Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:134

Zaaknummer

260015

Inhoudsindicatie

Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Het hof stelt vast dat klager, ondanks meerdere verzoeken daartoe van de deken, geen (relevante) informatie heeft gegeven waaruit blijkt welke vordering hij wenst in te stellen, wat de grondslag van die beweerdelijke vordering is, bij welke instantie hij een procedure wil starten en wat zijn belang bij een dergelijke procedure is. Verder ontbreken concrete stukken die als aanknopingspunt kunnen dienen voor een juridische procedure. Als gevolg daarvan kan de haalbaarheid van een eventuele procedure niet worden beoordeeld. Evenmin kan worden beoordeeld of het zou gaan om een procedure waarvoor bijstand door een advocaat noodzakelijk of vereist is. Ten aanzien van de verjaring heeft klager wel een bewijs van de verzending van een aangetekende brief overgelegd, maar de brief zelf niet, zodat niet kan worden vastgesteld wat de inhoud van de brief is en of het gestelde vorderingsrecht is gestuit en om die reden nog succesvol kan zijn. Het hof stelt daarbij vast dat klager bij zijn beklag heeft aangevoerd dat hij wil dat een advocaat wordt aangewezen om de verjaring van zijn vorderingen te stuiten. Uit de eigen stellingen van klager volgt echter dat daarin inmiddels zou zijn voorzien, zodat het beklag om die reden ook niet kan slagen. Voor een stuitingshandeling is daarenboven geen advocatenbijstand vereist.

Uitspraak

Beslissing van 1 mei 2026

in de zaak 260015

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

 

klager

 

tegen:

 

de deken

 

 

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 21 januari 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat op basis van de aangeleverde informatie niet duidelijk is geworden waarom klager een advocaat nodig heeft. Omdat klager heeft aangegeven dat zijn rechten zijn genegeerd tijdens een detentie in 2004-2008, heeft de deken het vermoeden dat de vordering inmiddels ruim is verjaard.

Bij het hof

1.3 Klager heeft op 23 januari 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4 Verder bevat het dossier:

het verweer van de deken de repliek de dupliek.

1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

 

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Klager heeft de deken op 14 januari 2026 de volgende informatie gestuurd:

Onderbouwing claimbedrag € 748.738,15: Dit bedrag is gebaseerd op de werkelijke schade die ik heb geleden in mijn hoedanigheid als enig eigenaar en aandeelhouder van R Media B.V.:

-Zakelijke schade: Deze schade is ontstaan doordat leningen die verstrekt zijn aan Air Holland niet zijn terugbetaald. De rol van de voormalige curator, mw. mr. C, en de voormalige    boekhouder (S. G.) bij de afwikkeling van R Media B.V. moet juridisch worden getoetst

-Loonderving: Ruim € 120.000,- aan gemiste inkomsten en het definitieve verlies van de 30%- regeling.

- Immateriële schade: Vergoeding voor mijn ernstige chronische gezondheidsklachten door langdurige stress en het feit dat ik door toedoen van de Belastingdienst (onjuiste fraude-registratie/FSV) onterecht 5 jaar in een WSNP-traject heb gezeten.

Spoed en Verjaring (17 maart 2026): De uiterste deadline van 17 maart 2026 is de datum waarop mijn rechten voor schadeclaims tegen diverse partijen dreigen te vervallen. Een advocaat is nu noodzakelijk om deze verjaring officieel te stuiten.’

2.2 Op 15 januari 2026 heeft klager zijn verzoek uitgebreid. Klager heeft aangegeven dat een advocaat zoekt die hem bijstaat bij:

‘- Het formeel stuiten van de verjaring van mijn schadeclaims (loonderving, zakelijke verliezen R Media B.V. en emotionele schade) voortvloeiend uit de onterechte O/GS-kwalificatie.

-Het afdwingen van volledige dossierinzage (AVG) middels een juridische procedure, aangezien de Belastingdienst mijn persoonlijke verzoeken (zie rode stempel 12-12-2025 in eerdere mail) negeert en mijn digitale communicatie blokkeert.

-Het indienen van een gemotiveerd bezwaarschrift tegen de huidige beschikkingen vóór de             genoemde deadline van 17 maart.’.

 

 

3 BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager voert aan dat de deken zijn verzoek heeft  afgewezen op basis van feitelijke onjuistheden. Klager heeft gewezen op bijlagen waarin in zijn optiek het onomstotelijke bewijs te vinden is dat zijn zaak niet is verjaard en dat er sprake is van een zeer ernstige claim wegens miljoenenfraude en overheidskwalen (zoals de Toeslagenaffaire).

3.2 De kernpunten van het beklag zijn:

- Verjaring is gestuit: klager heeft een verzendbewijs van een aangetekende brief van 23 december 2025 overgelegd waaruit zou blijken dat de verjaringstermijn gestuit is.

- Erkenning Onrechtmatigheid: klager heeft een brief van de Belastingdienst overgelegd waaruit de grondslag van zijn schadeclaim zou blijken. Volgens de brief heeft klager in het verleden ten onrechte het stempel O/GS gekregen, wat staat voor opzet/grove schuld.

- Fraude R Media B.V.: volgens klager heeft de curator in het faillissement destijds zijn bedrijf overgedragen zonder notariële akte, terwijl klager op dat moment in detentie zat. 

- Deadline 17 maart 2026: zonder advocaat vervallen de rechten van klager definitief op deze datum. Om die reden is sprake van extreme urgentie volgens klager.

Verweer

3.3 De deken heeft aangevoerd dat klager niet aan de inspanningsverplichting om de deken van de benodigde informatie te voorzien heeft voldaan. De door klager ingediende stukken onderbouwen op geen enkele wijze de vermeende vordering van € 748.738,15, noch de rol van de curator van destijds in relatie tot deze vordering. Het voldoen aan de (noodzakelijke) informatieplicht houdt in dat een klager de vordering op overzichtelijke wijze toelicht en onderbouwt en niet, zoals in het onderhavige geval, dat flarden van een grote hoeveelheid documenten worden ingediend, die de vermeende vordering noch op zichzelf, noch in onderlinge samenhang aannemelijk maken. Tot slot speelt de verjaring van de vermeende vordering op de curator. In dit verband merkt de deken op dat in het dossier geen stuitingsbrief aan de curator is aangetroffen.

 

 

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2 De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om (onder meer) te kunnen beoordelen of een procedure voldoende kans van slagen heeft.

4.3 De door klager gewenste procedure draait om het faillissement van R Media B.V. Het hof stelt vast dat klager, ondanks meerdere verzoeken daartoe van de deken, geen (relevante) informatie heeft gegeven waaruit blijkt welke vordering hij wenst in te stellen, wat de grondslag van die beweerdelijke vordering is, bij welke instantie hij een procedure wil starten en wat zijn belang bij een dergelijke procedure is. Verder ontbreken concrete stukken die als aanknopingspunt kunnen dienen voor een juridische procedure. Als gevolg daarvan kan de haalbaarheid van een eventuele procedure niet worden beoordeeld. Evenmin kan worden beoordeeld of het zou gaan om een procedure waarvoor bijstand door een advocaat noodzakelijk of vereist is. Ten aanzien van de verjaring heeft klager wel een bewijs van de verzending van een aangetekende brief overgelegd, maar de brief zelf niet, zodat niet kan worden vastgesteld wat de inhoud van de brief is en of het gestelde vorderingsrecht is gestuit en om die reden nog succesvol kan zijn. Het hof stelt daarbij vast dat klager bij zijn beklag heeft aangevoerd dat hij wil dat een advocaat wordt aangewezen om de verjaring van zijn vorderingen te stuiten. Uit de eigen stellingen van klager volgt echter dat daarin inmiddels zou zijn voorzien, zodat het beklag om die reden ook niet kan slagen. Voor een stuitingshandeling is daarenboven geen advocatenbijstand vereist. De deken kon dus ten gevolge van voor rekening van klager komende omstandigheden niet beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet is voldaan. De deken heeft het verzoek van klager dan ook op goede gronden afgewezen.

4.4 Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.

 

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 21 januari 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.

 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

 

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 1 mei 2026.