Rechtspraak
Uitspraakdatum
28-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:108
Zaaknummer
25-849/AL/GLD
Inhoudsindicatie
Klaagster is als eigenaar van een appartement in een complex lid van een vereniging van eigenaren. Verweerder is sinds 2019 de advocaat van de VvE. Dat door de gang van zaken rondom onder meer de instemming met een vaststellingsovereenkomst na mediation bij klaagster als toenmalig bestuurslid verwarring is ontstaan over de hoedanigheid van verweerder, betekent nog niet dat hem daarvan ook tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Uit de stukken is de raad namelijk niet gebleken dat verweerder klaagster onjuist heeft geadviseerd over zijn rol of hoedanigheid of dat verweerder daarin op enigerlei andere wijze is tekortgeschoten. Verweerder heeft als advocaat in opdracht van (het daartoe bevoegde bestuur van) de VvE gehandeld en kon in die hoedanigheid ook de VvE vertegenwoordigen in een procedure die een aantal leden - niet klaagster - tegen de VvE hadden aangespannen. Niet is gebleken dat verweerder uitlatingen tegen klaagster heeft gedaan waarmee hij de grens van het toelaatbare heeft opgezocht of overschreden. Ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden 28 april 2026 in de zaak 25-849/AL/GLD naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 28 februari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 9 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 25/48 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 maart 2026. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. Vanwege de onderlinge samenhang zijn gelijktijdig de klachtzaken 25-716/AL/GLD en 25-847/AL/GLD behandeld. Van de behandeling is proces verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 M B.V. (hierna: M) heeft in 2012 een appartementencomplex opgeleverd. De eigenaren van die appartementen, waaronder klaagster, zijn verenigd in een vereniging van eigenaren (hierna: de VvE).
2.2 Verweerder is sinds augustus 2019 de advocaat van de VvE.
2.3 Tussen M en de VvE is een conflict ontstaan. Een aantal bestuursleden van de VvE, waaronder klaagster als toenmalig penningmeester van de VvE, heeft met M een mediationtraject doorlopen om het conflict op te lossen. Klaagster heeft zich tussentijds uit het mediationtraject teruggetrokken en is kort daarna als penningmeester afgetreden.
2.4 Na de mediation hebben de advocaat van M en verweerder namens de VvE op 13 november 2023 een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) opgesteld onder voorbehoud van goedkeuring door de Algemene vergadering van eigenaars (hierna: de Vergadering) van de VvE.
2.5 Op 29 november 2023 heeft de Vergadering plaatsgevonden onder leiding van een externe dagvoorzitter. De door twee bestuursleden van de VvE al ondertekende VSO was bij de vergaderstukken gevoegd. De goedkeuring met de VSO lag ter bespreking voor. In de notulen van de vergadering is daarover onder meer het volgende opgenomen:
4 Mediation: [Verweerder] stelt zich voor en vertelt dat hij al vanaf augustus 2019 bij de kwestie M betrokken is. 4.1 [Verweerder] geeft een toelichting op de VSO. (…) Dagvoorzitter geeft uitleg m.b.t de stemverhoudingen. Vaststellingsovereenkomst: 50 +1 Voor de grond: 2/3 aanwezig, hiervan moet 2/3 voor stemmen Wijziging splitsingsakte op basis van artikel 139 burgerlijk wetboek boek 5. 80% volgens lid 2 of 100% volgens lid 1 Lid 2 betreft wijziging statuten, lid 1 betreft wijziging goederen. (…) [Verweerder]: Niemand is gehouden na aanvaarding van deze VSO iets te doen, dit is een keuze. Aanvaarden van erfdienstbaarheden is wel belangrijk. Nu heeft u als eigenaar wel appartementsrecht maar zonder erfdienstbaarheden. [Verweerder] legt nogmaals uit hoe het proces is verlopen en benadrukt dat het goed geregeld moet worden. Mevr. [H] vraagt om de stemming uit te stellen. [Verweerder] geeft uitleg dat de VSO geldig is bij een positieve stemming vanavond. Anders is er geen overeenkomst. (…) De dagvoorzitter mr. [W] stelt de vraag wie er geen stemming wil. Dit is de minderheid dus er gaat gestemd worden. 4.1b Stemming Voor : 4.441= 71,91% Tegen : 1.735= 28,09% Subtotaal : 6.176= 100,00% Hiermee is de VSO c.q. mediation goedgekeurd.
2.6 Op 13 december 2023 heeft verweerder onder meer aan het bestuur van de VvE geschreven:
(1) Op maandag 11 december 2023 heeft de heer [Van R] namens “een groep verontruste eigenaren” een brief verzonden aan het bestuur en de notaris belast met de uitvoering van de tussen de VvE en M gesloten vaststellingsovereenkomst (de “VSO”), aan welke brief een juridisch memo van mr. [H] is gehecht.
(2) Met deze brief in samenhang met de memo wordt het bestuur cq. de notaris verzocht om geen medewerking te verlenen aan het passeren van de akte van levering ter uitvoering van de VSO, omdat het tijdens de vergadering van de VvE genomen besluit tot “het ratificeren van de VSO” nietig zou zijn.
(3) Ik kom tot de conclusie dat er geen sprake is van een nietig besluit. Ik licht mijn conclusie als volgt toe. (…) (25) Aldus moet worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een nietig besluit. De opschortende voorwaarden in de VSO zijn om die reden vervuld en de VSO is daarmee tot stand gekomen. Nu geen titelgebrek bestaat, kan de akte van levering worden gepasseerd. (…)
2.7 Op 13 juni 2024 heeft verweerder aan klaagster onder meer geschreven:
Aansluitend op de e-mail van de betrokken mediator kan ik u bevestigen dat ik het bestuur van de VVE in de onderhandelingen en gesprekken over de (totstandkoming van) de vaststellingsovereenkomst (VSO) heb bijgestaan en geadviseerd. (…)
2.8 Een aantal andere eigenaren zijn een procedure tegen de VvE gestart. In de procedure is een verklaring voor recht gevorderd dat het op 29 november 2023 genomen besluit tot goedkeuring van de VSO nietig was. In deze procedure heeft verweerder de VvE bijgestaan.
2.9 Op 2 december 2024 heeft een zitting plaatsgevonden bij de Rechtbank Overijssel, locatie Zwolle. Verweerder heeft gepleit aan de hand van zijn spreekaantekeningen, waarin onder meer stond:
Vooruitlopend op deze zitting heb ik kennis genomen van een grote hoeveelheid producties van de zijde van [eisers], die, na bestudering daarvan, vooral stemming makend zijn en ogenschijnlijk überhaupt niet relevant voor de beoordeling van de vorderingen die hier voor liggen.
Ik vind het ook jammer om in een zaak als deze, waarin simpelweg een rechtsvraag door de rechtbank moet worden beantwoord, stukken worden ingebracht die helemaal niets van doen hebben met de beantwoording van die rechtsvraag, maar louter een persoonlijke aanval zijn op de individuele bestuursleden van de VvE. Waarom moet worden geschreven dat het bestuur "Na een lang traject van schimmigheid, handigheidjes van adviseurs en een afwijkende en gemanipuleerde telling van de stemmen probeert om het mogelijke mislukken van een mediation en de daaruit in haar ogen voortvloeiende dramatische gevolg af te schuiven op een aantal bezorgde eigenaren.” Ik zie werkelijk niet in wat de toegevoegde waarde is van dergelijke opmerkingen en dergelijke producties. Voor u zit een bestuur van een VvE, die bijna een dagtaak heeft aan het bestuurslidmaatschap en geen enkel persoonlijk belang heeft bij de gesloten vaststellingsovereenkomst ("VSO"), anders dan het belang dat elke andere appartementseigenaar ook heeft. Kortom, het mag wel een toontje lager en wat fatsoenlijker.
2.10 Bij vonnis van 18 december 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat besluit 4.1.b op de Vergadering van 29 november 2023 tot ratificatie van de vaststellingsovereenkomst nietig was. De VvE heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. De uitkomst daarvan is niet bekend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) in strijd met gedragsregel 9 onduidelijkheid te veroorzaken over zijn hoedanigheid.
b) de belangen van klaagster op onevenredige wijze te schaden
4 VERWEER
De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Deze zaak gaat om een klacht over het handelen van de advocaat die niet de advocaat van klaagster of de advocaat van haar wederpartij was, maar van anderen waarbij klaagster als (voormalig) bestuurslid en lid van de VvE als derde betrokken is. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt in dat geval aan de advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt maar kan onder meer worden ingeperkt indien de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over een betrokken derde, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat ze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van (voor zover hier van belang) een betrokken derde onnodig of onevenredig schaadt, zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.
5.2 De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.3 De raad zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen.
Klachtonderdeel a); onduidelijkheid over de hoedanigheid van verweerder?
Toelichting klaagster
5.4 Volgens klaagster leek verweerder meer de partijdig adviseur en de advocaat van het bestuur van de VvE en heeft hij niet in het algemeen belang van de VvE gehandeld. Tijdens de zitting van de raad heeft klaagster toegelicht dat zij als toenmalige penningmeester van de VvE samen met de toenmalig voorzitter heeft deelgenomen aan de mediationgesprekken. Zij heeft niet begrepen waarom verweerder niet namens de VvE bij die gesprekken aanwezig was, temeer daar de wederpartij wel met een advocaat bij die gesprekken was. Klaagster heeft tijdens de zitting verder verklaard dat zij zich tussentijds uit de mediationgesprekken heeft teruggetrokken omdat zij de verantwoordelijkheid zonder juridische steun te groot vond.
5.5 Verweerder gaf (indirect) advies aan de leden van de VvE tijdens dat mediationtraject en ook over het goedkeuren van een door hem opgestelde VSO. Dat blijkt uit zijn e-mail van 13 juni 2024 na vragen daarover van klaagster. Tijdens de Vergadering op 29 november 2023 heeft verweerder een toelichting op de VSO gegeven. Daarbij heeft hij de aanwezige leden/eigenaren op neerbuigende wijze onder druk gezet om - in het belang van het bestuur van de VvE - vóór de VSO te stemmen. In die VSO was een opschortende voorwaarde opgenomen dat de Vergadering de VSO uiterlijk op 29 november 2023 diende goed te keuren. Verweerder is daarna opgetreden als advocaat namens de VvE in een procedure tegen een aantal leden van de VvE. Verweerder had die opdracht alleen al vanuit moreel oogpunt moeten afwijzen, juist omdat hij een dubbelrol had. Verweerder had zich daarbij moeten realiseren dat het voor leden van een VvE, waaronder voor klaagster, niet altijd duidelijk is dat de VvE een zelfstandig rechtssubject is. Verweerder heeft nagelaten om zich actief in te spannen om onduidelijkheid over zijn rol te voorkomen.
Verweer verweerder
5.6 Verweerder stelt dat hij sinds 2019 optreedt voor de rechtspersoon, de VvE. Hij treedt niet op voor het bestuur of individuele (bestuurs)leden van de VvE. Dat de VvE, als rechtspersoon, door haar bestuur wordt vertegenwoordigd waardoor verweerder feitelijk dan het bestuur adviseert, betekent nog niet dat hij advocaat van het bestuur is in plaats van advocaat van de VvE. Verweerder betwist dat hij een dubbelrol heeft gehad. Zijn adviezen zijn altijd gericht geweest aan de VvE.
5.7 Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder betwist dat er advocaten bij het mediationtraject betrokken waren. Volgens verweerder is de door klaagster genoemde persoon een medewerker van de wederpartij, geen advocaat. De toenmalige voorzitter van de VvE was zijn contactpersoon en gaf hem terugkoppelingen over de mediationgesprekken. De voorzitter gaf op enig moment aan dat over een akkoord op hoofdlijnen werd gesproken. Verweerder heeft de voorzitter geadviseerd om daarvoor eerst wel het mandaat van de leden te vragen. De VvE heeft daarvoor een bijzondere vergadering belegd, buiten zijn aanwezigheid, waarin met een ruime meerderheid het mandaat is gegeven. Daarna heeft verweerder samen met de advocaat van M een vaststellingsovereenkomst opgesteld met daarin de voorwaarde dat die vaststellingsovereenkomst nog in een algemene ledenvergadering moest worden goedgekeurd.
5.8 In opdracht van de VvE heeft hij opgetreden in de procedure die was aangespannen door een aantal appartementseigenaren. Dat stond hem vrij. De stelling van klaagster dat bij individuele appartementseigenaren geen goed besef is van het onderscheid tussen het bestuur van de VvE enerzijds en de VvE als zelfstandig rechtssubject anderzijds, is volgens verweerder geen omstandigheid die hem als advocaat van de VvE is toe te rekenen.
Beoordeling raad
5.9 De raad heeft tijdens de zitting van de raad opgemerkt dat er nog altijd problemen tussen de VvE en een aantal appartementseigenaren spelen en dat hun woongenot daar ernstig onder lijdt. Hoezeer de raad dit ook betreurt, dat is niet het onderwerp van deze klachtzaak. Hier ligt de vraag voor of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.10 Vast staat dat verweerder als advocaat van de zelfstandige rechtspersoon - de VvE - heeft opgetreden. In die rol sprak verweerder met en ontving instructies van het bevoegde bestuur van de VvE.
5.11 Uit de stukken en de verklaringen tijdens de zitting is de raad gebleken dat een paar leden van het toenmalig bestuur van de VvE, waaronder tot haar terugtrekking ook klaagster als penningmeester, hebben deelgenomen aan het mediationtraject in een poging om het geschil van de VvE met M op te lossen. Verweerder was niet bij de mediation betrokken maar heeft daarover contact met de voorzitter gehad. In een bijzondere vergadering van de VvE hebben de leden het bestuur mandaat gegeven om in de mediation tot een regeling te komen, zulks onder voorbehoud van goedkeuring door de ledenvergadering. Vast staat dat verweerder van de VvE de opdracht heeft gekregen om de in mediation gemaakte afspraken verder vast te leggen in een vaststellingsovereenkomst. Verweerder heeft een vaststellingsovereenkomst opgesteld en die overeenkomst met de betrokken advocaat van M uitgewerkt. De vaststellingsovereenkomst is daarna op 23 november 2023 ter goedkeuring aan de leden van de VvE, waaronder klaagster, voorgelegd. Uit de overgelegde notulen van de Vergadering op 23 november 2023 volgt dat verweerder namens de VvE de inhoud en gevolgen van de vaststellingsovereenkomst heeft toegelicht. Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad onbetwist verklaard dat hij kort daarna (en voor de stemming van de Vergadering over de VSO) de Vergadering heeft verlaten.
5.12 Klaagster verwijt verweerder dat hij met de hiervoor beschreven handelwijze onduidelijkheid over zijn hoedanigheid heeft laten ontstaan. Dat daarover bij klaagster verwarring is ontstaan, betekent nog niet dat verweerder daarvan tuchtrechtelijk ook een verwijt kan worden gemaakt. Uit de stukken is de raad namelijk niet gebleken dat verweerder klaagster onjuist heeft geïnformeerd over zijn rol of hoedanigheid of dat verweerder daarin op enigerlei andere wijze is tekortgeschoten. Verweerder heeft als advocaat in opdracht van de VvE gehandeld en kon in die hoedanigheid ook de VvE vertegenwoordigen in een procedure die een aantal leden tegen de VvE hadden aangespannen, zoals is gebeurd. Het bestuur had de bevoegdheid om namens de VvE op te treden en mocht daartoe een advocaat inschakelen. Dat die advocaat eerder al voor de VvE had opgetreden maakt niet dat hij daardoor niet kan optreden in procedures van individuele leden tegen de VvE.
5.13 Nu niet is gesteld of gebleken dat verweerder de belangen van klaagster onnodig heeft geschaad door onduidelijkheid te laten bestaan over zijn hoedanigheid, is van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder geen sprake. De raad zal klachtonderdeel a) ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel b); belangen klaagster onevenredig geschaad?
Toelichting klaagster
5.14 Verweerder heeft aan de leden tijdens de Vergadering op 29 november 2023 (sub i), of daaraan voorafgaand, geen goede uitleg gegeven over de ineens gewijzigde stemprocedure en stemverhoudingen en een juridisch technisch onbegrijpelijk verhaal gehouden. In het belang van het bestuur tot goedkeuring van de VSO heeft verweerder tijdens die Vergadering ook allerhande onjuiste uitspraken gedaan over de woonbestemming en de parkeergarage om de leden tot goedkeuring van het besluit aan te zetten. Verder wordt verweerder verweten (sub ii) dat hij zich achter het bestuur van de VvE als vermeend slachtoffer heeft geschaard. Hij heeft zich daarbij onnodig grievend uitgelaten en intimiderend opgesteld richting een aantal appartementseigenaren door ze als lastig en als veroorzakers van hoge kosten weg te zetten, zowel tijdens de zitting bij de rechtbank op 2 december 2024, als in correspondentie. Het stond die eigenaren vrij om voor hun eigen belangen op te komen en de totstandkoming van de VSO juridisch ter discussie te stellen. Daarin zijn zij door de rechter ook in het gelijk gesteld.
Verweer verweerder
5.15 Verweerder betwist de belangen van klaagster op onevenredige wijze te hebben geschaad. Hij heeft geen opdracht gekregen van de VvE om als advocaat bij de mediation aanwezig te zijn. Over het verloop van de mediation hield de voorzitter van het bestuur contact met hem. Voor zover klaagster zich als toenmalig penningmeester van de VvE juridisch niet gesteund heeft gevoeld, kan dat verweerder tuchtrechtelijk niet worden aangerekend. Hij heeft het bestuur, in het belang van de VvE, geadviseerd om in een bijzondere ledenvergadering om mandaat te vragen. Tijdens de Vergadering daarna was hij op verzoek van de VvE alleen aanwezig om een toelichting te geven op de inhoud van de VSO. De uitleg over de stemprocedure en stemverhoudingen was niet zijn opdracht. De dagvoorzitter heeft die informatie gegeven. Verweerder betwist dat hij suggestieve uitspraken heeft gedaan en zich neerbuigend of intimiderend heeft uitgelaten in correspondentie of tijdens een procedure tegenover een aantal leden van de VvE. In eerste aanleg is de VvE in het ongelijk gesteld. De rechtsvraag over de geldigheid van de besluitvorming tijdens de Vergadering, waarover verweerder anders denkt dan de rechtbank, ligt nu ter beoordeling voor bij het gerechtshof.
Beoordeling raad
5.16 De juistheid van subverwijt (i) is, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, niet vast te stellen. Stukken die dat verwijt kunnen onderbouwen, ontbreken. Ten aanzien van subverwijt (ii) is de raad van oordeel dat klaagster niet ontvangen kan worden in dit gedeelte van haar klacht voor zover die ziet op de procedure die door een aantal leden tegen de VvE is aangespannen omdat zij geen betrokkenheid heeft gehad bij de betreffende procedure. Van neerbuigende of intimiderende uitlatingen van verweerder in correspondentie is de raad uit de stukken in dit dossier niets gebleken.
5.17 Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerder niet de grenzen heeft overschreden van de vrijheid die hij als advocaat had, en dus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De raad zal daarom klachtonderdeel b) eveneens ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. P. Rijnsburger en L.S. Wachters, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 28 april 2026
