Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

28-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:109

Zaaknummer

25-894/AL/OV

Inhoudsindicatie

Klacht over eigen advocaat. De raad heeft geoordeeld dat verweerder op verschillende momenten niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht en onvoldoende duidelijk met klaagster, zijn cliënte, heeft gecommuniceerd. Gelet op de ernst van dit handelen en omdat verweerder al (meermaals) eerder door de raad is veroordeeld, wordt aan verweerder een berisping opgelegd.  

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 28 april 2026 in de zaak 25-894/AL/OV naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 

over

verweerder

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 14 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 23 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2442121 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 februari 2026. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. 

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Klaagster heeft twee kinderen met de achternaam L. en een kind met de achternaam D.

2.2    Verweerder heeft klaagster bijgestaan in twee (afzonderlijke) procedures over de ondertoezichtstelling van haar kinderen.

2.3    In de zaak over de kinderen met de achternaam L. heeft op 25 september 2024 een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij verweerder klaagster heeft bijgestaan. Voorafgaand aan de zitting heeft verweerder met klaagster de pleitnota voor die zaak besproken en aangepast en vervolgens zijn ze samen naar de rechtbank gegaan. 

2.4    In de zaak over de zoon van klaagster met de achternaam D. heeft op 20 november 2024 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Klaagster heeft samen met haar wijkcoach op 19 november 2024 telefonisch contact opgenomen met verweerder omdat zij nog niets van verweerder had gehoord en het voor haar niet duidelijk was of hij bij de zitting die de volgende dag gepland stond aanwezig zou zijn. Dat gesprek verliep aan de zijde van klaagster emotioneel en zij heeft aangegeven dat zij niet wilde dat verweerder haar op de zitting van 20 november 2024 zou bijstaan. In een e-mail van 20 november 2024, om 00.49 uur, heeft klaagster bevestigd dat zij niet wilde dat verweerder op de zitting aanwezig zou zijn. Verweerder heeft aangegeven deze wens te respecteren en heeft (alleen) de rechtbank laten weten dat hij niet naar de zitting zou komen en is niet aanwezig geweest. 

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat verweerder heeft gehandeld of nagelaten in strijd met de zorg die hij als advocaat behoorde te betrachten ten opzichte van klaagster, wier belangen hij als zodanig behartigde althans behoorde te behartigen. Klaagster verwijt verweerder in het bijzonder het volgende:

a)    verweerder heeft slecht gecommuniceerd;

b)    verweerder heeft geen hoger beroep ingesteld;

c)    verweerder heeft klaagster onheus bejegend;

d)    verweerder heeft zijn juridisch bijstand ontijdig beëindigd. 

 

4    VERWEER 

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

Maatstaf 

5.1    De raad neemt bij de beoordeling van deze klachtonderdelen als uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

5.2    Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels, maar dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk aan de cliënt bevestigen. Indien de advocaat dit verzuimt, komt het bewijsrisico daaromtrent op hem of haar te rusten. 

Klachtonderdelen a) en c)

5.3    De klacht ziet - zo begrijpt de raad - in het bijzonder op de procedure over het kind van klaagster met de achternaam D. waarin op 20 november 2024 een zitting heeft plaatsgevonden. Klaagster stelt dat verweerder haar in de voorbereiding op die zitting onvoldoende heeft geïnformeerd en niet goed met haar heeft gecommuniceerd. De raad begrijpt uit de toelichting van klachtonderdeel c) dat ook dit klachtonderdeel ziet op het in de ogen van klaagster gebrekkige communiceren door verweerder. De raad zal daarom de klachtonderdelen a) en c) gezamenlijk bespreken.

5.4    Verweerder heeft (ter zitting) aangevoerd dat hij de zitting van 20 november 2024 met klaagster heeft besproken na afloop van de zitting van 25 september 2024 en dat het klaagster dan ook duidelijk geweest moet zijn dat hij haar tijdens de zitting van 20 november 2024 zou bijstaan. Hij was voornemens om voorafgaand aan de zitting met klaagster de pleitnota die hij al gereed had door te nemen. Verweerder vindt dat hij daarmee klaagster voldoende heeft geïnformeerd en daarover goed heeft gecommuniceerd.

5.5    De raad is het daarmee niet eens. Verweerder heeft in deze zaak geen opdrachtbevestiging aan klaagster gestuurd en uit het dossier volgt niet dat verweerder de procedure, de strategie, de verwachtingen, de kansen en de risico’s met klaagster heeft besproken. Verweerder heeft daarover in ieder geval niets schriftelijk vastgelegd, terwijl hij dat op grond van gedragsregel 16 wel had behoren te doen, zeker gelet op de persoon van klaagster en de aard van de zaak. Doordat deze schriftelijke vastlegging ontbreekt, gaat de raad er van uit dat verweerder klaagster over deze genoemde punten niet, dan wel onvoldoende, heeft geïnformeerd. 

5.6    De raad overweegt in het bijzonder nog dat het voor klaagster één dag voor de zitting van 20 november 2024 nog onduidelijk was of verweerder op die zitting aanwezig zou zijn. Uiteindelijk heeft klaagster aan verweerder laten weten dat zijn bijstand tijdens die zitting niet langer op prijs werd gesteld. Verweerder heeft daarop wel de rechtbank maar niet klaagster laten weten dat hij niet op de zitting aanwezig zou zijn. De raad is van oordeel dat verweerder klaagster ook over dit specifieke punt met betrekking tot zijn aanwezigheid op de zitting, eerder en duidelijker had moeten informeren. 

5.7    Gelet op het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Deze klachtonderdelen worden daarom gegrond verklaard. 

Klachtonderdeel b)

5.8    Klaagster stelt dat verweerder geen hoger beroep heeft ingesteld in de zaak van de kinderen met de achternaam L., terwijl dit de wens van klaagster was en zij er verschillende keren om had gevraagd, aldus klaagster. 

5.9    De raad constateert dat verweerder wist dat klaagster niet tevreden was over de uitspraak van de rechtbank en dat zij tegen die beslissing in hoger beroep wilde gaan. Verweerder heeft op dat moment tegen klaagster gezegd dat hij op deze wens van klaagster zou terugkomen. Dat heeft verweerder echter niet gedaan. Daardoor was het voor klaagster  onduidelijk of verweerder namens haar hoger beroep zou instellen en of hij haar in een hogerberoepsprocedure wilde bijstaan. Verweerder was niet gehouden om klaagster ook in hoger beroep bij staan. Hij had hierover echter wel - kort na de uitspraak door de rechtbank - duidelijkheid aan klaagster moeten geven, zodat zij daar rekening mee kon houden. Die communicatie van verweerder hierover is naar het oordeel van de raad onvoldoende geweest. Dit klachtonderdeel wordt daarom gegrond verklaard. 

Klachtonderdeel d)

5.10    Waar beoordeeld moet worden of een advocaat tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zich aan de zaak te onttrekken, zal acht worden geslagen op gedragsregel 14 lid 3 waarin is bepaald dat, als een advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, hij dat op zorgvuldige wijze moet doen en er voor zorg dient te dragen dat zijn cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt.

5.11    De raad is van oordeel dat verweerder - na de schriftelijke en telefonische - mededeling van klaagster dat zijn aanwezigheid op de zitting niet gewenst was, ervoor mocht kiezen om zich als advocaat in beide procedures te onttrekken. Het is de raad niet gebleken dat klaagster door (het moment van) deze onttrekking nadeel heeft ondervonden. Stukken die die stelling zouden kunnen onderbouwen, ontbreken. Omdat van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder geen sprake is, wordt dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.

 

6    MAATREGEL 

De raad heeft geoordeeld dat verweerder op verschillende momenten niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht en onvoldoende duidelijk met klaagster, zijn cliënte, heeft gecommuniceerd. Gelet op de ernst van dit handelen en omdat verweerder al (meermaals) eerder door de raad is veroordeeld, wordt aan verweerder een berisping opgelegd.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,

b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing [zijn/haar] rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen a), b) en c) gegrond;

-    verklaart klachtonderdeel d) ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mrs. N.A. Heidanus en P. Rijnsburger, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.   

Griffier    Voorzitter

 

Verzonden op : 28 april 2026