Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:132

Zaaknummer

260025

Inhoudsindicatie

Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klaagster ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die zij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waar de deken om heeft verzocht, in te dienen. Dat alles heeft klaagster niet gedaan. Het hof kan uit de van klaagster ontvangen gegevens niet veel meer opmaken dan dat klaagster -anders dan de deken- van mening is dat haar verzoek voldoende duidelijk is en voldoende onderbouwd, maar tegelijkertijd wordt ook vastgesteld dat klaagster zelfs het processtuk waar het allemaal om gaat niet ter beschikking wil stellen. Het hof heeft uit alle stukken niet kunnen afleiden wat het geschil is waarvoor klaagster een kort geding wenst te entameren en is daarom met de deken van oordeel dat klaagster haar verzoek niet voldoende heeft onderbouwd.

Inhoudsindicatie

Het is het hof voorts niet gebleken dat de deken de inspanningsverplichting om zelf een advocaat te vinden verkeerd heeft uitgelegd. Uit het dossier blijkt niet dat klaagster voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden. Klaagster miskent dat de aanwijzingsbevoegdheid van de deken een vangnetvoorziening is, die pas in werking treedt als de rechtzoekende eerst zelf (aantoonbare) initiatieven heeft genomen om een advocaat te vinden.

Inhoudsindicatie

Tenslotte overweegt het hof dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan verschillende beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.

Uitspraak

Beslissing van 1 mei 2026

in de zaak 260025

         

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

 

         

klaagster

         

tegen:

         

de deken

 

 

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klaagster heeft op 12 december 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 12 december 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het verzoek niet compleet was.

1.3 Na reacties van klaagster van 15 en 16 december 2025 heeft de deken het verzoek op 18 december 2026 (weer) in behandeling genomen. Op 13 januari 2026 heeft de deken verzocht om nadere informatie. Met de beslissing van 28 januari 2026 heeft de deken het verzoek van klaagster om aanwijzing van een advocaat afgewezen. Aan de afwijzing is ten grondslag gelegd dat klaagster onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de procedure die zij wil voeren. Daarnaast heeft klaagster onvoldoende aangetoond dat zij zelf heeft getracht een advocaat te vinden.

Bij het hof

1.4 Klaagster heeft op 30 januari 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.5 Verder bevat het dossier:

het verweer van de deken de repliek de dupliek

1.6 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

 

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Klaagster heeft in december 2025 om aanwijzing van een advocaat verzocht voor het voeren van een civiel kort geding bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland. De deken heeft aan klaagster verzocht haar verzoek nader te onderbouwen. Klaagster heeft vervolgens haar verzoek aangevuld. Op 13 januari 2026 heeft de deken aan klaagster bericht dat het nog niet duidelijk was voor welke concrete procedure klaagster een advocaat zocht.

2.2 Klaagster heeft vervolgens op 14 januari 2026 het volgende aan de deken geschreven:

“mijn verzoek betreft éé n specifieke, reeds lopende procedure, te weten: het civiele kort geding (voorlopige voorzieningen), te behandelen door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland, sector civiel.”

Klaagster heeft aangegeven dat het dossier volledig was en dat een nadere verduidelijking niet nodig was.

2.3  Bij e-mail van 15 januari 2026 heeft de deken klaagster nogmaals bericht dat hij informatie moest ontvangen over de inhoud van de zaak, om te kunnen beoordelen of een advocaat moest worden aangewezen en zo ja, welke. De deken heeft klaagster verzocht een kopie te verstrekken van het verzoekschrift dat zij naar de rechtbank had gestuurd. Daarnaast gaf de deken aan dat klaagster aanvullende schriftelijke afwijzingen diende aan te leveren, zoals beschreven in de brieven van 18 december 2025 en 13 januari 2026. De deken heeft klaagster erop gewezen dat indien hij deze informatie niet van haar zou ontvangen, zij er rekening mee diende te houden dat haar verzoek zou worden afgewezen.

2.4  Bij e-mails van 20 en 22 januari 2026 heeft klaagster gereageerd op de e-mail van de deken. Zij heeft daarbij geen kopie van het verzoekschrift toegevoegd, wel heeft zij twee e-mails toegevoegd die zij heeft verstuurd aan advocatenkantoren. Op deze e-mails heeft klaagster geen reactie ontvangen.

2.5 Bij besluit van 28 januari 2026 heeft de deken het verzoek van klaagster afgewezen. Aan de afwijzing heeft de deken ten grondslag gelegd dat klaagster onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de concrete procedure waarvoor zij een advocaat zoekt. Klaagster heeft bijvoorbeeld niet het verzoekschrift toegestuurd dat zij wilde indienen. Daarnaast heeft klaagster een veelvoud aan andere documenten toegestuurd met uiteenlopende onderwerpen en geschillen. De deken heeft haar meermaals in de gelegenheid gesteld duidelijkheid te verschaffen op welke procedure haar verzoek betrekking heeft. Deze duidelijkheid is echter niet verschaft.

2.6  Daarnaast heeft klaagster zich volgens de deken onvoldoende tot advocaten gewend, althans klaagster heeft die zoektocht onvoldoende aangetoond. Er is één schriftelijke afwijzing toegevoegd en er zijn twee advocatenkantoren benaderd die geen werkzaamheden verrichten op basis van een toevoeging. Deze advocatenkantoren zijn, voor zover de deken kan zien, ook slechts benaderd met de vraag of zij kunnen bevestigen dat zij klaagster niet kunnen bijstaan.

 

3 beklag en verweer

Gronden van het beklag

3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Zij heeft aangevoerd dat:

de beslissing van de deken berust op feitelijke onjuistheden de beslissing innerlijk tegenstrijdig en onvoldoende gemotiveerd is de toepassing van artikel 13 Advocatenwet in haar geval heeft geleid tot een feitelijke blokkade van haar toegang tot de rechter, in strijd met artikel 6 EVRM.

3.2  Klaagster is van mening dat zij voldoende duidelijkheid heeft verschaft over de concrete procedure waarvoor zij een advocaat zoekt. Uit de verstrekte samenvatting ex artikel 13 Advocatenwet blijkt volgens haar ondubbelzinnig dat het gaat om een civiel kort geding bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland, waarvoor verplichte procesvertegenwoordiging geldt. De conclusie dat sprake zou zijn van “onvoldoende duidelijkheid” over de procedure is daarmee volgens klaagster in strijd met de inhoud van het dossier.

3.3   Klaagster vindt de stelling van de deken dat zij een “veelvoud aan documenten” heeft overgelegd met uiteenlopende onderwerpen en geschillen, innerlijk tegenstrijdig. De aanvullende informatie en stukken zijn immers op uitdrukkelijk verzoek van de deken aangeleverd. Dat deze informatie vervolgens als “veelvoud aan documenten” wordt gepresenteerd en tegen haar wordt gebruikt, is volgens klaagster in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De reden om het verzoekschrift van klaagster niet toe te zenden, is het directe gevolg van verplichte procesvertegenwoordiging (waarom klaagster aanwijzing van een advocaat verlangt). Van klaagster kan daarom in deze beklagprocedure in redelijkheid niet worden verlangd een processtuk over te leggen dat zonder advocaat niet rechtsgeldig kan worden ingediend en dat door de rechtbank niet wordt geaccepteerd.

3.4  Klaagster stelt dat uit de overgelegde correspondentie blijkt dat meerdere benaderde advocatenkantoren in het geheel niet hebben gereageerd. Dit structurele uitblijven van reacties maakt onderdeel uit van de feitelijke onmogelijkheid om een advocaat te vinden en is volgens klaagster juist het probleem dat artikel 13 Advocatenwet beoogt te ondervangen.

3.5   Ten slotte heeft klaagster gesteld dat de voorzieningenrechter haar heeft verwezen naar artikel 13 Advocatenwet als aangewezen route om toegang te verkrijgen tot verplichte procesvertegenwoordiging. Door de afwijzing van het verzoek ex artikel 13 Advocatenwet resteert er geen reële mogelijkheid om haar civiele kort geding aanhangig te maken. De toegang tot de rechter wordt hierdoor niet slechts bemoeilijkt, maar feitelijk illusoir gemaakt, aldus klaagster. De door de rechtbank aangewezen route ex artikel 13 Advocatenwet heeft aantoonbaar niet geleid tot toegang tot rechtsbijstand. Daarmee is sprake van een situatie die direct raakt aan het recht op effectieve toegang tot de rechter zoals beschermd door artikel 6 EVRM. Het ontbreken van enige resterende effectieve route maakt dat de rechtsbescherming in haar geval niet theoretisch of illusoir mag zijn, maar praktisch en effectief dient te zijn.

Verweer

3.6  De deken heeft aangevoerd dat klaagster heeft nagelaten om duidelijk te maken wat de inhoud van de procedure betreft. Het feit dat klaagster meer dan 400 pagina’s aan documenten heeft aangeleverd, betekent nog niet dat zij haar verzoek deugdelijk onderbouwd heeft of voldoende duidelijkheid over de inhoud van de procedure heeft verschaft. Wat betreft het standpunt dat de beslissing onvoldoende is gemotiveerd, verwijst de deken naar de beslissing van 28 januari 2026.

3.7  In reactie op de stelling van klaagster dat de deken de inspanningsverplichting verkeerd uitlegt, heeft de deken opgemerkt dat van een verzoekster mag worden verwacht dat zij een serieuze inspanning levert om een advocaat te vinden. Van een verzoekster mag ook worden verwacht dat zij schriftelijk bewijs levert van benaderde advocaten en hun reacties (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:TAHVD:2026:28). Klaagster is (meermaals) geïnformeerd dat het aan haar als verzoekster was om aan te tonen dat zij zich voldoende had ingespannen om zelf een advocaat te vinden en op welke wijze zij dit kon aantonen. De deken is van mening dat hij deze inspanningsverplichting niet verkeerd heeft uitgelegd.

3.8  Ten slotte heeft de deken gereageerd op de stelling van klaagster dat er sprake zou zijn van een blokkade tot de toegang van de rechter, wat in strijd is met artikel 6 EVRM. De deken heeft erop gewezen dat klaagster bij e-mail van 12 december 2025 is geïnformeerd over de vereisten waaraan een verzoek om aanwijzing moet voldoen en welke criteria worden gehanteerd bij beoordeling van het verzoek. Nu klaagster niet aan deze vereisten heeft voldaan, vindt de deken dat er goede gronden waren om het verzoek om aanwijzing af te wijzen.

 

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2 De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klaagster ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die zij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waar de deken om heeft verzocht, in te dienen.

4.3 Dat alles heeft klaagster niet gedaan. Het hof kan uit de van klaagster ontvangen gegevens niet veel meer opmaken dan dat klaagster -anders dan de deken- van mening is dat haar verzoek voldoende duidelijk is en voldoende onderbouwd, maar tegelijkertijd wordt ook vastgesteld (zie 3.3.) dat klaagster zelfs het processtuk waar het allemaal om gaat niet ter beschikking wil stellen. Het hof heeft uit alle stukken niet kunnen afleiden wat het geschil is waarvoor klaagster een kort geding wenst te entameren en is daarom met de deken van oordeel dat klaagster haar verzoek niet voldoende heeft onderbouwd. De deken heeft dan ook afwijzend mogen beslissen op het aanwijzingsverzoek van klaagster.

4.4 Het is het hof voorts niet gebleken dat de deken de inspanningsverplichting om zelf een advocaat te vinden verkeerd heeft uitgelegd. Uit het dossier blijkt niet dat klaagster voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden. Klaagster miskent dat de aanwijzingsbevoegdheid van de deken een vangnetvoorziening is, die pas in werking treedt als de rechtzoekende eerst zelf (aantoonbare) initiatieven heeft genomen om een advocaat te vinden.

4.5 Tenslotte overweegt het hof dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan verschillende beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.

4.6 Het beklag is op grond van het voorgaande ongegrond.

 

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

 

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 28 januari 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland ongegrond.

 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026 .

griffier                                                                                                       voorzitter

 

De beslissing is verzonden op 1 mei 2026.