bank aan klaagster overgemaakte bedrag van € 11.878 verband hield met een coulanceregeling. Het niet tijdig doorzenden van de akte is wel slordig en niet zoals het hoort, maar de raad heeft geoordeeld dat dit niet zodanig is dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Zodra verweerster ervan op de hoogte was dat de akte niet aan klaagster was doorgezonden heeft zij direct actie ondernomen en heeft zij telefonisch de akte met klaagster besproken.

Klachtonderdelen ‘geen controle over dossier hebben’ en ‘belangen niet naar behoren behartigen’

6.3 Deze  klachtonderdelen heeft de raad gezamenlijk besproken en komen in de kern erop neer dat de kwaliteit van dienstverlening naar de mening van klaagster onvoldoende was. De advocaat heeft de vrijheid bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. In het onderhavige geval heeft verweerster aan klaagster een negatief procesadvies afgegeven. Ter zitting heeft zij toegelicht dat in gevallen van ‘spoofing’ uit de jurisprudentie volgt dat de verantwoordelijkheid voor het afgeven van accountgegevens veelal bij de klant ligt en de banken dan ook niet geneigd zijn geleden schade te vergoeden. In het onderhavige geval heeft verweerster nog een kleine mogelijkheid gezien, maar daarvan aangegeven dat het een ‘long shot’ zou zijn. Klaagster wilde de zaak doorzetten, waarna verweerster dit ook heeft gedaan. Klaagster meent dat er geen proceskostenveroordeling zou zijn geweest als verweerster de vordering ter zitting niet zou hebben verminderd met het reeds door klaagster ontvangen bedrag van € 11.878. Dat kan de raad – nu zich dat niet heeft voorgedaan – niet beoordelen, maar de raad acht het voor de hand liggend dat een vordering wordt verminderd als blijkt dat daar inmiddels een deel van is voldaan. Dat deel van de vordering kan dan immers door de rechter niet meer worden toegewezen.

6.4 Klaagster heeft gesteld dat de pleitnota van verweerster ‘erg zwak’ was, maar heeft dit verder niet toegelicht. Verweerster heeft aangevoerd dat zij alle punten die door klaagster zijn gesteld op de zitting naar voren heeft gebracht, maar dat de rechtbank die in lijn met de heersende jurisprudentie heeft gepasseerd. Ook heeft zij klaagster, nog voordat verweerster op vakantie ging, haar concept spreekaantekeningen toegezonden en deze waren volgens verweerster inhoudelijk niet anders dan hetgeen zij op de zitting heeft gezegd.

6.5 Het is de raad niet gebleken dat verweerster geen controle heeft gehad over haar dossiers of de belangen van klaagster niet naar behoren heeft behartigd. De klacht van klaagster komt er in feite op neer dat verweerster het naar de mening van klaagster ‘anders had moeten doen’, maar klaagster concretiseert dat verder niet. In de stukken en ter zitting heeft verweerster adequaat haar handelswijze en de door haar gemaakte (procedurele) keuzes toegelicht en die zijn voor de raad goed te begrijpen. Verweerster is in haar werkzaamheden ten behoeve van klaagster naar het oordeel van de raad te werk gegaan zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht en haar treft dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt.

6.6 De raad heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

 

BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagster

7.1 Klaagster blijft vinden dat de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster onder de maat was. De raad heeft ten onrechte geoordeeld dat niet is gebleken dat klaagster moeilijk bereikbaar was. Door het nalaten van het doorsturen van de nadere akte van de bank was verweerster op het moment dat het erom ging niet bereikbaar. Hierdoor heeft klaagster geen (tijdige) input kunnen geven op de pleitnota en hieruit volgt dat verweerster geen controle had over haar dossiers.

7.2 De raad heeft volgens klaagster ten onrechte geoordeeld dat zij niet is benadeeld of schade heeft geleden door de late toezending van deze akte door verweerster. Klaagster is het niet eens met de stelling van verweerster dat de bank niet tot onderhandelen of schikken bereid was, welke stelling volgens klaagster ook niet onderbouwd is. Indien de nadere akte van de bank direct was doorgestuurd naar klaagster had een poging ondernomen moeten worden om met de bank tot een minnelijke regeling te komen. Volgens klaagster zou de bank na de betaling van € 11.878 akkoord zijn gegaan met het intrekken van de procedure waarbij iedere partij de eigen kosten zou dragen. 

7.3 Verder voert klaagster aan dat het negatieve procesadvies van verweerster ook een onjuist advies is geweest. Om het bedrag van € 11.878 terug te krijgen was volgens klaagster een gang naar de rechter niet nodig omdat dit bedrag ziet op de situatie nadat de bank was gemaild dat de rekening van klaagster moest worden geblokkeerd en verweerster had klaagster erop moeten wijzen dat dat bedrag afzonderlijk bereikt kon worden. Klaagster had dan de beslissing kunnen nemen om de zaak voor het overige voort te zetten.

7.4 Volgens klaagster had een proceskostenveroordeling voorkomen kunnen worden als verweerster haar pleitnota had aangepast op de nadere akte van de bank. Verweerster heeft zich volgens klaagster bediend van standaardstukken aangevuld met de input van klaagster, die zich niet aan de indruk kan onttrekken dat zij niets anders was dan een nummer.  

7.5 Klaagster vindt dat haar oorspronkelijke klachtonderdelen B (niet adequaat verweer kunnen voeren tegen de nadere akte) en J (niet gemeld door klaagster dat volgens klaagster de volledige tweede termijn niet is opgenomen in het proces-verbaal) niet zijn behandeld bij de raad. Ook deze klachtonderdelen wil klaagster in beroep voorleggen. Ten aanzien van klachtonderdeel B) merkt klaagster op dat zij de akte ontving op 26 augustus 2024 om 21.53 uur en dat er geen telefonisch overleg over heeft plaatsgevonden. Klaagster heeft producties 10 tot 14 niet danwel onvolledig beschreven in de akte wijziging van eis. Als klaagster de akte van de bank tijdig had ontvangen, had er op die punten verduidelijking kunnen komen. Verweerster heeft de kans laten liggen om de zaak beter te kunnen framen. De betaling van € 11.878 door de bank had klaagster moeten gebruiken als breekijzer.

7.6 Ten aanzien van haar oorspronkelijke klachtonderdeel J merkt klaagster op dat verweerster heeft nagelaten de rechtbank te berichten dat het proces-verbaal naar de mening van klaagster onvolledig was. Daarmee zijn een aantal zeer belangrijke elementen niet onder de aandacht van de rechtbank gebracht.

Verweer verweerster

7.7 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.  

 

8 BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1 De klacht betreft een klacht over de eigen advocaat. Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

Overwegingen hof

Niet tijdig doorsturen van de akte door verweerster

8.2 Het hof ziet aanleiding eerst dit klachtonderdeel te behandelen. Het staat niet ter discussie dat de nadere akte van de bank van 16 augustus 2024 (hierna: de akte) tijdens de afwezigheid van verweerster wegens vakantie niet tijdig is doorgestuurd naar klaagster. Het doorsturen heeft eerst plaatsgevonden op maandagavond 26 augustus 2024 – de avond voor de mondelinge behandeling. Verweerster heeft jegens klaagster van aanvang af erkend dat dat niet goed is gegaan en zij heeft daarvoor excuses aangeboden. Dat de akte niet gelijk na ontvangst door (het kantoor van) verweerster is doorgestuurd naar klaagster is slordig maar in dit geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het hof licht dit als volgt toe.

8.3 Verweerster heeft op haar eerste werkdag na haar vakantie geverifieerd of klaagster de akte van de bank had ontvangen. Toen dit niet het geval bleek te zijn, heeft verweerster de akte alsnog toegestuurd. Ook heeft verweerster aan klaagster voorgesteld om op 27 augustus 2024 voorafgaand aan de mondelinge behandeling af te spreken om de strategie voor die mondelinge behandeling nader af te stemmen. Tijdens dit overleg heeft verweerster handgeschreven aanvullingen toegevoegd aan haar spreekaantekeningen en deze op de mondelinge behandeling voorgedragen. Uit deze toegevoegde aantekeningen blijkt dat verweerster ook tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk heeft verwezen naar de producties 10, 11 en 13 die namens klaagster op 6 augustus 2024 in de procedure waren ingebracht bij akte wijziging van eis tevens overlegging producties. Verweerster heeft aldus adequaat en zoals van een betamelijk handelend advocaat verwacht mag worden gehandeld toen zij constateerde dat klaagster de akte niet had ontvangen. Tegen die achtergrond is het hof van oordeel dat het verzuim van verweerster om de akte van de bank tijdig door te (laten) sturen van onvoldoende gewicht is om als tuchtrechtelijk verwijtbaar te worden gekwalificeerd. Het beroep tegen dit klachtonderdeel slaagt niet.

Moeilijk bereikbaar zijn, geen controle over dossier hebben en belangen niet naar behoren behartigen

8.4 Het hof behandelt de beroepsgronden van klaagster tegen deze klachtonderdelen gezamenlijk omdat deze gaan over de kwaliteit van de dienstverlening door verweerster. Het hof ziet op basis van het onderzoek in beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen dan de raad. Daarbij merkt het hof aanvullend nog het volgende op.

8.5 Uit randnummer 8.3 van deze beslissing volgt dat verweerster, ondanks het te laat doorsturen van de akte van de bank, met klaagster overleg heeft gehad vóór de mondelinge behandeling en op verzoek van klaagster tijdens de mondelinge behandeling nogmaals is ingegaan op de eerder namens klaagster ingebrachte producties 10 tot en met 14. Verder heeft verweerster zowel de akte vermeerdering van eis als de pleitaantekeningen ruim voorafgaand aan de mondelinge behandeling (en hun beider aankomende afwezigheid wegens vakantie) in concept aan klaagster toegestuurd, die daarop ook heeft gereageerd, onder andere op 22 juli 2024. Verweerster heeft verder de door klaagster gewenste aanpassingen op de concepten – waar redelijkerwijs door haar relevant geacht  – doorgevoerd.

8.6 Het onderdeel van de klacht dat ziet op de handelwijze van verweerster ten aanzien van de e-mail van klaagster van 1 oktober 2024 over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank, waarin volgens klaagster de tweede termijn niet was opgenomen, slaagt evenmin, gelet op het volgende. Een proces-verbaal van een mondelinge behandeling is een zakelijke weergave van hetgeen is besproken, en de omstandigheid dat in het proces-verbaal niet alle besproken punten zijn opgenomen betekent geenszins dat de rechter daarmee geen rekening houdt. Daar komt bij dat een reactie van verweerster op het op 1 oktober 2024 ontvangen proces-verbaal geen zin zou hebben gehad, omdat reeds op 2 oktober 2024 eindvonnis werd gewezen. Verweerster heeft naar aanleiding van de op 3 oktober 2024 door klaagster ingediende klacht in een e-mailbericht van 4 oktober 2024 aan klaagster laten weten dat zij haar werkzaamheden met onmiddellijke ingang beëindigde. In datzelfde bericht heeft verweerster aan klaagster laten weten bereid te zijn om het verzoek van klaagster tot aanpassing van het proces-verbaal aan de rechtbank voor te leggen. Klaagster heeft op 5 oktober 2024 aan verweerster in een e-mail laten weten daarvan af te zien.

8.7 Het hof acht, tenslotte, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerster naar aanleiding van de coulancebetaling door de bank de rechtbank niet expliciet heeft gewezen op eventuele consequenties voor de kostenveroordeling. Verweerster heeft de coulancebetaling door de bank op de mondelinge behandeling uitdrukkelijk aan de orde gesteld en uiteengezet dat deze als een erkenning van aansprakelijkheid diende te worden gezien. De rechtbank heeft dat betoog echter verworpen.

Slotsom

8.8 De conclusie is dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het voorgaande betekent dat het beroep van klaagster niet slaagt en het hof de beslissing van de raad zal bekrachtigen.

 

9 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- bekrachtigt de beslissing van 1 december 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 25-419/AL/NN.

 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. A.E.H. van der Voort Maarschalk en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle,  griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter        

     

De beslissing is verzonden op 1 mei 2026.