Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:133

Zaaknummer

260024

Inhoudsindicatie

Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond.

Inhoudsindicatie

Allereerst overweegt het hof dat het (preliminaire) verweer van de deken dat beklag zich richt tegen mr. Rosier, terwijl het besluit is genomen door waarnemend deken mr. Van der Ende, niet slaagt. Een besluit ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Advw om (g)een advocaat aan te wijzen wordt genomen door de deken, in het onderhavige geval door de (bevoegde) waarnemend deken. Het eventuele beklag richt zich -anders dan een tuchtklacht- tegen de beslissing en niet tegen de persoon van de beslisser. Het beklag ingevolge artikel 13 Advw is dan ook terecht gericht aan degene voor of namens wie de waarnemend deken zijn beslissing heeft genomen.

Inhoudsindicatie

Uit de aanvraag maakt het hof op dat klager bijstand van een advocaat wenst in een bestuursrechtelijke procedure. Omdat in het bestuursrecht bijstand door een advocaat niet verplicht is, kan het beklag van klager tegen de afwijzingsbeslissing van de waarnemend deken niet slagen. Ten aanzien van de uitbreiding van het aanwijzingsverzoek van klager, althans zijn aanvullingen tijdens deze beklagprocedure, stelt het hof vast dat deze uitbreiding te laat is geschied en daarnaast niet is onderbouwd.

Uitspraak

Beslissing van 1 mei 2026

in de zaak 260024

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

 

klager

 

tegen:

 

de deken

 

 

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klager heeft bij de deken op 31 december 2025, en aangevuld op 2 januari 2026, een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 15 januari 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het verzoek van klager betrekking heeft op

bijstand in het kader van een bestuursrechtelijke procedure waarvoor vertegenwoordiging door een advocaat niet verplicht is.

Bij het hof

1.3 Klager heeft op 22 januari 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4 Verder bevat het dossier:

het verweer van de deken de repliek de dupliek.

1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

 

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Klager heeft verzocht om aanwijzing van een advocaat in een bestuursrechtelijke

kwestie tegen de reclassering. Klager heeft een aantal jaren in buitenlandse detentie gezeten. Met klager is door de reclassering afgesproken dat hij zou worden ingeschreven bij ThuisinLimburg met de bedoeling om inschrijftijd op te bouwen en na detentie eerder in aanmerking te komen voor een huurwoning. Na detentie bleek de inschrijving niet te zijn verlengd, waardoor klager inschrijftijd is kwijt geraakt. Klager wenst hierover een procedure te starten tegen de reclassering.

 

 

3 BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager heeft aangevoerd dat hij een juridisch geschil heeft waarvoor de bijstand van een advocaat wettelijk verplicht is (verplichte procesvertegenwoordiging) en/ of feitelijk noodzakelijk, vanwege de verschillende soorten recht, waar een advocaat voor verplicht is. Klager stelt dat hij heeft getracht zelfstandig een advocaat aan te zoeken, echter zonder resultaat.

3.2 Klager heeft er in zijn repliek op gewezen dat de doorverwijzing(en) van het juridisch loket, omtrent zijn geschillen, met o.a. de reclassering, maar een gedeelte zijn van de constante jarenlange schendingen, van zijn rechten, met als daders, overheidsinstanties en hun medewerkers. Klager heeft aangevoerd dat hij voor Jeugd en Familie/Civiel, wettelijk verplicht is, om bij te worden gestaan door een advocaat, omdat hij staatskantoren aansprakelijk wil stellen en eventuele boetes, dwangsommen, materiële en immateriële schade, hoger dan 25.000 euro, kunnen uitvallen.

3.3 Klager heeft afwijzingen van advocatenkantoren ingediend.

Verweer

3.4 De deken heeft aangevoerd dat beklag zich richt tegen mr. Rosier, terwijl het besluit is genomen door waarnemend deken mr. Van der Ende. Het beklag richt zich dan ook tegen de verkeerde partij.

3.5 Verder heeft de deken opgemerkt dat het verzoek tot aanwijzing van een advocaat op correcte wijze en terechte gronden is afgewezen, omdat klager niet heeft geconcretiseerd waarom de beslissing van de waarnemende deken niet juist zou zijn. Klager herhaalt dat hij een juridisch geschil heeft waarvoor de bijstand van een advocaat wettelijk verplicht of feitelijk noodzakelijk is. Het is echter aan klager om, aan de hand van de mogelijkheden die in het afwijzingsbesluit zijn genoemd, op zoek te gaan naar een advocaat (of een andere bijstand, bijvoorbeeld een jurist).

3.6 Ten overvloede heeft de deken erop gewezen dat zelfs wanneer klager zou hebben bedoeld (ook) aanwijzing te verzoeken voor andere zaken -hetgeen door hem overigens niet wordt aangevoerd-, zoals bijvoorbeeld een zaak die ziet op het al dan niet verkrijgen van een verblijfsvergunning, een strafrechtelijke kwestie, een huurzaak of een sociale zekerheidskwestie, ook in dergelijke zaken geen sprake is van verplichte advocaatbijstand en dus geen advocaat door de deken kán worden aangewezen. Het resultaat zou dan ook hetzelfde zijn geweest. Wanneer er sprake zou zijn geweest van een zaak waarin wel verplichte bijstand van een advocaat vereist is, zou er bovendien sprake zijn geweest van onvoldoende schriftelijke (recente) afwijzingen van advocaten, werkzaam in het rechtsgebied waarvoor klager aanwijzing verzoekt. Ook gaf klager op het webformulier reeds aan niet bereid te zijn een eigen bijdrage te betalen.

3.7 De deken heeft er op gewezen dat klager eerst in de dupliek tijdens deze beklagprocedure naar andere rechtsgebieden verwijst waarin hij wenst te worden bijgestaan, namelijk naar “Jeugd en Familie/ Civiel” en hij wil “staatskantoren aansprakelijk stellen en eventuele boetes, dwangsommen, materiële en immateriële schade, hoger dan 25.000 euro” vorderen. Dit was echter niet de grondslag van het verzoek tot aanwijzing en overigens zijn deze stellingen ook niet nader onderbouwd door klager. Dat de stellingen van klager onduidelijk zijn en zijn verzoeken steeds wijzigen, blijkt eveneens uit de reacties van de advocaten die klager heeft bijgevoegd, waarin zowat alle rechtsgebieden passeren. Volgens de deken leidt een onduidelijk verzoek, waarbij de verzoeker niet feitelijk en concreet aangeeft wat het probleem feitelijk behelst en dat het een kwestie/procedure betreft waarin bijstand van een advocaat benodigd is, eveneens tot een afwijzing. Het is namelijk aan de verzoeker om voldoende concrete aanknopingspunten naar voren te brengen om te kunnen beoordelen of zijn verzoek voldoet aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet.

 

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2 Allereerst overweegt het hof dat het onder 3.4 weergegeven (preliminaire) verweer van de deken niet slaagt. Een besluit ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Advw om (g)een advocaat aan te wijzen wordt genomen door de deken, in het onderhavige geval door de (bevoegde) waarnemend deken. Het eventuele beklag ingevolge art.13, derde lid, richt zich -anders dan een tuchtklacht- tegen de beslissing en niet tegen de persoon van de beslisser. Het beklag ingevolge artikel 13 Advw is dan ook terecht gericht aan degene voor of namens wie de waarnemend deken zijn beslissing heeft genomen.

4.3 Uit de aanvraag maakt het hof op dat klager bijstand van een advocaat wenst in een bestuursrechtelijke procedure. In het bestuursrecht is bijstand door een advocaat niet verplicht. Reeds om die reden kan het beklag van klager tegen de afwijzingsbeslissing van de waarnemend deken niet slagen. De deken heeft de afwijzende beslissing op juiste gronden genomen. Ook heeft hij klager er terecht op gewezen dat hij zich door iemand anders dan een advocaat kan laten bijstaan.

4.4 Ten aanzien van de uitbreiding van het aanwijzingsverzoek van klager, althans zijn aanvullingen tijdens deze beklagprocedure, stelt het hof vast dat deze uitbreiding te laat is geschied en daarnaast niet is onderbouwd. De deken heeft terecht opgemerkt dat hij in deze beklagprocedure niet kan beoordelen of dit verzoek voldoet aan de voorwaarden van artikel 13 van de Advocatenwet.

4.5 De conclusie is dat het beklag ongegrond wordt verklaard.

 

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 15 januari 2026 van de waarnemend Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg ongegrond.

 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

 

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 1 mei 2026.